Op Davids troon
In Christus en in Zijn werk brak het beloofde Koninkrijk door
Maria ontvangt een overweldigende hemelboodschap met een geweldige impact. Die komt niet zomaar van iemand, nee, ze hoort de aartsengel die voor God staat. Ze zal een Zoon baren Die de troon zal gaan bezetten. Wat zal er veel door Maria zijn heengegaan.
De boodschap aan dit meisje van pakweg vijftien jaar oud luidt: ‘En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren (…) en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen.’
Maria, die in ondertrouw was met een ‘zoon van David’ (Matt.1:20), zal de geboorteaankondiging door de aartsengel Gabriël heel concreet hebben opgevat. De beloofde Zoon zou de vacante troon van voorvader David bezetten en net als de legendarische zoon van Isaï over Israël regeren. Oude, profetische woorden worden nieuw leven ingeblazen.
Vaak geprofeteerd
Het is al vaak geprofeteerd. In 2 Samuël 7 verwoordt de profeet Nathan dat God de troon van Davids koningschap voor eeuwig zal bevestigen. In Jesaja 9 lezen we dat aan de heerschappij en de vrede van de Vredevorst geen einde zal komen ‘op de troon van David’.
Ook Jeremia wijst er in hoofdstuk 33 op dat het David niet aan een m(M)an zal ontbreken, die op de troon van het huis van Israël zal zitten. Ezechiël doet er nog een schepje bovenop als hij in het bekende 37e hoofdstuk profeteert dat Gods Knecht David tot in eeuwigheid Koning over Zijn volk Israël zal zijn. De profeet Amos profeteert in hoofdstuk 9 dat God de vervallen hut van David weer zal oprichten en dat Hij die weer zal opbouwen als in de dagen van weleer. Ook de Psalmen zingen ervan. Psalm 72 maakt in de bezongen koning Salomo de contouren zichtbaar van de ‘meerdere Salomo’. In Psalm 89 zingt Ethan dat God Zijn dienaar David gezworen heeft dat Hij zijn nageslacht voor eeuwig zal laten bestaan, en zijn troon van generatie op generatie. In Psalm 132 wordt vervolgens Gods belofte bezongen dat Hij een van Davids nazaten op diens troon zal zetten. De Heere Jezus betrekt de bezongen tekstwoorden uit Psalm 118: ‘Gezegend wie komt in de Naam van de Heere’ aan het slot van Lukas 13 op Zichzelf. Zo zou er nog veel meer te noemen zijn. Ook Paulus wijst er in zijn pinksterpreek op dat God Hem deed opstaan om Hem op de troon van ‘de aartsvader David’ te zetten.
Israël
Helaas was Israël er blind voor dat deze profetieën met de komst van Jezus in vervulling gingen.
Eigenlijk is dat ook niet zo vreemd. Hij Die op de troon van Zijn vader David zou zitten, kwam zo incognito. Hij kwam in de gestalte van een dienstknecht, die Zichzelf wegcijferde. Hij was niet iemand om te begeren, maar een verachte, een onwaardige, een Man van smarten, gekomen om te dienen en Zijn leven op te offeren voor anderen.
O zeker, Hij had een kleine groep volgelingen. En vanwege de tekenen die Hij deed, volgde ‘de schare die de wet niet kende’ Hem. Velen begonnen zich gaandeweg af te vragen of Hij misschien toch ‘de Zoon van David’ was. In Mattheüs 21, tijdens de intocht in Jeruzalem, lijkt het bijna of het hele volk het door heeft. Velen zien in Hem ineens de beloofde Messias, Die de troon van Zijn vader David gaat beklimmen. Het is echter van korte duur. Door Zijn dood en begrafenis verdwijnt de opgeklopte hoop in het graf.
Het beloofde Koninkrijk Met Zijn opstanding komt in kleine kring de vraag
Met Zijn opstanding komt in kleine kring de vraag opnieuw tot leven of Hij het beloofde Koninkrijk onder het huis van David gaat herstellen. De apostelen vragen het Hem in Handelingen 1:6 rechtstreeks. Dit is eigenlijk niet zo verwonderlijk. Tijdens Zijn rondwandeling op aarde had Hij immers voortdurend met hen gesproken over het Koninkrijk van God. Hij had hen leren bidden om de komst van dat Koninkrijk. Nu Hij de vijand heeft overwonnen en verzoening heeft teweeggebracht, kon dat Koninkrijk toch beginnen? Dit is voor hen een voor de hand liggende vraag, vooral als ze horen dat ze in Jeruzalem, de stad van David, moeten blijven wachten op de belofte van de Vader.
Het bijzondere is dat Jezus dit alles niet ontkent, hoewel Hij niet het moment onthult. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat in Hem en in Zijn werk het beloofde Koninkrijk doorbrak. Aan de ene kant het ‘reeds’ (want, zie, het Koninkrijk van God is in het midden van u), aan de andere kant het ‘nog niet’ (op de dag van ‘de Zoon des mensen’).
