De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Repeterende breuk

Bekijk het origineel

Repeterende breuk

Was de Afscheiding van 1834 een vergissing? (1)

7 minuten leestijd Arcering uitzetten

Het kerkelijke landschap in Nederland kent vele denominaties. In 1834 begon de Afscheiding uit de Nederlandse Hervormde Kerk in het Groningse Ulrum. Was die Afscheiding een zegen voor kerkelijk Nederland of juist een grote vergissing?

Dit wordt een droevig verhaal. In ieder geval voor mijzelf. Ik ben een afgescheiden jongen. Binnen het verband van de kerken waarvan ik nog steeds lid ben, heb ik veel ontvangen. Daar droegen mijn ouders mij naar de doopvont. Daar leerde ik door genade Christus kennen tot zaligheid. Daar ontving ik het ambt. Daar heb ik in diverse verbanden mogen dienen. Zo leidde de Heere mijn leven. Mijn kerkelijke en geestelijke wortels reiken tot veel geslachten terug in de kerken van de Afscheiding. En nu waag ik het de vraag naar de rechtmatigheid van die Afscheiding te stellen. Is ze wellicht een vergissing geweest? Had ze eigenlijk wel mogen plaatsvinden?

Reformatie

Een dergelijke vraag is overigens niet helemaal vreemd. In 1942 verscheen in de serie ‘Reformatorische stemmen’ van de Willem de Zwijgerstichting een brochure van de hand van ds. J.G. Woelderink, destijds hervormd predikant in Ouderkerk aan den IJssel. De titel luidde: Was de Reformatie een vergissing? Het was geschreven als weerwoord op de rooms-katholieke dr. C.J. de Vogel. Zij meende dat de zestiende-eeuwse kerkscheuring na de uitspraken van het Concilie van Trente (1545-1563) ongegrond en ongerechtvaardigd was. Woelderink was resoluut in zijn antwoord. Geen sprake van dat de gezegende Reformatie een vergissing zou zijn geweest. Daarvoor was de kerkhervorming al te zeer een bijbels-katholiek gebeuren.

Doleantie

Een kleine twintig jaar later schreef ds. L. Kievit, dienaar van Gods Woord te Putten, eveneens over een scheuring als vergissing. Het was in het tijdschrift Theologia Reformata van december 1961. Niet over de Reformatie ging het, maar over de negentiendeeeuwse Doleantie, na de Afscheiding de tweede massale uittocht uit de Hervormde Kerk. Ik citeer: ‘Abraham Kuyper heeft twee vergissingen gemaakt. Hij meende dat na het vertrek van de gereformeerde belijders de Hervormde Kerk geen gereformeerde belijdenis meer had, en dat er geen gereformeerden in zouden overblijven. (...) Hij meende vervolgens dat de herstelde gereformeerde orde een waarborg zou zijn voor het bewaren van de gereformeerde leer. In de Gereformeerde Kerken was de gereformeerde prediking om zo te zeggen gegarandeerd. Dat is echter zeer de vraag...,’ zo voegde ds. Kievit eraan toe. Het is wel duidelijk: naar zijn mening was de Doleantie een vergissing.

Repeterende breuk

Maar nu de vraag naar het goed recht van de Afscheiding. De geschiedenis veronderstel ik als bekend. Het was in oktober 1834 dat ‘Opzienderen en litmaten der Gereformeerde Gemeente van Jezus’ in het Groningse Ulrum een verklaring opstelden en ondertekenden, die bekend geworden is als de Acte van Afscheiding. Daarin signaleerden ze ‘de verminking of verloochening van de leer onzer vaderen gegrond op Gods woord, als in de verbastering van de bediening der Heilige Sacramenten naar de verordeneering van Christus in zijn woord, en in het bijna volstrekte verzuim der kerkelijke tucht; welke stukken alleen naar onze Gereformeerde belijdenis Art: 29 kenmerken zijn der ware kerk...’ Dit overziend, samen met de schandelijke behandeling van ‘onzen algemeen geliefden en geachten Herder en Leraar’ concludeerden ze ‘dat de Nederlandsche Hervormde Kerk niet de ware, maar de valsche Kerk is...’ Na deze daad van de Ulrumse gemeente kwam in den lande een stroom van plaatselijke afscheidingen op gang. Sindsdien is de kerk van de Reformatie in Nederland in talloze denominaties uiteengevallen. Die eerste scheuring is in de praktijk van de eeuwen erna een repeterende breuk gebleken.

Eeuwfeest

Na bijna twee eeuwen zien wij op dit gebeuren van 1834 terug. Hoe moeten we het beoordelen? Op die vraag is in de loop van de tijd een diversiteit aan antwoorden gegeven. Met name in het ‘jubileumjaar’ 1934 werd in de kerkelijke pers alom teruggeblikt. Iedereen op zijn eigen manier, bijvoorbeeld de christelijke gereformeerde prof. J.J. van der Schuit in De Wekker van 29 juni. Hij herinnerde eraan dat ‘in deze dagen alom de lamp der dankbare herinnering wordt ontstoken om Gods groote daden voor het nageslacht te eeren, nu het eeuwfeest (sic!) der Afscheiding in de kerken der scheiding veler harten ontvlamt en veler pennen roert.’ Ondertussen werd er in diezelfde dagen tussen de diverse afgescheiden kerken strijd gevoerd over de vraag ‘welke kerk is de ware, zuivere voortzetting van de oorspronkelijke kerk der Scheiding’. Het Hervormde genootschap dat verlaten was, kwam in heel die discussie niet in beeld.

