Wat essentieel is
Alles met orde – de kerkorde in coronatijd
Hoe het in de kerk hoort toe te gaan, staat allemaal prachtig in de kerkorde. We hebben over de juiste formuleringen jarenlang een verwoede strijd geleverd. Maar een klein en onzichtbaar virus zorgde ervoor dat alles anders werd.
Onder druk wordt alles vloeibaar’, luidt het gezegde. Ik moest daar in de afgelopen tijd aan denken toen plotseling het hele kerkelijke leven op zijn kop werd gezet. Wat eerder volstrekt ondenkbaar was, werd nu realiteit. Er werden geen huisbezoeken meer afgelegd, geen kinderen gedoopt, geen avondmaal gevierd. Het vaste ritme van de kerkgang op zondag werd ruw verstoord. De ambtelijke vergaderingen konden niet bijeenkomen.
Weliswaar was er geen formeel verbod om kerkdiensten te houden. Gelukkig waren kerkenraden echter zo verstandig de richtlijnen van de overheid te volgen en de deuren van de kerk op zondag gesloten te houden. Dit betekende overigens niet dat aan de gemeente de prediking van het Woord onthouden werd. Met grote creativiteit en inzet en met gebruikmaking van de nieuwste technologische middelen werd de gemeente bediend met het Evangelie.
Anderen probeerden met alle middelen het ‘gewone’ kerkelijke leven voort te zetten, bijvoorbeeld door toch maar te dopen, ook toen dat nog niet was toegestaan.
Anders dan geboden
Wat betekent dit alles voor onze kijk op de kerkorde? Hebben we die nu aan de kant gezet als een hinderlijk pakket van overbodige hinderlijke regels?
Nee, we hebben opnieuw moeten leren dat – met alle goede regelingen en alle goede bedoelingen – het leven niet ‘met een schaartje te knippen is’. Het gaat soms anders dan gewenst en geboden is.
Dat is niets nieuws. In de Bijbel zijn daar al voorbeelden van. Jezus verwijst naar de geschiedenis van David die van de toonbroden at, hoewel het alleen aan de priesters was toegestaan daarvan te eten (Mark.2:26). En als de os of de ezel in een put valt, moet die er worden uitgehaald, ook al is arbeid op de sabbat verboden (Luk.14:5).
Ook in de kerkgeschiedenis zijn er genoeg voorbeelden van dat we soms moeten aanvaarden dat de gewenste situatie niet bereikbaar is. Soms maakt de politieke situatie dat onmogelijk. Calvijn heeft de wekelijkse avondmaalsviering niet kunnen doorvoeren, hoewel hij daarvan een principieel voorstander was, omdat de raad van de stad zich daartegen verzette.
Ongedoopt
De Dordtse Kerkorde schrijft in artikel 56 voor dat de doop zo spoedig mogelijk (‘zo haast als men de bediening deszelve hebben kan’) dient plaats te vinden. Maar de praktijk was vaak anders.
In de classis Arnhem (omstreeks 1600) lieten velen hun kinderen ongedoopt ‘niet alleen enige weken en maanden, maar ook een, twee of drie jaren, [hetgeen leidt] tot aanmerkelijke verachting van de heilige doop’ (weergegeven in hedendaagse spelling). Soms waren er praktische omstandigheden die tot uitstel leidden. In zendingsgebieden moest men dikwijls maanden wachten tot de zendeling langskwam om de kinderen te dopen. In ons eigen land waren er nog in de negentiende eeuw streken waar geen kerk was en maar sporadisch de doop werd bediend. Zo heeft de predikant van Driesum in 1835 in twee maanden tijd in het naburige Zwaagwesteinde 117 kinderen gedoopt, van wie 74 in één kerkdienst.
In tijden van nood
Al ging alles anders, toch hebben de kerkenraden in de afgelopen maanden de kerkorde niet als onbruikbaar terzijde geschoven. Er bestaat een aparte bepaling in de kerkorde van de Protestantse Kerk (PKO) voor de kerk in tijden van nood. Daar mogen we de coronacrisis toch wel toe rekenen.
‘Indien en voor zover buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven van de kerk onmogelijk maken, treffen de daarvoor in aanmerking komende lichamen van de kerk of hun leden de door de omstandigheden tijdelijk geboden, van de orde van de kerk afwijkende maatregelen’ (art. XIX PKO).
Tweede Wereldoorlog
De oorsprong van die bepaling ligt in de Tweede Wereldoorlog. Vanaf de invoering van het Algemeen Reglement in 1816 meende de synode dat ze niet bevoegd was zich uit te spreken over zaken van geloof en belijden: ze was er niet ‘om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen’.
Meer dan een eeuw lang had de synode gezwegen, ook als de fundamenten van de kerk in het geding waren. Maar toen in 1940 de oorlog uitbrak, kon ze niet langer zwijgen! Ons land werd geconfronteerd met het nieuwe heidendom van het nationaalsocialisme. Een paar dagen na de capitulatie heeft dr. K.H.E Gravemeyer, de secretaris van de hervormde synode, gezegd: ‘De Kerk mag deze strijd [met de Duitse overheid] niet ontlopen. Wij zijn er niet om de strijd te voorkomen, maar om die goed te strijden!’
En de kerk begon belijdend te spreken, ondanks het Algemeen Reglement. Ze noemde de maatregelen tegen de Joden in strijd met de christelijke barmhartigheid. Het ging om ‘het volk waaruit de Zaligmaker der wereld is geboren’.
Hernieuwd
De nood van de tijd leidde tot een geestelijk ontwaken van de kerk. Om voortaan het spreken en handelen in tijden van nood ook kerkordelijk mogelijk te maken, werd toen deze bepaling vastgesteld. En die kon nu worden gebruikt.
Wat zou het mooi zijn als – net als in de oorlog – ook nu de verwarring zou leiden tot een hernieuwd doordenken van waar het op aankomt, van wat werkelijk essentieel is in ons leven als kerk en gemeente.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's