Knecht én Koning
Jezus koos vrijwillig voor de gestalte van een slaaf
Het meest typische van een slaaf is zijn gehoorzaamheid aan de meester. Die gehoorzaamheid is vaak afgedwongen. Maar Jezus is vrijwillig slaaf geworden, en dat terwijl Hij van koninklijke komaf is.
De blinde Bartimeüs ziet het goed! Vanaf de kant van de weg roept hij de passerende Heiland aan, wanneer Jezus op weg is naar Jeruzalem: ‘Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!’ (Mark.10:48). De beloofde Koning komt voorbij, de Koning die naar Zijn arme volk omziet.
Het blijft niet bij die ene stem. Tijdens de intocht van de Heere Jezus in de koningsstad Jeruzalem neemt de een na de ander het over. Volgens de evangelist Mattheüs is toen luidkeels geroepen: ‘Hosanna, de Zoon van David’ (Matt.21:9). Heel de atmosfeer is vol van de hoop dat deze Jezus de langverwachte Koning is. Is dat valse hoop? Zo is het immers gehoord door moeder Maria: ‘God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven’ (Luk.1:32).
Een eeuwig verbond
Een van de hoofdlijnen in het Oude Testament is de belofte dat het koningshuis van David zal blijven bestaan. Het prachtige lied van Ethan, Psalm 89, zingt daarvan. Deze psalm bejubelt Gods goedheid en noemt daarbij nadrukkelijk het verbond dat Hij met David heeft gesloten. In Psalm 89:5 lezen we: ‘Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheid stand doen houden, uw troon bouwen van generatie op generatie.’ Daarachter schuilen de trouw en de goedertierenheid van de Heere (vs.25).
Het merkwaardige van deze psalm is echter de totale omslag. Na al het gejubel klinkt vers 39 als een donderslag bij heldere hemel. De lucht, zo helder en licht, wordt in één keer donker en dreigend: ‘Maar U hebt hem verstoten en verworpen, U bent verbolgen geworden op Uw gezalfde.’ Alle glans is verbleekt, alle glorie vergaan. Een ondersteboven geworpen troon, een kroon in de modder.
Psalm 89 weerspiegelt de dramatische neergang van het koningshuis en de koningsstad, zoals verteld in de Koningenboeken en in de Kronieken. Neergang die uitloopt op verwoesting, op ballingschap, op vreemde heersers.
Hoe is dat zo gekomen?
Teloorgang
Psalm 89 reikt ons in vers 31-33 de sleutel aan: ‘Als zijn kinderen Mijn wet verlaten en in Mijn bepalingen niet gaan, als zij Mijn verordeningen ontheiligen en Mijn geboden niet in acht nemen, dan zal Ik hun overtreding met de roede straffen en hun ongerechtigheid met slagen.’ Wat wordt hier aangewezen? Ongehoorzaamheid. De teloorgang van vorst en vaderland heeft alles te maken met de weigering gehoor te geven aan de allerhoogste Koning en aan Zijn wetten.
Gezindheid
Het gaat dus om gehoorzaamheid. De Koning der koningen vraagt van Zijn dienaren en volk gehoorzaamheid. We nemen dit woord mee als we onze aandacht weer richten op de Zoon van David, Die aan het begin van de lijdensweek intocht houdt in Jeruzalem. Waarom is Hij de beloofde? Blijkt dat niet vooral uit Zijn gehoorzaamheid, vol verlangen als Hij is om Vaders wil te doen? Op deze Zoon van David schrijft de apostel Paulus een loflied in Filippenzen 2:5-11. In dat lied bezingt hij de vernedering en de verhoging van onze Heere en Heiland. Daarbij gaat het hem vooral om de gezindheid van Christus Jezus.
Een belangrijk element van die gezindheid is gehoorzaamheid. In vers 8 typeert Paulus de weg van Christus als een weg van gehoorzaamheid ‘tot de dood, ja, tot de kruisdood’.
Hoe keren de zaken! In Psalm 89 is ongehoorzaamheid de oorzaak van de ellendige toestand van volk en koningshuis. In Filippenzen 2 brengt gehoorzaamheid de Zoon van David totale ontluistering: de dood aan het kruis. Plaatsvervangende gehoorzaamheid. De Koning die intocht houdt in Jeruzalem, is op weg naar de troon van hout. Hij wordt de spotkoning en de kruiskoning. Zo is Hij ‘de Koning der Joden’, aldus het opschrift aan het kruis.
