Een nieuw perspectief
Paulus’ brieven aan de Thessalonicenzen (3)
Het thema van de komst van Christus doortrekt de brieven aan de Thessalonicenzen. Het vaak gebruikte woord ‘wederkomst’ is wellicht niet de beste keuze. Ook wordt wel gekozen voor ‘aankomst’ of alleen voor ‘komst’.
Hoe dan ook, Degene Die bij Zijn heengaan sprak: En zie, Ik ben met u alle dagen... Die verwachten wij vanuit de hemel. En met Hem het volle zichtbaar worden van het Koninkrijk van God. Paulus werkt hier geen chronologische route uit, zoals soms wordt afgeleid uit de apocalyptische en eschatologische gedeelten in de Schriften. Hij voorziet wel een toename van de verdrukkingen. Verdrukking zal er op een dag niet meer zijn. Onderlinge liefde des te meer. Maar hoe ga je nu om met die spanning, wanneer ook het ‘vandaag misschien?’ op den duur niet meer werkt? Hoe zal Hij ons aantreffen? Met olie in de lampen?
Heilig leven
Paulus’ woorden over zichzelf in de eerste hoofdstukken blijken exemplarisch bedoeld te zijn nu hij in hoofdstuk 4 overgaat tot de richtlijnen voor de levenswandel van christenen. Naast dat we rechtvaardig zijn in de Gekruisigde en Opgestane, zijn we ook geroepen heilig te zijn en te worden. Dat is blijkbaar iets wat meer kan worden en wat in het leven hier en nu al beoefend moet worden.
Maar door wie precies? Heiliging is groei van de wedergeborene ten koste van de oude mens. Het is dus het werk van Gods Geest in de gelovigen. Daarom kan Paulus hierover gaan spreken, wanneer hij van Timotheüs heeft vernomen dat de gemeente door God Zelf is gesticht. Timotheüs trof er geloof en liefde aan. Daarop wil Paulus verder bouwen. Dat is heiliging.
Ongeremde seksualiteit
In de Griekse steden van Korinthe en niet minder die van Thessalonica was de beleving van seksualiteit een ongeremde. Vandaar dat Paulus daarmee begint. De pas bekeerde gemeenteleden zijn maar zo niet van hun oude levenswandel af. Misschien vreemd voor ons om te beseffen, maar hun levenswandel is ook niet verontrustend in eigen ogen. Dat heeft wellicht te maken met de onderwaardering van het lichamelijke ten opzichte van het geestelijke.
Gevaar hierbij is dat we onze huidige vragen rond seksuele diversiteit meteen inlezen in zo’n tekst aan de gemeente in Thessalonica. Gevaar, omdat we zo de tekst al snel gebruiken voor conservatieve standpunten rond huwelijk en seksualiteit. Het christelijk geloof is iets anders dan conservatisme. Ook heteroseksualiteit, binnen het huwelijk, staat open voor datgene waarvoor Paulus waarschuwt: de zelfgerichtheid. Het christelijke leven – en dus ook de beleving van seksualiteit – mag doorademd zijn van de liefdevolle gerichtheid op de ander. Een christen ontvangt geen heteroseksualiteit, maar de Heilige Geest. Een leven in heiliging staat nooit los van God in Christus. Heiliging is altijd Gods werk in en met ons.
Conservatisme kan hier dicht tegen aan liggen en een rem vormen op allerlei ontsporing. Het kan echter ook een harde en ongenadige vorm aannemen richting degenen die niet aan de norm kunnen voldoen. Levend in alle gebrokenheid, vanuit de vergeving en door de kracht van de Heilige Geest mag de weg ingeslagen worden van een leven naar Gods bedoeling. Dit gaat alle christenen aan en niet slechts een categorie. Het moge duidelijk zijn dat het ook de gemeente aangaat, als een plek waar veel gedeeld en gecompenseerd moet worden, wil de zelfzuchtigheid, ook in seksualiteit, overstegen worden.
Niet parasiteren
Opmerkelijk is ook een ander gegeven dat door beide brieven heen speelt. Blijkbaar hebben de mensen in Thessalonica op een bepaalde manier op het Evangelie gereageerd en in het bijzonder een conclusie getrokken uit de nabije komst van Christus. Ze zijn gestopt met werken. Dat geldt niet van allen, maar vormt toch een aanzienlijk probleem.
Waarom precies men dit doet, wordt ons niet duidelijk. Kijkt men neer op handwerk? Of verwacht men zo nabij de komst van Christus dat de koffers al worden gepakt? In ieder geval duurt het al langer dan verwacht en neigt men ernaar op kosten van anderen te leven. Begrijpelijk dat dit op den duur een onhoudbare situatie wordt.
Nu wordt ook helder waarom Paulus zichzelf in herinnering brengt als iemand die ‘heilig, rechtvaardig en onberispelijk’ (2:10) is geweest en ‘nacht en dag heeft gewerkt om niemand tot last te zijn’ (2:9). Hoewel ze de conclusie hebben getrokken dat werken weinig zin meer heeft wanneer Jezus spoedig komt, is hun blijkbaar niet opgevallen hoe Paulus niet op hun kosten leefde, maar keihard bleef werken, hoewel hij recht had op hun onderhoud. Dat dit een hardnekkig probleem is in Thessalonica, blijkt wel uit het feit dat Paulus’ tweede brief aan de gemeente, wellicht enkele weken later, hier opnieuw uitvoerig op ingaat in hoofdstuk 3.
