De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat ik U zeggen moet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat ik U zeggen moet

Weer, steeds weer hebben we het verzoenende bloed van het Lam nodig

5 minuten leestijd Arcering uitzetten

Over het lijden en sterven van Christus en Zijn opstanding uit de dood kun je schrijven, preken, zingen. Maar hoe? Te veel aandacht voor het drama leidt van de betekenis af.

Dichters zijn hierin vrijer dan dominees: met treffende beelden laten ze er iets van oplichten.

Het slachtlam

Schilder en dichter Jan Luyken (1649-1712) schreef over Jezus, Die ‘deerlijk geteisterd’ aan het kruis hangt.

Wie hangt er zo deerlijk, geteisterd, geschonden,

roosverwig, vol striemen en wonden,

tot smaadheid en schande aan ’t kruishout verheven?

Wat heeft Hij, wat heeft Hij misdreven?

Dat is er het slachtlam zo heilig geboren,

tot breking en lessing van toren.

Zijn misdaad is liefde, uitvloeien en geven,

dat kost Hem, dat kost Hem zijn leven.

Kost dat Hem zijn leven, die schoonste van allen,

hoe is Hij in ’t lijden vervallen?

Of is het uit liefde en heilige minne,

wat zal Hij daarmede dan winnen?

Wat anders als ’t leven der eeuwige zielen,

die droevig in zonden vervielen.

Opdat Hij die schulden verzoene en boete,

zo druipen zijn handen en voeten.

Ach Jezus, beminde, hoogwaarde en schone,

wie zal U, wie zal U belonen?

Uw weldaad die gaat ons vermogen te boven,

wij willen U prijzen en loven.

Deze Jezus, rood van het bloed, brengt Jan Luyken tot lofprijzing. Het slachtlam heeft de zonden verzoend.

Een reactie

Een ander gedicht over Jezus als Lam is van veel later datum en minder dramatisch, maar ook indringend en bovendien intiem. Evenals Luyken stelt de twintigsteeeuwse classicus en dichter Gerard Wijdeveld vragen: wat is de reactie op het aanschouwen van het Lam?

Lied

Er is een Lam, dat bloedt,

er is een Lam, dat bloedt...

en ik, die Het aanschouwen moet

en van mijzelve zeggen moet:

ik ben het, die U bloeden doet.

En dat ik U zó bloeden zag,

zal ’t mij behoeden énen dag

voor weder, weder zonden?

Ik zal U talloos wonden

en roepen om Uw bloed...

Wat ik U daarom zeggen moet?

Wat ik U zeggen moet?

Er is een Lam, dat bloedt...

Dit gedicht heeft veel weg van een rondeel. Het begint en eindigt met dezelfde versregel: ‘Er is een Lam dat bloedt’. Naast dit Lam is in dit gedicht een lyrisch ik present dat het aanschouwt en beseft schuldig te zijn aan Zijn lijden. Zelfkennis kan deze persoon niet ontzegd worden: hij ziet zich als onverbeterlijk en zal steeds opnieuw – weder, weder – het verzoenende bloed nodig hebben. Dat doorgaande proces vertaalt zich in de prachtige vorm: het heeft geen einde, je kunt het gedicht blijven lezen.

Ontmoeting

In taal van onze tijd schreef Jaap Zijlstra zijn gedicht ‘Opstanding’. Het telt twee strofen; de eerste gaat over Christus’ lijden en dood, de tweede over de ontmoeting met de levende Heere. Maria is de persoon die ‘hem zag doodgaan’. Ze hoorde Zijn laatste woorden, die uiteindelijk toch niet de laatste bleken.

Opstanding

Gemarteld is hij en bespogen,

ik zag hem doodgaan voor mijn ogen,

wij dachten hem voorbij en weggelegd,

zijn zeven woorden aan het kruis gezegd

zijn laatste woorden en de smart

om zijn versterven sneed ons door het hart.

En nu, mijn God, mag ik mijn ogen

in deze dodentuin stilaan geloven,

Jezus, hij heeft zijn doodkleed afgelegd,

hij heeft luidop mijn naam gezegd,

wie blies mijn afgestorven Heer de adem in

als Adam ooit, ons aller oerbegin?

Hier gaat mijn smart en twijfel aan ten onder,

Rabboeni, zeg ik, en aanbid het wonder.

Zijlstra speelt met de taal. Waar we de uitdrukking kennen ‘je ogen niet kunnen geloven’ als we iets buitengewoons zien gebeuren, schrijft hij dat Maria haar ogen stilaan mag geloven. De verwondering klinkt erin door. Waar wij zingen ‘Hij heeft zijn leven afgelegd’ laat de dichter Jezus Zijn doodskleed afleggen. Waar iemand ten onder gaat, is er geen hoop meer, maar als smart en twijfel ten onder gaan, wordt de hoop geboren. Waar Adam de dood verdiende, verdient de tweede Adam het leven.

Ruwe woorden

Zijlstra gebruikt gewone woorden, die soms wat ruw overkomen. Toch is dit niet oneerbiedig, veel meer onderstrepen ze het ruwe en rauwe van de dood die diep verdriet teweegbrengt. De woorden ‘wij dachten hem voorbij’ roepen een onleefbare werkelijkheid op: een bestaan zonder Hem, zonder hoop, zonder verwachting.

In onze dagen met zoveel leed, schreeuwend onrecht, oorlogen met ontelbare slachtoffers, zou je de hoop verliezen. Aleksey Navalny riep in 2021 op het paasfeest: ‘Hoera, Christus is opgestaan.’ In deplorabele omstandigheden putte hij er kracht uit om te strijden voor waarheid en gerechtigheid. Met de omstandigheden heeft deze hoop weinig te maken. Huub Oosterhuis zong:

En wie het wordt gegeven, bespeurt Hem overal

in woorden allerwegen, in mensen zonder tal.

Een mij onbekend gebleven dichter noteerde eens de mooie woorden:

overal tekens van leven

overal woorden van hoop

o God overal

de glans van uw gelaat.

Zulke tekens van leven kunnen zich voor een christen op allerlei manieren manifesteren:

de eerste zwaluwen

verheugen mij het meest

met hun V van victorie

vliegen zij vast vooruit:

predikers van het paasfeest

de Ene maakt het zomer

In dit ongepubliceerde gedicht van F. Hoek is Pasen het feest van de hoop: het wordt zomer. Dat beeld sprak in de zestiende eeuw de lutherse dichter Johann Walter aan, toen hij schreef: Herzlich tut mich erfreuen / die liebe Sommerzeit (Liedboek 2013, 747).

Eens komt de grote zomer

waarin zich ’t hart verblijdt.

God zal op aarde komen

met groene eeuwigheid. (...)

Ook ons zal God verlossen

uit alle pijn en nood,

van ’t woeden van de boze,

van ’t vrezen voor de dood,

van aarzelen en klagen,

verdriet en bitterheid,

van alles wat wij dragen,

van ’t lijden aan de tijd.

Dan zien wij met verblijden

Hem die ons hart beleed,

de Heer die door zijn lijden

de hemel opendeed.

De deur naar de grote zomer gaat open door Zijn lijden.

Wat ik U zeggen moet? U bent het, die mij zingen doet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 2024

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Wat ik U zeggen moet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 2024

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's