Geen successtory
Eusebius’ kerkgeschiedenis vormt een aansporing tot een leven met Christus
Al wist Eusebius 1700 jaar geleden nog niet van de moderne Schriftkritiek, toch waarschuwde hij er toen al voor om de Heilige Schrift aan te passen aan de seculiere wetenschappelijke inzichten van zijn tijd. Daarom is het goed nieuws dat er weer een Nederlandse editie van zijn kerkgeschiedenis is verschenen.
Eusebius brengt ons een kleine tweeduizend jaar terug in de geschiedenis. Deze afstand in tijd heeft iets fascinerends. Het lezen van zijn werken geeft op bijzondere wijze een ervaring van verbondenheid met christenen uit verre tijden en plaatsen. Het betreft overigens een heruitgave van de vertaling van dr. Chr. Fahner, nu aangevuld met een informatieve inleiding met achtergrondinformatie en een bibliografie, geschreven door prof. H.A. Bakker.
Vooringenomenheid
Eusebius leefde ongeveer van 260 tot 340 n.Chr. Het grootste deel van zijn leven woont en werkt hij in Caesarea, het huidige Israël dat in zijn dagen Palestina wordt genoemd. Van zijn geschriften is zijn kerkgeschiedenis het meest bekend gebleven. Hierin beschrijft hij de geschiedenis van de kerk van Christus tot in zijn eigen tijd. Kenmerkend voor de kerkvader is zijn grote interesse in historische feiten en objectieve bronnen, zoals originele verslagen, brieven en decreten. Wel interpreteert hij de historische gegevens als heilsgeschiedenis, dat wil zeggen dat hij Gods hand herkent in de geschiedenis.
In onze tijd wordt dat veelal beschouwd als bewijs van vooringenomenheid, maar het is de vraag of het niet minstens even vooringenomen is om God bij voorbaat buiten de historische feiten te houden. Wie de objectiviteit van Eusebius bekritiseert, moet bedenken dat de huidige seculiere manier van geschiedschrijving evenmin objectief is vanuit het perspectief van de kerkvader gezien. De selectie en de interpretatie van de beschreven feiten zeggen immers veel over de historicus zelf, niet alleen vroeger maar ook vandaag.
Evangelie
Het gaat Eusebius om Christus, om Zijn Woord en om Zijn kerk. Daarom begint hij met de belijdenis dat Christus al bij Zijn Vader was voordat er iets werd geschapen. Vervolgens wijst hij op de aanwezigheid van Christus in de tijd van het Oude Testament. Het is belangrijk voor hem dat het Evangelie van Christus niet iets nieuws is van het Nieuwe Testament, maar dat het al ligt opgesloten in het Oude Testament. Wanneer hij ingaat op de nieuwtestamentische tijd, geeft hij interessante details uit historische bronnen. Hiermee worden de bijbelse gegevens bevestigd en aangevuld. Hij verwijst bijvoorbeeld naar de Joodse geschiedschrijver Josephus. Deze niet-christen maakt nota bene melding van de opstanding van Christus en van de opzienbarende toename van christenen, zowel uit Joden als uit heidenen. Verder geeft Eusebius extra informatie over onder andere de vroege gemeente in Jeruzalem en over het allereerste zendingswerk in India en andere delen van de wereld.
Schriftkritiek
Als persoon heeft Eusebius een afkeer van polarisatie en zoekt hij naar wat christenen verbindt. Toch beschrijft hij de kerkgeschiedenis ook als een strijd om de waarheid. Een ketterij die in zijn eigen tijd stof doet opwaaien, is de bewering dat Christus alleen echt mens is geweest, en niet echt God. Een heel andere dwaling komt van Marcion en Mani, die beiden het Oude Testament verwerpen en betwisten dat onze Schepper de Vader van Jezus Christus is. Een belangrijk thema in de Vroege Kerk is de huwelijksethiek. Eusebius schrijft zowel over het gevaar van sektarische stromingen die een vrije seksuele moraal tolereren, alsook over radicale christenen die het bijbelse huwelijk verachten en het celibaat verheerlijken. Een andersoortige bedreiging signaleert hij in allerlei vormen van charismatisch christendom, zoals de ‘nieuwe profetie’ en extatische uitingen van de montanisten. In dit verband reageert hij kritisch op de verwachting van een aards koninkrijk waarin Christus vanuit het letterlijke Jeruzalem zal regeren. Verder waarschuwt hij voor radicale vormen van christendom die leiden tot afscheiding van de kerk, zoals het novatianisme.
