De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

HOOFDSTUK X.
Den volgenden Woensdag met den middag, trok Hillebrand er op uit naar Delberg. Even buiten 't dorp werd hij staande gehouden door Stevelaar, timmerman en aannemer te Winnewoud, een nog al bekende persoonlijkheid in dit deel der provincie.
,,Hillebrand, denk je er wel aan, dat onze herder spoedig 't soldatenpak moet aantrekken ? "
„'t Is waar ook, we zullen een anderen moeten zoeken, 't Is goed dat j' er mij aan herinnert : ik zou 't misschien vergeten hebben."
„We kunnen 't dus aan je overlaten ? "
„Vooreerst, ja ; maar als ik niet klaar kom, zullen we vergadering moeten houden !"
„Nu 't heeft den tijd nog wel. Maar omdat jij er altijd voor zorgt, wilde 'k 't je toch even zeggen."
„O, 't is best hoor ! Ik dank je wel !"
Een zwaai met de rechterhand, een heel alledaagsche groet, en elk ging zijn weg.
De meeste bewoners van Winnewoud hadden eenige schapen, die alle tezamen toevertrouwd werden aan een herder, die daarmee dag in dag uit naar de uitgestrekte heivelden toog. Het loon voor den herder bestond in kost en inwoning en bovendien een klein bedrag voor ieder schaap. Ieder deelgenoot was verplicht een zeker aantal dagen van 't jaar den herder kost en inwoning te verschaffen.
De herder, dien men nu had, was reeds als knaap van veertien jaar aangesteld en zou wel bij de kudde gebleven zijn, indien hij niet voor de militie was opgeroepen. Niog slechts eenige weken, en dan zou hij zijn schapen aan een ander moeten toevertrouwen.
Daaraan had Stevelaar den kuiper herinnerd, omdat deze, die zelf ook een aantal schapen had en als de voorzitter van de vergaderingen gehouden werd, uitsluitend alleen de vier laatste herders had aangesteld, wat altijd zeer goed was uitgekomen. Men wist dat men het aan hem kon toevertrouwen en liet hem dus maar begaan.
Hillebrand was op weg gegaan, geheel vervuld met plannen om op de eenvoudigste manier de vrije beschikking over Paul te verkrijgen. En daar was nu Stevelaar hem in zijn overleggingen komen storen, want hij moest toegeven, dat het hoog tijd was, om zich van een nieuwen herder te voorzien. .Als vijandigheden tegen elkander stonden nu die twee zaken in zijn geest : als hij met de eene bezig was, kwam de andere hem hinderen. Tot daar plots een helder licht over viel — : Paul zou vooreerst wel de schapen kunnen hoeden ! Wanneer hij bij de armvoogdij of bij Koen kwam met een aanstelling voor den jongen als herder van Winnewoud, z'ou hij beter zijn doel kunnen bereiken dan als hij geen ander plan had dan om den jongen uit de verderfelijke omgeving van den veehandelaar te verlossen. Hoe meer hij daarover nadacht, hoe dankbaarder hij was voor de ontmoeting met Stevelaar; die was een bode Gods geweest !
Toen hij bij den wagenmaker kwam, deel de hij dien terstond zijn plannen mee, en droeg hem op, Paul te bezoeken en dien in te lichten. Hij zelf ging naar Jeun Dolle, waar ook de wagenmaker, na diens bezoek bij Paul, zou komen.
Maar de armvoogd wilde met de zaak niets te maken hebben : hij was gelukkig van dien jongen af; daar bemoeide hij zich niet mee : die moest zelf maar weten, wat hij deed !
„Jij verklaart dus dat kind mondig. Jij, armvoogd van Delberg ! Ben je misschien compagnon van Koen ? "
Helaas I Teun Dolle voelde niets scherps, verwijtends, beleedigends in die woorden. Hillebrand schudde verachtelijk het hoofd. Hij verwachtte bij Koen meer menschelijk gevoel en ging zonder een woord nog te spreken heen.
Daar kwam juist de wagenmaker. „Ben je nu al klaar met Dolle ? "
„Ja ! daar ben ik klaar mee, voor vandaag in elk geval. De man mag wenschen, dat hij mij niet in eenig gezelschap onder de oogen komt. En dat zijn hier je armvoogden ! — Zijn hier geen Christenmenschen in Delberg ? "
De wagenmaker zuchtte diep ; doch zei niets. Hillebrand nam het woord weer.
„Heb je met den jongen kunnen spreken ? "
„Ja, gelukkig ! Hij voerde juist de varkens in 't land."
„Wat zei hij op je voorstel ? "
„Hij werd zoo wit als een muur en zei : als God dat toch eens gaf!"
„Zoo ? Dus, dat is goed. Weet je ook, of die menschen thuis waren ? "
„Koen en Hilda ? ja !"
„Dat treft. Dan gaan we daar nu naar toe. Maar jij hoeft niets te zeggen, als ik je niets vraag."
Zoo wilde Bos 't ook maar 't liefst.
Koen had Bos bij Paul op 't land gezien.
Nu zagen hij en zijn vrouw denzelfden man met nog iemand door 't hekje komen.
„Hilda, 't is die fijne kuiper van Winnewoud !"
Paul had de beide mannen eveneens gezien en ook Hillebrand terstond herkend. Haastig, maar van aandoening bevend, had hij zich naar huis gespoed en zoodra de beide mannen binnen waren, zich in 't voorhuis begeven, vast in de overtuiging, dat hij in de nabijheid moest zijn.
„Dag Koen ! dag vrouwtje !" 't Zag er hier properder uit, dan hij verwacht had. „Koen ! ik zal zal maar dadelijk zeggen, waarvoor ik hier kom : niet om een big of varken of paard, maar om den jongen, dien je hier hebt."
„Hêh ? Watte ? Dacht je, dat ik den jongen verhandelde ? "
„Dat zal blijken, Koen ! Wij moeten in Winnewoud een herder hebben : onze herder is er ingeloot en staat nu op vertrek. Wij hebben over Paul gedacht, en nu ben ik eerst bij den anmvoogd geweest, en die zei, dat de jongen geheel meester van zich zelf was. Zou ik even met hem kunnen spreken ? "
„Hêh ? de oliebol herder ? Hil, hoor je dat ? Ze willen die koffieboon van ons als herder aanstellen I Vraag eerst, of hij een schaap kan vasthouden ! Drie, vier schapen ? hoeveel heb j' er daar in Winnewoud ? Hil, zeg jij r's, wat er zou gebeuren als je dien pannekoek met twee schapen de hei inzond ! Watte ? HM, zeg jij 't 'r 's !"
„Nou, dan was er veel kans, dat je ze 's avonds alle drie in de sloot vond. 't Is een nul van niks, een stiekeme nul, lui en onverschillig en ongezeggelijk en...
Koen kon zijn vrouw niet laten uitpraten. „'t Is een kraai en een oliebol, een koffieboon en een pannekoek. Een augurk is 't, een Laplander ! Nou weet je meteen alles wat hij is !"

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's