Tweeërlei vrijheid
Dichters verbinden staatkundige en bijbelse bevrijding
Goede Vrijdag en Pasen zijn twee kerkelijke vierdagen met schrille tegenstellingen: dood tegenover leven, gebondenheid tegenover bevrijding. Maar vrijheid of bevrijding heeft verschillende betekenisniveaus.
Daarover gaat het gedicht ‘Vryheyt’ van de zeventiende-eeuwse predikant-dichter Jacobus Revius (1586-1658). Enige tientallen jaren was hij als predikant aan Deventer verbonden. Tussen Revius – hij heette eigenlijk Reefsen – en deze stad bestond een nauwe band. Daar schreef hij ook vele van zijn gedichten, verzameld in de literair hoogstaande dichtbundel Over-Ysselsche sangen en dichten.
Vryheyt
In de tweede helft van de Tachtigjarige Oorlog vonden diverse vredesonderhandelingen plaats tussen de Republiek en Spanje. Daarin past Revius’ gedicht ‘Vryheyt’, dat eindigt met de volgende boodschap aan het volk der Nederlanden:
O Nederland, ’t en is de rechte vrij-dom niet
dat gij ontlastet zijt van ’t Castellaans gebied*
en ondertussen draagt het zware juk der zonden:
Dient God, zo zijt gij vrij, al waart gij ook gebonden.
*Spaanse overheersing
De boodschap is duidelijk. Revius stelt het begrip ‘vrij-dom’ – vrijheid – aan de orde en onderscheidt daarin principieel twee betekenissen: ten eerste bedoelt hij ‘vrij’ in staatkundige zin, vrij van vijandige overheersing en ten tweede ‘vrij’ in bijbelse zin, de geloofsrelatie met God, ‘vrijgemaakt’ door de ‘Zoon’ (Joh.8:36), Die voor ons zondige mensen de dood inging en opstond uit het graf: Goede Vrijdag en Pasen.
‘Dat ik toch vroom mag blijven’
Het hoofdaccent legt Revius op de geloofsrelatie met God, op ‘de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft’ (aldus Paulus in de Galatenbrief). De staatkundige vrijheid, te veroveren op Spanje, komt er daardoor wat bekaaid af, althans in dit gedicht. Dit in tegenstelling tot diverse andere verzen van de dichter. Kennelijk speelt hierin mee een voorkeur voor voortzetting van de strijd, met het doel een gunstiger vrede te bereiken.
Hoe dit ook zij, als vanzelf komt bij mij boven het prachtige zesde couplet van ons volkslied, het Wihelmus, waarin in slechts enkele regels de grondhouding van een christen op aarde treffend wordt samengevat:
Dat ik toch vroom mag blijven,
Uw dienaar t’ aller stond,
de tirannie verdrijven,
die mij mijn hert doorwondt.
Cruciaal is hier het woordje ‘vroom’. In hedendaags Nederlands betekent het alleen maar ‘godvrezend’, maar in het zeventiende-eeuws kon de betekenis zowel ‘godvrezend’ als ‘dapper’ zijn: een combinatie van de horizontale én de verticale lijn. De nog altijd onbekende dichter van het Wilhelmus spoort ons aan om de hand aan de ploeg te slaan, maar wel in afhankelijkheid van God: ‘Bid en werk’.
Anders gezegd: zowel Gods ‘dienaar’ zijn als de strijd aangaan tegen ‘tirannie’ zijn woorden die nog niets van hun kracht verloren hebben. We vieren dit jaar immers niet alleen Pasen, maar herdenken in mei ook de bevrijding van het Duitse juk.
Dubbele bevrijding
De vrijheid die Revius benadrukt, de band met God, verbindt ons nadrukkelijk met Jezus’ lijden, dood en opstanding. Intussen was Revius niet wereldvreemd. Hij leefde intens mee met de gebeurtenissen van zijn tijd. Vele malen greep hij de pen als een oorlogsgebeurtenis daartoe aanleiding gaf. Zo schreef hij een prachtig lied naar aanleiding van de bevrijding van Bergen op Zoom in 1622. Het lange gedicht – veertien coupletten – laat ik hier volgen in hertaalde en verkorte vorm (naar het Liedboek voor de kerken, 1973).
De Heer wil ik prijzen
De Heer wil ik prijzen
en ere bewijzen,
Wiens dappere hand
heeft ruiter en wagen
verdreven, verslagen,
gewenteld in ’t zand.
