De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

't Was Koen en Hilda er natuurlijk om te doen, om den jongen te houden. Hillebrand zat geduldig te luisteren tot man en vrouw zwegen. Dan vroeg hij :
„Je krijgt zeker heel wat geld toe op den jongen ? "
„Hèh? Watte? Toe? Toe van Dolle Teun ? Van dien gierigen, schrieperigen oliebol ? Toe ? "
De man begon te stotteren en te schreeuwen, balde zijn vuisten en beet de tanden op elkander. De vrouw begreep, dat Koen's lawaai voor niets diende en nam zelf het woord.
„Geen rooien cent krijgen we toe; we hebben hem voor den kost; maar de jongen eet voor twee. En wat Mj voor ons doet, kan een kip ook wel doen."
Koen wilde weer beginnen ; maar de kuiper was hem voor.
„Maar waarvoor hebben jullie dien jongen dan ? "
Dat wist Koen.
„Alleenig om je menschelijke goedheid van je hart. 't Is een verschoppeling. Je kunt 'm toch niet in de sloot gooien of 't bosch in jagen ? 't Is onze goedheid en meelijdigheid, dat we 't jong hebben opgeraapt."
Nu wist Hillebrand genoeg.
„Hoor eens Koen, je mag dan wel erg blij wezen, dat je nu met fatsoen van zulk een lastpost af kunt, want — waar is de jongen ? — (Paul, die alles had gehoord, kwam terstond door de deur) — o, ben je daar ! — want wij willen hem aanstellen als herder. Hij komt dan bij mij in huis als een eigen kind en hij krijgt het volle loon van een herder: dat geld kan hij sparen, want wat hij meer noodig heeft dan kost en inwoning kan hij ruim met breien verdienen. Zou j' er zin aan hebben, jongen ? "
„Nou !" zei Paul op een toon, en met een lachend gelaat en vriendelijken knik, dat hij onmogelijk op andere wijze nog beter zijn hooge ingenomenheid met de aanbieding had kunnen uitdrukken.
„Dan zullen Koen en de vrouw ook wel blij zijn, dat ze nu zoo goed van den jongen af kunnen !"
Maar de menschen toonden het tegendeel ! Man en vrouw scholden en vloekten om 't hardst.
„Als je dat vloeken niet laat, neem ik den jongen dadelijk mee !"
't Was, of Koen en Hilda beseften, dat de kuiper recht op den jongen had; 't recht van den hoogsten bieder. En Koen was zóó op-en-top veehandelaar, dat hij Hillebrands optreden billijkte, doch dit deed op zijn eigen manier :
„Neem den oliebol maar dadelijk mee !" Hillebrand gebood met zijn oogen den jongen om naast hem te komen en zei kalm tot Koen :
„Nu, als j'm dadelijk kunt missen; neem ik hem wat graag mee. Maar als j'm zoo lang noodig hebt, tot je van een anderen jongen bent voorzien, dan wil ik me wel schikken : we moeten elkaar helpen."
Die kalme vriendelijkheid viel er goed bij Koen in.
„Nou Hil, wat zeg jij er van ? " Hilda was boos : haar gelaatskleur was vuurrood en haar oogen en mond vloekten.
Ze sloeg met de handen in de lucht en zei :
„'t Kan mij niks meer schelen ! Neem dien Laplander maar dadelijk mee ! — Hier! pak maar mee, dadelijk !"
Zij had 's jongens weinige kleeren, die over een stoelleuning hingen, gegrepen en den kuiper om de ooren geslingerd. De man pakte ze kalm bij elkaar, zorgvuldig en netjes ; zóó op z'n gemak als of er geen wolkje aan de lucht was. Toen zei hij tot Paul :
„Zijn dit jouw kleeren ? " „Ja Hillebrand !"
„Heb je nog meer, dat je eigendom is ? " „Ja Hillebrand ! nog een klomp en een Testament, een Bijbel en wat leesboekjes ; anders niets. O, ja, en een paar schoenen."
