Geloof en loyaliteit
Grootouders en geloofsopvoeding (3, slot)
Kerk en geloof kunnen een familie samenbinden, maar juist ook verdeeldheid geven. Er is loyaliteit tussen generaties en vaak is er loyaliteit naar de kerk en de geloofsleer. Hoe gaan grootouders om met loyaliteitsconflicten en praktijken waar ze niet achter staan?
De contextuele benadering benadrukt dat generaties afhankelijk zijn van elkaar en verantwoordelijkheid voor elkaar dragen. Tussen ouders en kind is sprake van loyaliteit. Onvoorwaardelijk ben je aan elkaar verbonden. Ook als er geen contact is tussen ouder en kind, ze blijven ouder en kind. Ook naar God toe is er sprake van vanuit de schepping gegeven loyaliteit: Hij is onze God en wij zijn Zijn schepselen.
Tussen die verschillende loyaliteiten kunnen conflicten optreden. Zo vertelde een grootouder dat zijn vader vroeger moest kiezen: of de zoon moest van voetbal af of vader mocht niet aan het avondmaal. Een andere ouder – die zelf van voetbal hield – ging ’s zaterdags stiekem kijken. Het dorp wist het wel, maar de kerkenraad niet.
Kerkverband
Loyaliteit kan ook spelen naar God toe of rond de geloofsleer. Een respondent vertelde dat haar ongelovige schoondochter vroeg of ze naar de hel gaat. Ze antwoordde: ‘God gaat daarover.’ Zo wilde de grootouder én de band met de schoondochter én met God bevestigen.
Kinderen willen de band met hun ouders goed houden en het gebod ‘Eer uw vader en moeder’ in ere houden. Vanwege deze loyaliteit kan er soms voor gekozen worden om afstand te houden. Een grootouder vertelde: ‘Ga ik vaker naar mijn ouders, dan kwetsen ze me.’ Een andere manier is om af te spreken om tijdens bezoeken niet over geloof te spreken, omdat dat te veel ruzie oplevert.
Loyaliteit kan er ook zijn naar een kerkverband. Het merendeel van de respondenten uit dit onderzoek is kerkwisselaar. Toch hebben zij er moeite mee wanneer anderen kritiek leveren op het kerkverband van hun jeugd, hoewel ze zelf ook kritisch zijn. ‘Dan denk ik: dat zijn míjn roots (wortels)! Daar kom je niet aan.’
Godsbeeld
Verschillende grootouders zijn opgevoed met een angstig godsbeeld. De nadruk werd daarbij gelegd op een toornige en oordelende God. Zij benadrukken nu vooral dat God liefde is. Tegelijk vertelde een grootouder dat een kleinkind dat dit ook sterk benadrukte, niet meer kon geloven in God, toen het bij een reis naar het buitenland geconfronteerd werd met menselijke misère.
Anderen benoemen meerdere aspecten van God: Hij is liefde én Hij is heilig. Zij vinden het belangrijk dat kinderen ook eerbied voor God wordt bijgebracht. Dat hebben ze zelf zo meegekregen en dat geven ze weer door. Weer een ander zegt van jongs af aan God aangeroepen te hebben als ‘lieve God’ en dat ook aan de kinderen te hebben meegegeven. Zij die in dit onderzoek een godsbeeld hebben dat uit meerdere elementen bestaat en zij die een positief godsbeeld hebben, lijken hierin consistent te zijn. Angstige godsbeelden die op jonge leeftijd zijn ontstaan, zijn mogelijk moeilijk te veranderen. Een deel van de respondenten zegt er nu geen last meer van te hebben, maar een ander deel wel.
Ontschuldiging
Soms kan iemand vol wrok terugkijken op de ontvangen (geloofsopvoeding). Het kan behulpzaam zijn om te onderzoeken onder welke omstandigheden de opvoeding heeft plaatsgevonden. Een volwassen kind kan zo de situatie van vroeger gaan hertaxeren. Dat proces wordt exoneratie genoemd: ontschuldiging. De last van de schuld bij de ouder wordt hem of haar van de schouder genomen. Zo kreeg een respondent meer begrip voor de zware gezinsomstandigheden van vroeger en ziet zichzelf niet langer als slachtoffer. ‘Ik kan nu terugkijken, ook op mijn jeugd van: het kon niet anders. (...) Waardoor ik nu mooie dingen zie. Door de angst los te laten kan ik nu de psalmen en gebeden van vroeger waarderen.’
