De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gezangenkwestie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gezangenkwestie

7 minuten leestijd Arcering uitzetten

‘ Ieder zegt toch met mij: ALLEEN de psalmen!’ Dat schreef ds. Gijsbertus Beekenkamp in 1910 in De Waarheidsvriend. Ook nu, zo’n 115 jaar daarna, raken deze woorden een gevoelige zenuw. Lange tijd was het zo dat, bij wijze van compromis, op de christelijke feestdagen vóór de dienst een paar liederen gezongen werden. Inmiddels is dit in de meeste gemeenten verleden tijd. Het aloude standpunt met betrekking tot de gezangen werd verlaten. De koerswijziging begon met het gebruik van de bundel Op Toonhoogte, die later in de meeste gemeenten vervangen werd door Weerklank.

Nederlands Dagblad

In het Nederlands Dagblad (17 juni) beschrijft historicus Willem Bouwman enkele momenten uit de tijd dat de strijd om de gezangen oplaaide.

De naam Gunning was een bekende naam in de Nederlandse Hervormde Kerk rond 1900. Vele predikanten heetten Gunning. Zo stond Johannes Gunning EBzn van 1902 tot 1910 in Rijssen. Deze Gunning is verbonden met een rel die kort na zijn vertrek uitbrak.

In de tijd dat Johannes Gunning EBzn in Rijssen stond, was het zingen van gezangen in de kerk een twistpunt onder de hervormden. Gunning probeerde tussen de klippen door te laveren. Toen enkele gemeenteleden aan de kerkenraad vroegen of er gezangen mochten worden gezongen, hield Gunning zich afzijdig. Hij was niet tegen het zingen van gezangen, maar het besluit liet hij aan de kerkenraad. Die zei nee. Na het vertrek van dominee Gunning kwamen er predikanten uit de omgeving in hervormd Rijssen preken. Een van hen was dominee Gerrit van der Flier uit Ootmarsum. Toen Van der Flier een gezang liet zingen, stonden er enkele mensen op en verlieten de kerk. Toen hij nog een gezang liet zingen, verwijderde zich de hele kerkenraad, op een enkele ouderling na, en liepen vele kerkgangers met groot misbaar de kerk uit. Na de kerkdienst werd dominee Van der Flier op straat nagefloten.

In hervormd Rijssen bleef het zingen van gezangen nog jaren uit den boze. Hooguit werd er bij het uitgaan van de kerk een lied van Johannes de Heer op het orgel gespeeld. Na de invoering van de gezangenbundel Weerklank in 2016 begon men weer aarzelend gezangen te zingen.

Gunning werd in 1911 opgevolgd door dominee Jan Hendrik Remme. Hij behoorde tot een nieuwe richting in het kerkelijk landschap, de Gereformeerde Bond. Al vrij snel na de oprichting kwam de Bond voor de vraag te staan, of het zingen van gezangen geoorloofd was. In de brievenrubriek van het Bondsorgaan De Waarheidsvriend vroeg een zekere ‘ds. B.,’ of dominees ‘die een gezang laten zingen, maar met beide voeten op den bodem onzer Gereformeerde belijdenis staan, met wantrouwen worden aangezien als zij zich aansluiten bij den Bond?’. Het antwoord van de hoofdredacteur was met voorzichtigheid omgeven. Het kwam erop neer, dat ‘een gezangen zingende dominee’ van harte welkom was, zo lang hij de gezangen niet tot een sjibbolet maakte en de gereformeerde waarheid hartelijk was toegedaan.

Dat standpunt bleek onhoudbaar, toen een andere dominee Gunning verscheen aan het gezangenfront. Deze keer ging het om dominee Johannes Gunning JHzn uit Utrecht. Hij was een achterneef van dominee Gunning EBzn uit Rijssen en een zoon van een van de grootste hervormde theologen van die tijd, professor Johannes Gunning JHzn. Vader en zoon behoorden tot de ethische richting in de Hervormde Kerk. (...) Dominee Gunning JHzn, de maker van het lied ‘Ga niet alleen door ’t leven’, vond de gezangen zo belangrijk, dat hij er een tweedelig boekwerk over schreef: De gezangen-kwestie in de Ned. Herv. Kerk. Het verscheen in 1910, en het gaf de orthodoxen er van langs. ‘Ik heb mij altijd ’n eerlijk zoon der Gereformeerde Belijdenis genoemd’, schreef dominee Gunning later in zijn memoires, Herinneringen uit mijn leven. ‘Ik had zelfs gewoonlijk een betrekkelijk groot aantal ‘Gereformeerden’ onder mijne prediking en mijne Catechismusverklaringen, die ik altijd met grote vreugde hield, waren wel de meest gewaardeerde van alle.’

