Grenzen aan ons kennen
‘En God zag dat het goed was’ gaat uit van evolutietheorie
En God zag dat het goed was is een bijdrage aan een zoektocht die twee jaar geleden opnieuw in gang is gezet door En de aarde bracht voort van prof. dr. Gijsbert van den Brink. De evolutietheorie lijkt door Van den Brink aanvaard te zijn. Maar erkent hij de grenzen van ons kennen wel voldoende?Mijn Wetenschap en mijn Geloof, Die leven saam in onmin, Want de eene houdt, wat de ander doet En denkt en meent, voor onzin. Intusschen, beide heb ik lief, Juist even trouw en innig, En toch vind ik mij-zelven niet Onreedlijk noch Krankzinnig. P.A. de Génestet (1860) lezen ‘zoals het er staat’. Anderzijds is het enigszins onthullend dat dit dr. Van den Brink niet optimistisch stemt, omdat het een barrière vormt voor de aanvaarding van de evolutietheorie. De in En de aarde bracht voort als hypothese gestelde evolutietheorie lijkt hierdoor inmiddels door hem te zijn aanvaard als verklaring voor het leven.
De onderliggende vraag in En de aarde bracht voort is wat het voor het christelijk geloof zou betekenen als de evolutietheorie waar is. Met deze vraag houdt Van den Brink zich sinds ongeveer 2007 bezig.
Onthullend
En God zag dat het goed was begint met een inleiding van de drie redacteuren. Daarna volgen 24 hoofdstukken, elk met een eigen auteur. Op de hoofdstukken 1 en 3 na, respectievelijk van de historicus Flipse en de wiskundige Meester, zijn alle auteurs filosoof of theoloog. Ten slotte volgen een hoofdstuk waarin dr. Van den Brink op de voorgaande hoofdstukken reageert en een appendix waarin de bioloog Fransen alle argumenten in het voordeel van de evolutietheorie nog eens op een rij zet.
Het hoofdstuk van dr. Van den Brink kreeg de titel ‘Geloof en evolutie: zijn christenen op weg naar consensus?’ Aan de hand van zes vragen worden de bijdragen in de voorgaande hoofdstukken geëvalueerd. Het is onmogelijk om in de gegeven ruimte elk van de 24 auteurs recht te doen in de vorm van een reguliere boekbespreking. Daarom kies ik voor een nabeschouwing, waarbij ik me beperk tot enkele opmerkingen, vooral naar aanleiding van de inhoud van dit evaluerende hoofdstuk.
Bij de behandeling van de eerste vraag (met label A.1) komt de ouderdom van de mensheid aan de orde. De reacties op En de aarde bracht voort in het nu besproken boek tonen dat ‘de meningen ook vandaag vooral op het punt van de omgang met de Bijbel divergeren’. Enerzijds doet het weldadig aan dat begrip wordt getoond voor gelovigen die de Bijbel
Geen ander volk
Daarom wil ik toch pleiten voor lezen ‘zoals het er staat’, en wel op basis van de — in het boek onderbelichte — geslachtsregisters in Genesis 5 en 11. Deze zijn van groot belang voor de betrouwbaarheid van Genesis 1 en 2. Immers, zoals het tijdschema op pag.16 laat zien, waren door de hoge leeftijden de communicatielijnen heel kort in de tijd van de aartsvaders. Behalve Noach hebben alle aartsvaders van voor de zondvloed Adam gekend. In het bijzonder geldt dit voor Lamech, Sems grootvader.
Bovendien heeft Sem Abraham overleefd. Zo laat de Bijbel zien dat de geschiedenis van het ontstaan van het menselijk leven op een betrouwbare manier is overgeleverd, tot aan Abraham, Izak en Jakob. In En God zag dat het goed was wordt deze geschiedenis ondergeschikt gemaakt aan die van andere volken. Daardoor wordt geen recht gedaan aan het feit dat via de lijn Adam-Lamech-Sem-Jakob de woorden van God aan Israël zijn toevertrouwd (Rom.3:2) en dat Hij dat aan geen ander volk heeft gedaan (Ps.147:20).
Een herhaaldelijk genoemd argument in de discussie in en rondom het onderhavige boek is dat de verhalen van geloof en wetenschap betrekking hebben op dezelfde werkelijkheid, en dat deze verhalen daarom niet tegenstrijdig mogen zijn. Mijns inziens is op deze bewering wel wat aan te merken. Het maakt een fundamenteel verschil de werkelijkheid te benaderen door de bril van het geloof of door de bril van de wetenschap. De Bijbel beschrijft een werkelijkheid waarin de schepping door God en de zondeval van de mens tot de kern behoren; in de werkelijkheid van de wetenschap zijn beide – en alles wat met God te maken heeft – buiten beeld.
Blindheid
Opmerkelijk genoeg werd Eva in Genesis 3:6 mede verleid door de gedachte ‘er verstandig door te worden’, of, zoals ook is vertaald: om zo ‘tot inzicht te komen’ (Naardense Bijbel). De schrijver lijkt daarmee te suggereren dat zij positieve gevolgen verwachtte voor ons verstand. In zijn commentaar bij deze tekst concludeert Calvijn dat het tegendeel gebeurde; hij schrijft dat sindsdien ‘het verstand met blindheid is geslagen’. Het besef dat onze wetenschappelijke kennis onvolledig is, is in het verleden door velen verwoord. Zo ook in het huidige boek. Pas in 1930 werd het voor de wiskunde, algemeen erkend als de meest exacte wetenschap, bevestigd. Er is inderdaad iets fundamenteels mis met onze kennis.