In de Vroege Kerk speelt ook de kwestie van het Schriftgezag. Hij waarschuwde ervoor om de Bijbel aan te passen aan de inzichten van zijn tijd. Volgens hem blijkt hieruit dat men niet gelooft dat de Heilige Schrift is ingegeven door de Heilige Geest, of dat men zichzelf beschouwt als wijzer dan de Heilige Geest.
Vervolgingen
De eerste veertig jaren van zijn eigen leven worden door Eusebius omschreven als een periode waarin het Evangelie van Christus onverhinderd wereldwijd zegeviert. Maar tijdens de regering van keizer Domitianus komt er een einde aan de godsdienstvrijheid. In het jaar 303 verschijnen de eerste keizerlijke edicten waarin wordt bevolen dat de kerken moeten worden vernietigd, dat de heilige boeken moeten worden verbrand en dat christenen geen eervolle maatschappelijke functies meer mogen vervullen. Algauw komen er aanscherpingen. Eusebius beschrijft concrete voorbeelden van gelovigen die worden gediscrimineerd, bedreigd, gevangengenomen, op gruwelijke wijze gefolterd en gedood.
Behalve over deze moeilijke jaren voor de kerk schrijft hij over eerdere vervolgingen door de heidense keizers. Hiermee maakt hij duidelijk dat de kerkgeschiedenis in de aardse zin geen ‘successtory’ is. Des te meer benadrukt hij dat de martelaren op een bijzondere wijze getuigenis geven van de levende Christus, Die de hoop op Hem niet beschaamt. Daarmee is niet gezegd dat alle christenen ware gelovigen zouden zijn. Eerlijk schrijft Eusebius dat er ook afvalligen zijn, die Christus afzweren als het erop aankomt. Tegelijk vermeldt hij voorbeelden van afvalligen die berouw krijgen, en alsnog hun Heere en Heiland belijden.
Antisemitisch
In het heilshistorische schema van de kerkvader heeft het volk Israël een belangrijke plaats in de oudtestamentische tijd. Ook is het voor hem volstrekt helder dat de eerste christenen behoren tot het Joodse volk. Des te aangrijpender is voor hem de vijandschap vanuit de Joden tegen Christus en Zijn kerk. Hier legt hij een rechtstreeks verband met de verwoesting van Jeruzalem en de verstrooiing van het volk Israël als straf van God. Daarbij verwijst hij naar bijbelse profetieën, onder andere van Christus Zelf. Al schrijft Eusebius niet dat God het Joodse volk heeft verworpen, hij geeft evenmin blijk van een toekomstige heilsverwachting voor het volk Israël, zoals bijvoorbeeld Augustinus later zal doen. Betekent dit dat de kerkvader antisemitische neigingen heeft? Veelzeggend in dit verband is dat hij de bijbelse oordeelsprofetieën niet alleen betrekt op Israël, maar evenzeer op de christelijke kerk. De wrede vervolgingen waaronder de kerk in zijn eigen dagen lijdt, zijn volgens hem het rechtstreekse gevolg van haar ongehoorzaamheid en verdeeldheid.
Aansporing
Er zouden nog allerlei interessante gegevens te melden zijn, bijvoorbeeld de vanzelfsprekendheid waarmee de kerkvader ervan uitgaat dat christenen dienstdoen in het Romeinse leger ten tijde van de heidense keizers. Een andersoortig detail is een verslag van een pestuitbraak in Alexandrië. Hierin valt vooral het gedrag van de christenen op. In tegenstelling tot de heidenen zorgden zij liefdevol voor de zieken, met gevaar voor hun eigen leven.
Voor verdere voorbeelden volstaat een verwijzing naar Eusebius zelf. Zijn kerkgeschiedenis is geen boek dat gemakkelijk wegleest. Wel betekent de inhoud een schat van informatie over de Vroege Kerk en een aansporing tot een leven met Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 2023
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 2023
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's