De Heer is mijn leven,
de Heer heeft gegeven
Zijn lof in mijn mond.
Hij schenkt mij, mijn Koning,
Zijn veilige woning,
Zijn heilig verbond.
Gij overste Rechter,
Gij krachtigste vechter,
Uw naam is zo zoet:
O Jesu Gods Zone,
Gij velt van den trone
de drijver verwoed!
Maar ons zult Gij planten
als levende planten,
o Heer, in Uw hof.
Uw scepter zal blijven,
Uw rijk zal beklijven
met eeuwige lof.
Gods Zone wilt loven,
Gods Zoon van hier boven
heeft wonder gedaan;
aanhoort deze tijding
en laat de bevrijding
u niet meer ontgaan!
Het boeiende van dit lied is dat het enerzijds een danklied is voor een eigentijdse gebeurtenis – dankbaarheid jegens God voor de bevrijding van Bergen op Zoom – maar anderzijds ook elementen bevat die van toepassing zijn op Pasen: ‘Gods Zoon heeft wonder gedaan.’ En het woord ‘bevrijding’ is te lezen in de hierboven genoemde dubbele betekenis: vrijheid in staatkundige én vrijheid in bijbelse zin, het wonder van aardse bevrijding én het ‘wonder’ van Jezus Christus, de Redder van zondige mensen.
Paaslam
Aan het lijden en sterven en de opstanding van Jezus wijdt Revius diverse verzen. Titels als ‘Lijden Christi’ en ‘Paas-lam’ maken dat direct al zichtbaar. ‘Paaslam’ is een lang gedicht, opgebouwd uit twaalf strofen van vier versregels. Alle accent valt op Christus, het Lam dat geslacht is. We denken daarbij speciaal aan het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie, waar we lezen: ‘Zie, het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt.’ Twee strofen daaruit laat ik hier volgen, allereerst strofe 1.
Lam Godes, ons van God gezonden,
door een zo zuiverlijke maagd,
wij bidden, maak ons rein van zonden,
Gij die des werelds zonden draagt.
De laatste strofe, een dringende bede, luidt:
Lam Godes, help ons door de baren,
wijs ons een weg door ’t dorre zand,
Christus als Lam, zo lezen we in een ander gedicht, is het ‘anker van onze hoop’. Kernachtig vat Revius dit alles zo samen: Hij is de ‘steenrots van betrouwen’ in Wie wij zijn ‘behouwen’.
Verrijzenis
Christus ging onschuldig de dood in. Maar het Lam dat geslacht is, stond op uit de dood. Een wonder waarvan de diepte niet te peilen is. Revius formuleert het heel compact met een paradox, een diepzinnige formulering: Christus is het die ‘stervende verwint’ (= overwint).
Hoe moeten we het wonder van Jezus’ opstanding verwoorden? Woorden schieten te kort. Niemand, ook de discipelen en de vrouwen rond Jezus niet, waren op het moment van de opstanding bij het graf aanwezig. Ooggetuigen ontbreken.
Revius komt als creatieve dichter tot de volgende oplossing: hij beschrijft in het gedicht ‘Verrijzenis’ een ontroerend moment in de geschiedenis van Jakob, die zijn doodgewaande zoon Jozef weer terugziet. Een prachtige parallel: zoals Jakob zijn zoon weer levend voor zich ziet, ziet de ‘ik’, evenals de vrouwen en de discipelen, de doodgewaande Jezus weer.
Verrijzenis
Leeft Jozef, die ik lang in ’t dood-boek had geschreven,
sprak Jacob, oude man, en werd hij zo verheven,
zo ben ik vergenoegd, zo wil ik reizen heen
en zien zijn hoge staat, en sterven weltevreen.
Leeft Jezus, die alreeds ten grave was gedragen,
is Hij gerezen op na drie gehele dagen
en heeft Hij alle macht in hemel en op aard’,
zo ben ik welgetroost: ik wil te Godewaard
en zien Zijn Heerlijkheid. Blijmoedig wil ik sterven,
verzekerd met mijn Heer de zaligheid te erven.
Centraal staat, in het midden van het gedicht, het wonder van Pasen: Hij is ‘gerezen op na drie gehele dagen.’ Revius heeft in de slotregels fundamentele kernwoorden gekozen: ‘welgetroost’, ‘blijmoedig’ en ‘verzekerd’. Woorden van ‘bevrijding’ in diepe bijbelse of geestelijke zin. Zo eindigt dit gedicht met de zekerheid van het geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's