Niet piekeren
De bekendste passage uit deze brieven is wellicht de perikoop 4:13-18, over de opstanding bij Christus’ komst. Bekend ook vanwege de leer van de ‘opname van de gemeente’. Daar is wellicht meer bij getrokken dan Paulus hier voor ogen had. Wanneer we bedenken dat dit een van de oudste brieven van het Nieuwe Testament is, mogen we gaandeweg de ontwikkeling van het Nieuwe Testament aanpassing van de voorstelling verwachten, ook wanneer de boodschap van het Evangelie onveranderd blijft.
Hoelang duurt de komst van Christus nog? En nu zijn er broeders en zusters gestorven. Zij maken Zijn komst nu niet mee? Ik leer daarvan vooral dat ik iets ben kwijtgeraakt, wellicht nooit zo heb gekend, wat deze gemeente die Paulus zeer liefhad, kenmerkte. Niet alleen een verwachting van de komst van Christus, maar ook een vurig verlangen ernaar. En een verlangen dat elke broeder en zuster daarin zal delen. Dat wil toch niemand missen!
Wat je vooral moet proeven in dit gedeelte (en telkens weer in deze brieven), is dat vragen op een bepaalde manier worden opgelost: naar het patroon van God in Christus. Daar ligt de eerste en belangrijkste troost. Wat God met Jezus heeft gedaan, zal Hij ook doen met hen die gestorven zijn. Dan mag je met recht spreken over ‘ontslapenen’. De wekker op de grote morgen is bazuingeschal. Ieder van Christus’ gemeente zal dat evenzeer meemaken en Hem tegemoet gaan. Dus wees gerust bedroefd, maar niet hopeloos bedroefd. Waar we als gelovigen precies zijn en hoe het zit met de niet-gelovigen bij Zijn komst, is hier niet het punt. Het punt is: gelovigen die zijn gestorven, worden tijdig gewekt.
Wel waken
Het is al opmerkelijk dat de gemeente in een paar weken tijd tot zo’n intense overtuiging is gekomen ten aanzien van Christus. Wellicht heeft Paulus’ uitleg van de Schriften hen hierbij zeer geholpen. Neemt niet weg dat er ook op z’n minst sprake is van nieuwe inzichten. Inzichten die langzaam moeten indalen in het geloofsbewustzijn, bijvoorbeeld ten aanzien van de dag van Jezus Christus.
Is die nu al aangebroken, (2 Thess.2:2) of moet die juist nog komen, of misschien beide? Wie het spre-ken over de dag vanuit de profeten beluistert, herkent in het spreken over Golgotha en Pinksteren al veel van die dag. Tegelijkertijd gaat ook de wereldtijd door alsof er niets is veranderd. Twee werkelijkheden gaan tegelijkertijd op. Of komt die andere werkelijkheid vanuit de tegenovergestelde tijd, vanuit de toekomst? Het nieuwe en definitieve is er al, maar het oude is nog niet verdwenen. Dat is verwarrend. Bij tijden is toch het oude werkelijker dan het nieuwe in onze beleving. Hoe langer het duurt, hoe meer de vragen rijzen. Paulus gebruikt dan beelden die we ook van Jezus kennen. (Sowieso is het aantal citaten dat ook elders in de Bijbel voorkomt, opmerkelijk in deze brieven.) De Heere komt als een dief in de nacht (zie onder andere Luk.12:35-40). Paulus wil de Thessalonicenzen niet onzeker maken over de uitkomst van die dag: ‘u bent allen kinderen van het licht en kinderen van de dag.’(1 Thess.4:5) Zit daar dus maar niet over in. Leef in de huidige wereldnacht wel als kind van de dag naar dé Dag toe. Wordt nergens door beïnvloed – wees nuchter en wees waakzaam gedurende je leven en wanneer je gaat slapen aan het einde van je aardse leven. Wie het vatte kan, vatte het. Wellicht helpt het ook nu om elkaar hiermee te bemoedigen en op te bouwen.
Opgewekt leven
Het verlangen naar opwekking is bij vlagen veel in het nieuws. Het is genade als er opwekkingen plaatsvinden. Het is ook wel veelzeggend dat ze vaak nodig zijn op plaatsen waar Christus Zijn gemeente al heeft gevestigd. De opwekkingen aan het einde van deze brief en ook wel in de tweede wekken op tot een opgewekt leven met elkaar, in Christus. Dan gaat het om een leven met elkaar waarbij je rekening houdt met de langere termijn. Hoe houd je het dan uit met elkaar? Dat vraagt respect voor hen die leidinggeven en dus ook vermanen. Het vraagt ook bij lastige situaties om moed om elkaar aan te spreken, maar ook om geloof om dat op de wijze van Christus te doen. Hoe Paulus dat nu zelf heeft volgehouden, merken we haast in elke brief opnieuw: door veel te danken voor de gemeenten. Bovenal God te danken in alles, dus ook in de verdrukkingen. Daar zien we hem nog weer even in de gevangenis van Filippi zitten zingen samen met Silas. Nee, het gaat niet om een braaf en fatsoenlijk leven. Het gaat om een geheiligd leven. Blus daarom de Geest, Die dat moet werken, niet uit. Het gaat om het leven zoals God het – in Christus – voor ons heeft weggelegd, in afwachting van Zijn komst. Hoe lang nog?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 2023
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 2023
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's