Vrijwillig
Jezus gaat gehoorzaam de lijdensweg. Hij is Zich volkomen bewust van de wil van Zijn Vader en Zijn grootste verlangen is om die wil te doen. Daarom springt Hij de diepte in. Hij ziet af van status en kroonrechten. In Filippenzen tekent Paulus de duizelingwekkende afdaling van Christus Jezus. Hoger dan God in de hemel kan niet, dieper dan een slaaf op aarde kan ook niet. Treffend tekent de Heidelbergse Catechismus aan dat Zijn hele leven lijden was, dragen van de toorn van God tegen het hele menselijke geslacht (HC 15). Als Zoon van God en Zoon van David vond Hij bij aankomst op deze aarde geen gespreid bedje. Zijn wieg was een kribbe, Zijn troon een kruis.
Het meest typische van een slaaf is zijn gehoorzaamheid aan de meester. Nu kan je bij een willekeurige slaaf nog denken aan afgedwongen gehoorzaamheid. Bij Christus is het vrijwillige keuze om de gestalte van een slaaf aan te nemen. Zijn gehoorzaamheid is vrijwillige gehoorzaamheid, gedreven door liefde tot Zijn Vader, gedreven door liefde tot een wereld verloren in schuld.
Vernedering
De gehoorzaamheid van Christus krijgt dus vorm in Zijn vernedering. In Filippenzen 2:8 noemt Paulus ze in één adem: ‘Hij heeft Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden.’
De Zoon van David maakt Zich klein. Hij legt Zijn koninklijke waardigheid af. Hij is een verborgen Koning, alleen zichtbaar voor het oog van het geloof. In die vernedering lijkt Hij op Zijn vader David.
Eenmaal vergat David al Zijn koninklijke waardigheid, namelijk toen de ark van God naar Jeruzalem werd gebracht (2 Sam.6). Bij de intocht van de troon van God in de koningsstad huppelt David rond in een priesterhemd, tot afgrijzen van zijn vrouw Michal. Zij vindt dat haar man zich schaamteloos heeft uitgekleed (2 Sam.6:20). David reageert door te zeggen dat deze ‘vernedering’ geen vergissing of opwelling is, maar bewust gedaan: ‘En ik zal mij nog geringer gedragen dan dit en nederig zijn in eigen oog, maar met de slavinnen over wie je sprak, met hen zal ik geëerd worden.’ (vers 22) David verbindt zijn eer met slavinnen, zijn grote Zoon verbindt Zijn eer aan de gestalte van een slaaf.
Toegankelijkheid
Nederig is de Koning die op Palmpasen Jeruzalem binnengaat. Hij komt niet hoog te paard, maar zittend op een ezelsveulen. Over deze intocht is geprofeteerd door de profeet Zacharia: ‘Zie, uw Koning zal tot U komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland.’ (Zach.9:9)
Wanneer de evangelist Mattheüs deze woorden aanhaalt, spreekt hij over de zachtmoedigheid van deze Koning (Matt.21:5). Wat is Zijn zachtmoedigheid? Prof. dr. J.M. Hasselaar schrijft in Beluisterde Schriftwoorden dat we niet aan een psychologische deugd of morele eigenschap moeten denken, want, zie, hoe fel en fors deze Koning de tempel schoonveegt! Dat is een krachtig optreden. Prof. Hasselaar kiest voor het woord ‘toegankelijkheid’ om die zachtmoedigheid nader in te vullen. Jezus is een toegankelijke Koning. Voor wie? ‘Er kwamen blinden en kreupelen bij Hem in de tempel en Hij genas hen.’ (Matt.21: 14) Psalm 72 tekent de contouren van een zachtmoedige, toegankelijke Koning: ‘Hij zal de arme redden die om hulp roept, en de ellendige, en wie geen helper heeft’ (Ps.72:12). Hij ziet de Bartimeüssen van deze wereld.
Verhoging
Deze Koning is alle lof en eer waard. De weg omlaag blijkt de enige weg omhoog te zijn. Filippenzen 2:9 meldt: ‘Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd.’ Christus regeert, hoe verborgen ook. Zijn Kerk leeft bij het door Hem nagelaten Woord: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde’ (Matt.28:18). Hij regeert ook in barre tijden. We pakken ons psalmboek erbij en zingen het lied van Ethan: ‘Want ons schild is van de Heere, onze Koning van de Heilige van Israël’ (Ps.89:19).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's