Actuele vraag
Voor gelovige Joden is de vraag naar het herstel van Davids koningschap nog steeds actueel. Ze vertrouwen erop dat God de geschiedenis met Zijn volk en de volkeren tot voltooiing zal brengen en dat Israël in de eerste plaats deel zal krijgen aan Gods rijk op deze aarde. Het is best aangrijpend dat ze nog steeds driemaal per dag in het Achttiengebed bidden of God wil terugkeren naar Jeruzalem, om in haar de zetel van David te bereiden. ‘De spruit van David, uw dienaar, doe die snel ontspruiten.’
Geestelijk
De kerk heeft de belofte van de engel Gabriël vaak minder concreet en minder specifiek op Israël toegepast. Jezus’ koningschap blijft immers niet begrensd tot Israël en moet toch ook geestelijk worden opgevat.
Iemand als Calvijn is er kort en duidelijk over. In zijn commentaar op de vraag van de apostelen aan Jezus uit Handelingen 1:6 zegt hij dat met de vraag van de apostelen ‘het onverstand van allen’ aan het licht komt. Ze vragen Jezus naar het Koninkrijk, maar zij dromen van een aards koninkrijk, dat steunt op rijkdom, luxe, uitwendige vrede en zegeningen van deze aarde. Als ze vragen of Jezus dat rijk ‘in deze tijd’ weer opricht, verlangen zij te genieten van de overwinning voordat de strijd gestreden is. Ze verlangen hun loon voordat de arbeid ter hand is genomen. Calvijn wijst er ten slotte op dat zij zich vergissen door het koninkrijk te beperken tot Israël naar het vlees. Het moet zich immers uitstrekken tot de verste delen van de aarde. Ze verwachten een stoffelijk in plaats van een geestelijk koninkrijk.
Het gaat volgens de reformator om het dienen van de Heere in geloof en uit liefde. Met andere woorden: het gaat om de interne heerschappij van Christus in onze harten. Het is ook niet zomaar dat het in Hebreeën 1 wel gaat over de eeuwigheid van Christus’ Koninkrijk, maar dat Israël daar niet meer genoemd wordt.
De reformator heeft hier een belangrijk punt: de geestelijke heerschappij van Christus in onze harten. Zijn kruis was vooral Zijn troon. Hij ‘regeert vanaf het hout’, zoals dr. A. van de Beek dat noemt.
Het huis van Jakob
Zijn koningschap gaat nog steeds door, vooral ook over het huis van Jakob, zoals de engel Gabriël en de profeten het verwoordden. Bijzonder is hoe Ezechiël in hoofdstuk 37 zijn profetie over het eeuwige koningschap van Gods Knecht over Israël verbindt met de belofte dat God een eeuwig verbond van vrede met dat volk zal sluiten. Hij zal een God voor hen zijn en zij zullen een volk voor Hem zijn. Dit volgt op de beloftewoorden uit Ezechiël 36 over het nieuwe hart en de nieuwe geest die God in hun binnenste zal geven.
Van hieruit wordt Romeinen 11 transparant. Daar wijst de apostel erop dat de Heere machtig is om de afgerukte takken van de tamme olijfboom Israël opnieuw te enten om dit te laten uitlopen op ‘de volheid van de heidenen’ die zal binnengaan en op de volheid van Israël die zalig zal worden. Daarin wordt Jezus’ koningschap over het huis van Jakob heel concreet.
Toekomst
Als de Mensenzoon op de jongste dag met de wolken van de hemel neerdaalt, zal Zijn Koninkrijk in alle volkomenheid doorbreken en zal Hij het koningschap teruggeven aan de Vader. Johannes zag in zijn visioen dat Hij, als de gekroonde Ruiter op het witte paard, al in aantocht was. In Openbaring 21 ziet hij Hem op de troon zitten.
Hoe groot is het om met geloofsogen persoonlijk iets te mogen zien van die Koning in Zijn schoonheid. Hij kwam in schamelheid, maar Hij zal wederkomen in heerlijkheid om al Zijn onderdanen, ‘uit alle volken, natiën en talen’, uit Israël en de volken, eeuwig Thuis te halen.
De martelaren die tijdens het Romeinse Rijk voor de wilde dieren werden geworpen, herinneren ons aan die Koning. Terwijl ze de arena binnentraden, stelden ze zich eerst voor de loge van de keizer op en riepen ze uit: ‘Regem habemus’, ‘Wij hebben een Koning’. Door onvoorwaardelijke overgave aan deze Koning zijn we meer dan overwinnaars en erven we koninkrijken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2019
De Waarheidsvriend | 28 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 2019
De Waarheidsvriend | 28 Pagina's