De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

HOOFDSTUK XI.
Even buiten Delberg kreeg het landschap een armelijk aanzien. De boomen langs den weg naar Winnewoud geleken niets dan zieketierige staken met een schamel pluimpje van bruin groen in den top. Het gras, dat er op de bermen groeide, was eigenlijk geen gras : 't was in 't klein, wat de boomen in 't groot waren een laag, hard, spichtig halmpje hier en daar met wat kafjes boven aan. Aan weerszijden van den weg volgde het eene sparrebosch het andere tot men halverwege Winnewoud plotseling aan den ingang van een schijnbaar eindelooze wereld van enkel heide kwam.
't Was in den voorzomer en nog al zoel weer ; maar niets buiten hem scheen Paul de aandacht waard, niets dan de man, die naast hem liep.
Wat een man, dat tenger kereltje !
Die man dacht aan alles ! In 't kreupelboschje, dicht bij zijn huis, had hij hem gezegd, dat hij zijn klompen uit en de schoenen moest aantrekken en hij had toen de klompen weer netjes in de kleeren gepakt en den Bijbel ook. Maar Hillebrand had zelf dat lompe pak willen dragen, omdat het voor Paul te zwaar was voor de lange reis. Dat was toch een echt goede man ! Koen zou hem alles alleen hebben laten dragen en op zijn klompen laten voort loopen. Alleen maar den grooten armvoogdijklomp mocht hij zelf dragen.
En even buiten Delberg waren ze op den berm gaan zitten en had Hillebrand een pakje met boterhammen uit den zak gehaald en hem er een van gegeven ; maar zelf geen genomen. Doch wat was hij beschaamd geworden, omdat hij toen maar voor 't eerst kwam te weten, dat een mensch vóór 't eten behoorde aan God om den zegen over de spijze te vragen.
En daarop had de man zelf het gebed gedaan ! Wat zou hij bij den kuiper nog veel goede dingen leeren !
„Heb je wel eens den Heere gebeden, dat je bij andere menschen mocht komen ? " vroeg de kuiper om den jongen wat aan den praat te krijgen.
„Nee, Hillebrand, nooit ! Maar ik heb 't wel aan God gevraagd, dat ik altijd bij Koen en Hilda mocht blijven".
„Had j'r dan ook maar niet liever gebleven ? "
„Nee-ee, liever bij Hillebrand".
„Waarom bleef je dan graag bij Koen? "
„Omdat Teun Dolle zei, dat als ik niet alles deed, wat Koen en Hilda zeiden, dan zou ik bij slechte menschen komen."
„Zóó, bij slechte ! Koen en Hilda waren dan zeker wel beste menschen!"
„Zeker Hillebrand. Zij gaven mij toch eten en een bed. Dat kost toch veel geld !"
„Maar Koen vloekt veel en is een vijand van God !"
"0 ja, en Hilda ook, en ik wilde ze graag voorlezen uit den Bijbel, maar dan moest ik lezen uit het veedóktersboek. En Koen was vaak dronken !"
„Hilda zeker ook wel ? "
"Ja, ook wel 's ; maar 't waren toch beste menschen !"
„Maar was je niet liever geweest bij menschen die God liefhebben ? "
„Ik dacht niet, dat die er waren, Hillebrand ! Behalve Mark Mons, onze meester van de Zondagsschool, en nu weet ik er nog een : jij, Hillebrand".
„Had je dan niet graag bij Mark Mons in huis gewoond ? "
„Nou ! maar die gaf mij al boeken en kleeren. Hoe kon ik er aan denken om daar ook nog thuis te zijn ? Dat kwam niet in mij op".
„Zoo, en ken je geen andere menschen, die God vreezen ? "
„Nee, groote menschen niet één !"
„Bos, de wagenmaker dan ? "
„Dat weet ik niet. Ik denk, dat die maar heel, heel stilletjes God liefheeft, zoo stil dat je 't niet kunt weten".
De kuiper lachte om de naivieteit van den knaap.
„En ken je geen jonge menschen ook, die God liefhebben ? "
„Ja wel, Hillebrand ! Eén weet ik zeker : Marie van boer Kooijker. En Virginie ook, denk ik".
Paul moest den kuiper nader uitleggen, wie Marie en wie Virginie was. Hille­brand herinnerde zich nu het meisje uit de Zondagsschool, en de vader van Virginie kende hij als een warm voorstander van allerlei Christelijken arbeid : een paar malen had hij hem bezocht. De kuiper had al zooveel gevraagd, Paul wilde nu ook wel eens wat van hem weten, en vroeg hem naar zijn gezin en of zijn vrouw en kinderen en de knecht ook den Heere liefhadden. En dan : „Hoever is Winnewoud nog wel ? Een half uur ? "
„Ja, nog een half uur !
„En gaan we eerst naar huis, of moet ik dadelijk naar de schapen ? "
„We gaan eerst in huis".
„Gelukkig ! — Hillebrand, hoe heet je vrouw ? "
„Betje."
„En moet ik haar Betje noemen of wat anders ? "
„Je moet „vrouw" zeggen."
„Maar dan mocht ik tegen jou ook wel „.baas" zeggen.|
„Dat doet de knecht óók !"
Paul begon te lachen.
Baas-baas. Hij vond Hillebrand mooier dan baas, omdat Koen ook nog al veel baas genoemd werd.
Hij had wel meer te vragen, maar hij wilde den kuiper nu „baas" noemen, en dat viel hem zóó zwaar, dat hij maar liever zweeg. Doch dra zag hij in de verte een groote kudde schapen, en vroeg : „Baas, zijn ze dat ? "
„Ja, dat zijn de schapen van Winnewoud. Zou je ze bij mekaar kunnen houden, zooveel ? "
„Dat moet toch, baas ! En ze zullen van me houden ! — En ik kan ze wel dokteren ook, als ze ziek zijn of kreupel loopen !"
„Zoo ? Heeft Koen je dat geleerd ? "
„Nee, maar ik heb 't van hem geleerd, zonder dat hij 't wist."
De kuiper dacht, dat ze in Paul wel eens een heel geschikten herder konden hebben. Hij deelde den jongen mee, dat hij — zoolang de herder er nog was — met hem mee zou gaan, om alles te leeren, wat er te leeren viel.
Wat een verrassing was dat voor Hillebrands huisgenooten, dat hij Paul terstond had meegenomen. En wat vonden ze 't allen een aardig kereltje met zijn goedig blijmoedig gezicht en zijn rappe handen om ieder te helpen. Hij was hier dadelijk thuis en toen hij maar eventjes gezeten had, vroeg hij, of er niets voor hem te doen was.
„Wat kan je dan zooal doen, Paul ? "
„Wat je maar wilt, vrouw! aardappelen schillen en koken en braden ; 't huis aanstoffen en dweilen, kachel poetsen, olie in de lampen doen ; ik deed alles voor Hilda."
„Zoo, zoo ? Dan kun je al heel wat!"
"Ja, maar ik ken al het landwerk ook !"
„Spitten toch niet ? "
"En ik moest altijd met Koen mee om te spitten, en hij zei altijd dat ik het goed deed. Dat was toch wel goed van Koen, nietwaar vrouw ? Beter dan vloeken en schelden."
„Ja, wel iets beter! Zoo, zoo, was Koen zoo goed voor je ? "
Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's