Zonder pardon
Voor een groep Drentse burgers kwam de bevrijding een dag te laat
Ze is de enige van de betrokkenen bij het drama dat op 10 april 1945 plaatsvond die nog in leven is. Mevrouw Diny Everts-Lunenborg (87), een kwieke dame met zilverwit haar, verloor haar vader en broer, haar oom en twee neven aan een wraakactie van de Duitsers. ‘Ik haat hen niet hoor, die Duitsers. Dat mag niet.’
Franse parachutisten, die noordelijk van Westerbork hadden moeten landen, kwamen in de vroege ochtend van 8 april vlakbij de boerderij van de familie Lunenborg op de grond terecht. In haar smaakvol ingerichte appartement in Hoogeveen vertelt Diny Everts-Lunenborg over de gebeurtenissen. ‘Wij gingen die dag boodschappen doen in Hoogeveen, mijn moeder en ik. De jongens van dr. Van der Wal (onze arts) zagen ons en riepen: “Zijn de parachutisten bij u geland?” “Zorg maar gauw dat je thuiskomt,” zei mijn moeder.’ De parachutisten werden door de bevolking opgevangen, maar de Fransen brachten de burgers daarmee wel in gevaar. De Duitsers kregen lucht van hun aanwezigheid en trokken er op 9 april met een groot aantal manschappen op uit.
Over een sloot
‘Mijn vader was achter op het land, die is kruipend weergekomen,’ vertelt mevrouw Everts. ‘Ik was bij de buren, twee huizen verderop. Maar ik wou naar huis, want ik was nog maar twaalf.’ De bezetter vermoedde dat er bij de directe buren van de Lunenborgs, de familie Scholing, parachutisten zaten en namen de woning onder vuur. Vader Scholing en twee zoons stierven, de moeder overleed later aan een schotwond in haar hals. Diny Lunenborg, het meisje van twaalf, rende dwars door het huis van de familie Scholing, op weg naar huis. ‘Die mensen lagen toen al dood in huis. Maar ik heb niets gezien, hoor. Toen ik thuiskwam, was mijn vader er inmiddels ook. De Duitsers kwamen al snel. We moesten nog over een sloot springen en werden met z’n allen naar de bunker in het Spaarbankbos gedreven. Ook mijn vader en moeder, mijn broer en buren, een oom en neven. Mijn broer was toen vijftien jaar.’
Bunker
Eenmaal aangekomen bij de bunker in het Spaar‑ bankbos zaten de Duitsers met de vraag wat ze moesten beginnen met al deze gevangenen. Ze verdachten sommigen ervan dat die de Franse parachutisten hadden geholpen in het vuurgevecht. Jansje Kok, een NSBleerling-verpleegster die tijdelijk aan de Wijsterseweg verbleef, ging voor de bunker staan en kreeg gedaan dat de vrouwen en kinderen naar huis mochten. ‘Mijn broer, Egbert, wilde vluchten, hij wou dameskleding aan. Mijn moeder zei: Doe dat niet, je wordt doodgeschoten. De soldaten stonden met mitrailleurs voor de bunker. Altijd als ik langs de plek fietste (ik fiets nu niet meer) waar die bunker stond, moest ik even opzij kijken. Jammer dat ze die bunker niet hebben laten staan. We (de vrouwen en kinderen dus, red.) zijn naar huis gegaan en toen kwam buurvrouw Scholing ons tegemoet, zij had een schotwond aan haar hals, ze zat onder het bloed. Later is zij in het ziekenhuis overleden. Ik ben weggebracht naar de verloofde van mijn zus. Ik werd overal buitengehouden. Je werd voor het verdriet gespaard. Dat ging toen nog zo.’
Canadezen
Vervolgens moesten vijftien mannen, onder wie dus de vader en broer, een oom en twee neven van mevrouw Everts, met de Duitsers mee. Te voet ging het in noordelijke richting. De groep bracht de nacht door in een schuur van een boer in Eursinge. Een van de gevangenen, Hayo Wubs, probeerde te vluchten, maar werd direct doodgeschoten. De volgende ochtend moesten ze verder lopen, naar Spier. Een oudere zus van mevrouw Everts, Henny, en haar tante Hilly, de vrouw van een van de gevange‑nen, fietsten de groep achterop, ze hadden eten bij zich. Maar ze mochten het niet afgeven – ‘anders werden ze doodgeschoten’ – en keerden onverrrichterzake huiswaarts.