Familiale verhoudingen en geloof
Geloof en kerk kunnen een familie samenbinden, maar kunnen ook voor verwijdering zorgen. Het is verdrietig wanneer ouders je voorgaan in het geloof en dat diezelfde ouders op latere leeftijd afscheid nemen van het geloof en bijvoorbeeld niet meer de zondag heiligen. Dat zet familiale verhoudingen onder druk.
Gedurende het leven kunnen partners een verschillende geloofsontwikkeling meemaken. Dat kan zijn wanneer de ene partner tot geloof komt en de ander niet. Maar ook wanneer de een hervormd blijft en de ander evangelisch wordt. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de geloofsopvoeding. Wanneer de dingen van het geloof niet meer gedeeld kunnen worden, kan dat in een huwelijk eenzaamheid en spanning geven.
Het afwijzen van samenwonen van kleinkinderen is een ander lastig punt. Het wordt als pijnlijk ervaren dat grootouders niet op bezoek komen bij hun kleinkind, omdat het samenwoont. Ook zijn er grootouders die blijven herhalen dat samenwonen niet goed is en daarop aangesproken worden: ‘Nou ma, als je er nou niet eens mee ophoudt, dan komme die meiden straks helemaal niet meer bij je.’
Het is belangrijk dat de kerk oog blijft houden voor verstoorde familieverhoudingen en daar waar het kan, aanstuurt op contactherstel. Het aanwezig zijn van familie bij belangrijke diensten als doop en belijdenis blijkt van groot belang te zijn.
Beperkingen van het onderzoek
Het onderzoek is op de Veluwe uitgevoerd, een streek waar veel generaties dicht bij elkaar leven. Hoe zouden de bevindingen zijn in een ander deel van Nederland en daar waar grootouders niet dicht bij de (klein)- kinderen wonen? Op de Veluwe hebben veel basisscholen een christelijk karakter, zodat de school als legaat aangemerkt kan worden, maar dat is niet in heel Nederland zo. Ook wordt de Veluwe volgens de respondenten gekenmerkt door een gesloten cultuur.
Het is de vraag of in een ander deel van het land met een meer open cultuur andere (de)legaten gevonden worden.
Het onderzoek is uitgevoerd binnen de Protestantse Kerk met een hoog percentage kerkwisselaars. Het is de vraag hoe leden van de kerken van herkomst, die wel lid bleven, de geloofsopvoeding hebben ervaren. De respondenten in dit onderzoek zijn allemaal kerkelijk, al hebben sommigen de kerk een tijd niet van binnen gezien. Hoe kijken mensen terug die de kerk helemaal vaarwel hebben gezegd?
Aanbeveling
Het is voor het pastoraat van belang om bij bezoeken door te vragen naar wat de pastorant wel of niet gewaardeerd heeft in de ontvangen geloofsopvoeding, om zo (de)legaten op het spoor te komen. Dan wordt ook duidelijk welke toerusting er in de gemeente nodig is, bijvoorbeeld rondom bidden of het heilig avondmaal.
Vragen om over door te praten
Onderstaande vragen kunnen handvatten bieden voor het pastoraat of voor een gemeenteavond.
1 Wat heb je zelf gewaardeerd in de geloofsopvoeding die je hebt ontvangen?
2 Wat heb je minder gewaardeerd?
3 In het onderzoek worden het gemis aan vrij gebed, geloofsgesprek en het niet aangaan aan het heilig avondmaal als delegaten (= erflast) gezien. In hoeverre herken je dat? Hoe ga jij daarmee om? Hoe belangrijk vind jij het om vrij te kunnen bidden?
4 Wat geef je nu mee aan je (klein)kinderen? Denk bijvoorbeeld aan de Bijbel, kerkgang, geloofsgesprek over wie God is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 2022
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 2022
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's