Ongereformeerde daad

Toch lieten ook dienaren uit die hoek zich destijds horen, onder anderen de Haagse hervormde dr. W.J. de Wilde. Hij smoorde geen duivels op zijn hart. Onomwonden schreef hij in 1934 in zijn boek Geschiedenis van Afscheiding en Doleantie: ‘Wij aarzelen niet te zeggen dat de Afscheiding te Ulrum een grote vergissing is geweest, een ongereformeerde daad. Hoezeer ook te begrijpen is dat men er ten slotte toe kwam. En hoewel ook toegegeven moet worden dat de Synode en de overige besturen er krachtig toe hebben meegewerkt.’

Rijke mogelijkheden verloren

Nog een geluid uit datzelfde jaar. Dr. K.H. Miskotte publiceerde in het Haarlemsch Predikbeurtenblad zeven artikelen, die daarna gebundeld zijn tot zijn Korte Betrachting over de Afscheiding van 1834. Het had niet moeten gebeuren, meende ook Miskotte. ‘Hoe geheel anders’, zo lees ik bij hem, ‘zou de geschiedenis van het Nederlandse geestesleven verlopen zijn, indien wij omstreeks 1830 het juk der reglementen van binnenuit hadden kunnen breken. Wat zijn er onberekenbaar rijke mogelijkheden verloren gegaan, hoeveel sterker hadden wij gestaan tegenover Rome, welk een eenheid van leiding had er kunnen uitgaan van onze vaderlandse kerk, tot zegen van ons gehele volk, als de Afscheiding en de Doleantie van 1886 niet hadden plaats gehad.’

Het is dezelfde Miskotte die een enkele bladzijde verder de Afscheiding erkende als: ‘een strijd voor het exclusief recht van Gods Woord, een beweging van diep en heilig belang, waarin (ondanks de zondigheid harer voortrekkers en volgelingen) krachten hebben gewerkt van hoger orde.’ Miskotte erkende in zijn boekje ‘dat door de dienst van eenvoudige, vaak eigenzinnige, soms werkelijk bekrompen mensen, het wezenlijke van het Evangelie weer is aan de dag gebracht voor de ogen van een zelfgenoegzaam geslacht, (en ook) dat het bevrijdend Woord zich van dááruit heeft baan gebroken naar ontelbare harten, (om daarnaast niet te vergeten) dat de van haar wezen vervallen kerk in deze landen (door de Afscheiding) een vermaning heeft ontvangen van zo indringende kracht, dat zij, eenmaal gehoord, niet meer kan worden vergeten.’ Maar ondanks dat: het had niet moeten gebeuren!

‘Een werk des vleses’

Laat ik deze catalogus van meningen besluiten met een stem die zich enkele jaren na de Afscheiding horen liet: die van de voormalige lutherse proponent dr. H.F. Kohlbrugge. Hem was rond 1830 ‘het lidmaatschap bij de Hervormde gemeente willekeurig belet’. Toch liet hij zich niet verleiden om zich te voegen bij de afgescheidenen. Al eerder had hij ds. Hendrik de Cock opgeroepen door te gaan met preken in zijn Ulrumse gemeente, de opgelegde schorsing ten spijt. Befaamd is wat Kohlbrugge in 1839 schreef aan de irenische afgescheiden ds. Anthony Brummelkamp: ‘Brummelkamp, vóórdat er een Afgescheidene Gemeente was, is er een zonde begaan, is er onschuldig bloed vergoten gelaten, dat de vloek heeft doen kleven op dien, die de Afscheiding begonnen, voortgezet en tot hiertoe te zamengehouden hebben. (...) Zonder die zonde was er zeker geen afscheiding gekomen, en gijlieden hadt het heil des Heeren gezien met kracht, met wonderen en met teekenen van den God Israëls.’ Ongetwijfeld speelde er bij Kohlbrugge persoonlijke geraaktheid mee in zijn oordeel over de Afscheiding. Zijn christelijke vrienden hadden hem naar zijn oordeel immers niet verstaan in zijn befaamde preek over Romeinen 7:14, waarin hij sterk de nadruk had gelegd op de komma in de tekst: ‘Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde’. Maar ondertussen beoordeelde hij de beweging van de Afscheiding als ‘een werk des vleses, waarbij de mens het zoekt in zijn eigen doen...’

Al met al: was de Afscheiding van 1834 een vergissing of niet? Die vraag blijft nog even staan.


Tijdens de laatste ontmoeting tussen een delegatie van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond en deputaten eenheid van de Christelijke Gereformeerde Kerken hield de christelijk gereformeerde emeritus predikant ds. J.M.J. Kieviet een inleiding over het onderwerp ‘Was de Afscheiding een vergissing?’ Een bewerking van deze lezing wordt in twee artikelen in De Waarheidsvriend gepubliceerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2022

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Repeterende breuk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 2022

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's