De gevangenen dachten dat ze naar kamp Westerbork gebracht zouden worden. Maar het zou heel anders gaan. De schoten van de Canadezen waren al te horen. Terwijl ze het dorp uitliepen richting Beilen, kwam de groep een vrachtauto met de Grüne Polizei tegemoet, en werden de gevangenen aan hen overgedragen. Ze werden weer teruggebracht naar Spier, de manschappen gingen een café binnen om te beslissen over het lot van de gevangenen. Het feit dat de geallieerden zo dichtbij waren gekomen, gaf druk op de zaak – het was het gemakkelijkst om zich van de groep gevangenen te ontdoen.
Huilen in de bedstee
De veertien mannen en jongens werden het dorp uit gedreven, het bos in. Daar werden ze in koelen bloede met een nekschot vermoord. Een van de gevangenen zou vlak voor zijn dood nog ‘Leve de koningin!’ hebben geroepen. Later onderzoek bracht aan het licht dat de mannen voor de executie door de Duitsers zijn mishandeld.
Mevrouw Everts: ‘De dag erna kwam de bevrijding. Daar weet ik allemaal niks meer van. Ik was immers ondergebracht bij de verloofde van mijn zus, een paar kilometer verderop. Ik werd er helemaal buiten gehouden, ik mocht geen verdriet hebben. Ik heb toen ook geen verdriet gehad en na mijn twaalfde heb ik nooit meer één keer gehuild.
Ik weet er ook weinig meer van hoe het was dat mijn broer en vader weg waren. Ik weet nog wel dat mijn moeder en ik elk in een bedstee sliepen en dat mijn moeder ’s nachts lag te huilen. Pas later ben ik gaan beseffen hoe mijn moeder geleden heeft. Ze was haar man, zoon, een zwager en twee neven verloren. En een verloofde van een van de nichten.’ Mevrouw Everts kan zich niet herinneren ooit met één woord met haar moeder of zussen gesproken te hebben over het drama dat hun gezin was overkomen. ‘Na het oorlog ging het leven door. Ik ging naar de huishoudschool. Mijn moeder heeft de boerderij nog een tijdje gedaan. Mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten hielpen haar, maar ze hield het niet vol. Toen ben ik met mijn moeder naar Hoogeveen verhuisd. Zij kreeg ondersteuning, omdat ze oorlogsweduwe was. Ze is maar 64 geworden, ze kreeg maagkanker. Misschien van verdriet, denk ik weleens.’
Monument
Na het interview rijden we naar een monument aan de Wijsterseweg, vlak voor de boerderij van de familie Lunenborg, even buiten Hoogeveen. Op een grote, zwarte plaat zijn alle namen gegraveerd van degenen die op de tiende april werden omgebracht. Mevrouw Everts is een van de mensen die het monument negen jaar geleden onthuld heeft. Dan gaan we naar een monument vlakbij de plek waar het drama heeft plaatsgevonden; de plaats des onheils zelf is niet bereikbaar, die ligt tussen de twee helften van de A28 in. ‘De Fransen komen hier nog ieder jaar. Zal dit jaar ook wel weer gebeuren, nu het 75 jaar geleden is.’
We rijden langs het Spaarbankbos, ze wijst me de plek aan waar de bunker gestaan heeft. We passeren de begraafplaats en besluiten om te keren, om ook die plek een bezoek te brengen. In de gure wind kijken we naar de eenvoudige grijze stenen, waar de namen van de vermoorde burgers op staan gegraveerd. ‘Gevallen te Spier, op 10 april 1945, den dag der bevrijding, door de misdadige handen der Nazibeulen’, staat er te lezen op een steen die iets uitsteekt boven de andere.
Mevrouw Everts koestert geen haatgevoelens jegens de Duitsers. ‘Haten is niet goed. Dat mag niet. Maar de Duitsers vergeven, nee, dat doe ik niet. Ze leven ook allang niet meer.’ Ze heeft het nu moeilijk met wat er in het verleden is gebeurd. ‘Ik heb het niet verwerkt. En het zit me dwars wat voor ellende er nu allemaal in de wereld gebeurt. Het is gewoon verschrikkelijk. Ik bid elke dag voor een betere wereld.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's