Zoals het vaak met memoires gaat, bleven minder prettige zijden van het leven onderbelicht. Zo noemt Gunning nergens de naam van dominee Gijsbertus Beekenkamp, hervormd predikant te Delft. In de zomer van 1910 werden Gunning en zijn boek over De gezangen-kwestie wekenlang onder handen genomen door Beekenkamp in De Waarheidsvriend.

In zijn studententijd was Beekenkamp ethisch geweest, maar nu was hij een vooraanstaand lid van de Gereformeerde Bond. Bij zijn zilveren ambtsjubileum schreef De Waarheidsvriend: ‘Algemeen was onze collega geacht en geëerd, niet om zijn zoetsappigheid en beginselloosheid, maar om zijn cordaatheid, zijn ijver, zijn werk en zijn woord.’

Gunning zou ervaren hoe kordaat en weinig zoetsappig Beekenkamp te werk kon gaan. Beekenkamp gaf toe dat hij in zijn ethische periode dacht en sprak als Gunning. Wat had hij ‘een liefde tot den Heer’, wat haatte hij de leer van de uitverkiezing en wat had hij de gezangen lief, ‘alles wat uitmaakt dat “gansch rustig voortleven”, zooals wij dat in de ethische kringen aantreffen’.

Maar, schreef Beekenkamp, ‘toen God mijn oogen opende voor de treurige oppervlakkigheid en de droeve onwaarheid van zulk een levensbeginsel, toen is, dat spreekt vanzelf, dat eerste leven en denken, voor mij van onwaarde geworden’. In 1899 was Beekenkamp een van de oprichters van de Gereformeerde Theologen Studentenvereniging ‘Voetius’, de kweekvijver van generaties gereformeerdebonds dominees. Beekenkamp nam het Gunning kwalijk dat hij alle verschillen tussen gereformeerden en ethischen reduceerde tot de gezangenkwestie, tot ‘een kwestie van den 25sten rang’. Hij betoogde dat Gunning afweek van belangrijke gereformeerde leerstukken, zoals de uitverkiezing. Hij toornde tegen Gunnings suggestie dat vooral eenvoudige mensen tegen het zingen van gezangen waren, ‘menschen die zeker hun verdienste hebben, maar in wier handen de belangen onzer beschaving niet onvoorwaardelijk veilig zijn’.

Een gezangenzinger is een ‘beschaafd mens’, een nietgezangenzinger een ‘boer’, vatte Beekenkamp het boek van Gunning samen. ‘Mag ik nu zeggen, dat zulk insinueeren een eerlijken niet-gezangenzinger PIJN moet doen? En dat zulk min verdachtmaken een bewijs is van vijandschap tegen onze kleine groep van gereformeerde menschen?’ (...)

Zulke neerbuigende reacties gaven Beekenkamp te denken. Hij was ervan overtuigd dat er meer op het spel stond: de gereformeerde beginselen die in de psalmen werden verwoord, moesten naar de achtergrond verdwijnen, door het zingen van veelal nietgereformeerde gezangen.

‘Wat blijft er dan voor ons, gereformeerden, over om te zingen in de godsdienstoefening der gemeente?’, vroeg Beekenkamp zich af. Het antwoord volgde meteen: ‘Ieder zegt toch met mij: ALLEEN de psalmen! En daarom moet dan ook mijn laatste woord zijn een eeresaluut aan de gereformeerde ‘frontmakers’ voor ons psalmboek.’

Zo bereikte Gunning het tegendeel van wat hij had beoogd. Zijn boek inspireerde de Gereformeerde Bond tot een besliste keuze voor de psalmen, tegen de gezangen. Het was een eeuw lang een onderscheidend kenmerk van de Bond.

Nog in 1968 schreef ir. G.B. Smit op verzoek van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een brochure over de gezangen. Merkwaardig is dat in deze brochure ook de berijming van Schriftgedeelten – de zgn. Schriftgezangen – wordt afgewezen (p.53), terwijl de lofzangen van Maria, Zacharias, Simeon en de berijmde Tien Geboden zonder protest gezongen werden in de erediensten. Ook de morgenzang en de avondzang hebben altijd hun plek gehad in de eredienst, hoewel het geen Schriftberijmingen zijn. Inmiddels worden volop liederen gezongen. Verschillende bundels zijn beschikbaar. Nu doet zich een ander probleem voor: wie toetst wat literair en theologisch aanvaardbaar is en wat niet? Met andere woorden: de gezangenkwestie is nog steeds niet opgelost.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 2024

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Gezangenkwestie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 2024

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's