„Geef dat dan ook maar eens hier!" Paul haalde de boeken, schoenen en den klomp en legde ze neer voor den kuiper, die lachend daarover het hoofd schudde.
„Nu niets meer ? niets ? " „Nee, Hillebrand !"
„Groet dan je baas en je vrouw maar !" Hilda voelde iets van schaamte. Zeker door 't zien van 's jongens armoedje ; ook die klomp was zijn eigendom ! Eigenlijk was die klomp het eenig bezit, 't overschot van al zijn loon hier ; want die kleeren en schoenen en boeken waren van Mark Mons.
Paul liet het niet bij bloot groeten. Neen, daartoe was hij te veel aan Koen en Hilda gehecht. Hij gaf beiden een hand, innig en gevoelig en bedankte hen zeer hartelijk voor al 't goede, dat ze hem hadden gedaan. Hij vroeg ook welmeenend om vergeving voor wat hij niet goed gedaan had.
Dat werd het manneke van Winnewoud erg machtig.
En den baas en de vrouw trof de hartelijkheid van den jongen toch ook. Koen zelfs wist in eens niet meer hoe hij 't had. De dankbaarheid van den jongen had hen verrast. Ze wisten beiden al te goed, dat ze Paul slechts hadden gehad, om aan hem te verdienen, hoe langer hoe meer. En nu een oogenblik overmeesterde hun een beter gevoel.
„'t Is beter, kuiper ! — zei Koen nu gemoedelijk — 't is beter zóó voor den jongen. Hêh ? bij mij wordt hij niks en hij past beter bij jouw geloof. Die jongen hoort hier eigenlijk niet."
„Ja, ja — zei Hilda — 't is beter, dat hij maar weggaat. Hij past niet meer bij ons. Die Zonderschool (zij bedoelde de Zondags school) heeft hem zoo wijs gemaakt: je mag niet vloeken en je mag niet dit en niet dat, en daar kunnen wij menschen ons niet aan houden. Neem hem maar gauw mee ; bij jou zal hij beter passen."
„Ik denk ook, dat dat beter is, vrouwtje : soort bij soort. Paul, me jongen, zou je niet een van die boeken, dat dunne, als een gedachtenis aan je baas en je vrouw geven ? "
„O, wel graag, Hillebrand !" zei de jongen en nam meteen het N. Testament in de hand en reikte 't Koen toe.
„Nee jongen, dat hoeft niet!" „Ja, toe Koen ! tot een gedachtenis !"
Koen en Hilda wisten in de verste verte niet, welk een schat dit boek voor den jongen bevatte, want het was 't boek, dat zijn vriend Mark Mons hem had gegeven. En slechts Hillebrand kon begrijpen, hoe gaarne hij juist dit boek als een gedachtenis achterliet : het Evangelie van Jezus Christus. God toch kon alles en wie weet, als ze er in lazen, welke goede uitwerking dat kon hebben.
„Toe Koen en Hilda ! tot een gedachtenis !"
Hij smeekte het; Hilda nam het aan. Maar hem een kleine gedachtenis mee te geven, dat kwam niet in hen op. Hilda zelfs gaf hem het kwartje van Ferdi niet terug, dat ze van hem in bewaring had.
En de jongen hoopte er toch zoo op : 't was toch zijn eigen kwartje van den edelen Ferdi. Wat had hij nu gaarne behalve met zijn Bijbel, zijn boekjes en zijn klomp, ook met geld — vijf en twintig centen was een heele boel ! — de intrede in zijn nieuwe tehuis gedaan. Nog nooit had hij een paar centen van hem zelf in zijn zak gehad ; nooit dan eens dat kwartje !
„Kom, dan gaan we nu maar!"
Hillebrand gaf den menschen de hand en dan deden ook Bos en Paul het. Groetend gingen ze heen. En buiten gekomen, nam de wagenmaker afscheid van Hillebrand en Paul, omdat zijn weg den anderen kant uit liep.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's