Dit diepe inzicht is te danken aan een destijds 24-jarig genie, de Oostenrijks-Amerikaanse wiskundige Kurt Gödel (1906-1976). Zijn naam wordt wel genoemd in een voetnoot op pagina 70, maar ontbreekt in het (te summiere) register; hetzelfde geldt voor de naam van Wittgenstein, die wordt genoemd op pagina’s 59, 62 en 63.
Onvolledigheidsstelling
Gödels zogenaamde onvolledigheidsstelling betekende het einde van een diepgaand conflict over de grondslagen van de wiskunde. Dit conflict ontstond nadat de bekende filosoof Bertrand Russell in 1902 tot zijn verbijstering een paradox (schijnbare tegenstelling) had gevonden in de toenmalige wiskunde. De reputatie van wiskunde als bron van zekere kennis was door de Russell-paradox in gevaar. De onvolledigheidsstelling betekende de genadeklap. De situatie is na ongeveer een eeuw niet echt beter en zal dat ook nooit worden. Het gaat erom dat we er niet meer vanuit mogen gaan dat onze logische redeneringen betrouwbare kennis opleveren. Dit vergt enige toelichting.
De Russell-paradox bewijst dat twee wiskundigen op basis van dezelfde vooronderstellingen, en zonder dat er iets aan te merken is op hun (logische) redeneringen, tot tegengestelde conclusies kunnen komen.
In dat geval is er duidelijk iets mis met de vooronderstellingen. Die moeten dan worden aangepast, zodat de gevonden paradox niet meer kan optreden. Dat is in de wiskunde daarna ook gebeurd.
Stel nu dat de huidige wiskunde paradox-vrij is. Dan is het helaas niet zo dat we van alle problemen af zijn. Want als de wiskunde vrij is van paradoxen, dan houdt dit in dat zij niet volledig is, dat wil zeggen, dat er wiskundige waarheden zijn die niet kunnen worden bewezen in de huidige wiskunde.
Dit is de inhoud van het eerste deel van onvolledigheidsstelling. Het tweede deel zegt dat volledigheid van de huidige wiskunde nooit kan worden vastgesteld met behulp van de (huidige) wiskunde zelf. De conclusie is dat we altijd rekening moeten blijven houden met een nieuwe paradox, zoals die van Russell. Dit is, ruwweg gesproken, de betekenis van de onvolledigheidsstelling.
Bijna niets weten
Gödel bracht de situatie regelmatig tot uitdrukking door te zeggen dat de wiskunde onuitputtelijk is.
Een niet gelovige hoogleraar wiskunde zei het ruim een jaar geleden in een interview zo: ‘Wij weten net genoeg om te weten dat we bijna niets weten.’ Ook in de natuurkunde hoort men een dergelijk geluid. Een topnatuurkundige werd onlangs gevraagd hoe dicht we bij de Theorie van Alles zijn. Zijn reactie was dat we nog maar net iets beginnen te begrijpen van de geweldige gecompliceerdheid die zich in de natuur toont. Dat ‘iets’ schatte hij op vier procent van Alles.
Als het er zelfs in de wis- en natuurkunde zo voor staat, is er dan nog hoop voor de andere wetenschappen? Het doet denken aan wat de grootste Nederlandse wiskundige — L.E.J. Brouwer (1881-1966) — als 23-jarige schreef in zijn boek Leven, Kunst en Mystiek. Hij voorzag een tijd waarin er binnen de wetenschap sprake zou zijn van toenemende verwarring, met klimmende ‘verlegenheid, tot alle koppen omloopen’. Het komt mij voor dat er in de huidige discussie iets van die toenemende verwarring gaande is. De evolutietheorie speelt in het conflict tussen geloof en wetenschap al heel lang een grote rol. Het is gebleken dat ‘tegenstanders’ de evolutietheorie een uitgelezen middel vinden om christenen van het geloof af te helpen. In En de aarde bracht voort werd de evolutietheorie bij wijze van gedachtenexperiment als een extra axioma (een onbewezen, maar algemeen geaccepteerde grondregel) opgenomen etc. in de geloofsbelijdenis, om te onderzoeken of daarmee het conflict verdwijnt. Maar zelfs als dat zo zou zijn, is er genoeg andere munitie voor de tegenstanders om laatdunkend te demonstreren dat het Woord van God dingen beschrijft die wetenschappelijk gezien niet kunnen (zoals wonderen, de opstanding, etc.). Daarom acht ik het wijzer om zich rekenschap te geven van de beperktheid van de wetenschap en het scheppingsverhaal te eerbiedigen zoals dat ons in Genesis is overgeleverd.
Churchill
Juist toen mij werd verzocht deze recensie te schrijven, las ik deel 1 van de tiendelige memoires van Churchill. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was Hitler in het geheim, en tegen alle afspraken in, Duitsland aan het herbewapenen. Zelfs nadat hij eerst Oostenrijk en daarna ook Tsjecho-Slowakije was binnengevallen, behield Hitler het vertrouwen van de leiders van Frankrijk en Engeland. Hun politiek bleef gericht op vrede en ontwapening.
Churchill waarschuwde onophoudelijk tegen het gevaar daarvan. In dat kader schreef hij aan een collega: ‘Het enig juiste principe is: helpt elkaar wanneer Gij kunt, doch schaadt elkander nooit. – Helpt nooit uw tegenstander.’ Deze oneliner van Churchill liet mij bij de lezing van En God zag dat het goed was slechts af en toe los.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's