Kleine woorden
Het wonder vatten in taal is onmogelijk
Rond het kerstfeest wordt er veel voorgelezen en gedeclameerd. Kinderen leren teksten uit het hoofd, of ze de woorden nu begrijpen of niet. Die woorden dragen ze soms hun hele leven met zich mee.
Wanneer de bekende schrijver J. Bernlef (pseudoniem van H.J. Marsman, 1937- 2012) terugdacht aan het kerstfeest uit zijn kindertijd, herinnerde hij zich het bijbellezen aan een feestelijke dis. Eén woord uit Lukas 2 bezorgde hem rillingen: ‘vanwege’. Dat woord kende hij niet, maar hij begreep dat het in het voorgelezen verhaal een drama veroorzaakte: vanwege het bevel moesten mensen het huis uit en op weg gaan. Dat leek de jongen bepaald niet aanlokkelijk.
Vanwege
‘En het geschiedde in die dagen
dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus...’
Je las het ons strak en plechtig voor.
Weg moesten ze uit hun huizen
dagreizen ver om ergens geteld.
Waarom? Vanwege. Dat woord kende ik niet.
Maar wel dat het bevel ook hier
kon gelden, aan deze feestelijke dis
en wij vertrekken moesten, plotseling
om geteld of erger. Het kind, de kribbe
de wijzen uit het Oosten vielen in het niet.
Ik keek naar buiten. Nergens scheen de ster.
Je stem leek ver, je las oude woorden.
En ik vreesde met grote vreze. Vanwege.
Bernlef onthield van het bijbellezen op het kerstfeest dat ene, hem onbekende woord ‘vanwege’. De taal maakte indruk op hem, maar het wonder van Jezus’ geboorte had hem weinig te zeggen.
Moeilijk
Ook Wim Ramaker (1943-1992), die vooral gedichten met een persoonlijk karakter schreef, denkt terug aan moeilijke woorden:
Eens
eens
toen ik kleiner was
dan een kerkbank
precies op maat
voor zondagsschool
ben ik hardop
blijven steken
in een tekst
met moeilijke woorden
en men noemt hem
wonderbare
raadsman
sterke god
eeuwige vader
vre
daar heb ik
mijn sinaasappel verspeeld
(...)
De taal kan ons aanspreken, zoals Bernlef dat had ervaren, maar ook buikpijn bezorgen. Een tekst opzeggen in woorden die je niet begrijpt, is spannend. Dan kun je zomaar stokken bij het uitspreken van vre-de-vorst, dat voor een klein kind een moeilijk woord is.
Onbereikbaar
Welke taal bezigen we als we dichten over het kerstfeest? Over de geboren Heiland? Frank Daen (Frank de Haan, 1918-2007) schrijft in het gedicht ‘In statu confessionis’:
Volmaaktste mens op aarde ooit geweest,
ik die U zoek vind U soms vreselijk ver.
Zo onbereikbaar als de dichtste ster.
Ik van U schrijven? Help mij door uw geest.
De dichter is zich ervan bewust dat hij niet zomaar uit de losse pols over God kan schrijven. Hij zoekt God en verlangt naar Hem, maar ervaart een afstand: God is even onbereikbaar als de dichtste, de dichtstbijzijnde ster. Lichtjaren verwijderd.
We kunnen hoge woorden gebruiken als annunciatie en incarnatie, maar die brengen ons zeker niet dichter bij Hem. We kunnen ons buigen over de zingende engelen, de wachtende herders, de reizende wijzen, de gedachten van Maria en de overpeinzingen van Jozef, maar het wonder vatten in taal is onmogelijk.
Toch meedoen
Evenals Daen ervaart dichter en dominee Jaap Zijlstra (1933-2015) die onmogelijkheid. Als hij het gedicht ‘Vergeef’ schrijft, vraagt hij bij voorbaat al verschoning. Hij is er zich pijnlijk van bewust dat hij God niet kan ‘noemen’.
Vergeef
Vergeef mij dat ik met mijn kleine woorden
meedoe en stal zeg
en ster
en dat ik in drie kleine letters
God zeg
en U denk te noemen daarmee.
Het water is veel te diep
tussen mij en de stal
en de ster is te hoog.
Ik verspreek mij wanneer ik U noem.
Vergeef mij dat ik met mijn kleine woorden
toch meedoe en stal zeg
en ster
en dat ik in drie kleine letters
God zeg
en U denk te noemen daarmee.
In de tweede strofe schrijft Zijlstra net als Daen over een grote afstand tussen zichzelf en God. Hij zou kunnen concluderen dat ons spreken en schrijven ongepast is – ‘Ik verspreek mij wanneer ik U noem’ – en dan het zwijgen ertoe doen. Maar hoe zit het dan met het belangrijke woord ‘meedoen’? Is dat niet cruciaal? Betekent zwijgen niet jezelf buitensluiten? De derde strofe heeft één woordje meer dan de eerste: ‘toch’. Daar valt bij het lezen het accent op. Toch, ondanks alles, nochtans. Ik heb geen andere woorden, vergeef mij, maar ik wil meedoen. Ik zeg stal en ster en God. Een kind kan het zeggen, lezen en schrijven. Bernlef zou het hebben begrepen en Ramaker had zich vast niet versproken.
In een ander gedicht zegt Zijlstra:
‘Een woord kan een geheim bewaren,
het is een bron in de woestijn.’
Het woordje stal bevat zo’n geheim: dat van de geboorte van Gods Zoon. Het kleine woord ster geeft het teken voor de wijzen aan, maar ook de kosmische dimensie van het heil; en met de drie kleine letters die samen het woord God vormen, roept de dichter Hem aan. Deze woorden verkwikken, als een bron in de woestijn.
Grootspraak
Kleine en sobere woorden passen bij onze grote Heere God, Die een zuigeling werd, het vleesgeworden Woord. Zijlstra schrijft in het gedicht ‘Reis-vaardig’ dat grootspraak bij de duisternis hoort. Grootspraak: ronkende woorden, holle retoriek, interessante taal die op effectbejag uit is. De taal van Augustus en Herodes, van dictators en machthebbers, van grote ego’s en mediabeluste rijken. Maria zingt in haar lofzang dat dezen van de troon gestoten worden en weggestuurd.
Als God het woord neemt, gaat het er anders aan toe. Zijlstra zegt:
‘God neemt het woord
en legt het in de kribbe.’
Als God het woord neemt, geeft Hij ons een Kind. Daarom: wij zeggen stal en ster en spreken U, God, aan met drie letters. Wij bezigen kleine woorden, opdat wij ons niet verspreken. Opdat wij roemen in U.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 2021
De Waarheidsvriend | 28 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 2021
De Waarheidsvriend | 28 Pagina's