Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Hillebrand had zijn vrouw al gezegd, dat Paul herder zou worden, en dat vond ze een mooi idee.
„Kun je breien, Paul ? " , , Nee, vrouw !" „Nou, dan zal ik 't je leeren."
Bij den avondmaaltijd zat het heele gezin om de tafel. Wat had die Paul een schik, dat alles daar zoo vriendelijk, vrij en vlot toeging : 't was voor hem hier de hemel op aarde. Geen enkelen vloek hoorde hij, geen ruw, geen barsch woord zelfs, 't Moest toch wel zeker zijn, dat ze allen God liefhadden.
Steeds waren de kinderen, de jongsten zoowel als de oudsten, met hem bezig en overlaadden hem met vragen. En Paul beantwoordde allen, alsof ze zijn meesters en meesteressen waren. En juist daardoor zagen ze zoo hoog tot hem op, omdat hij altijd de mindere was, de geboren verschoppeling.
Hij kon zoo naïef vertellen van zijn reizen met Koen naar de markten, van zijn bezoeken met Koen in de kroegen, van avonturen bij dag en bij nacht. De kinderen zaten ademloos te luisteren, de oogen nooit afgewend van dien aardigen Paul, die nu hun broer geworden was. Moeder had ze al maar te herinneren, dat ze moesten eten.
Paul vertelde voor de kinderen ; maar de baas, de vrouw en de knecht, hoewel ze deden, of ze de kinderen met Paul maar alleen hun gang lieten gaan, waren de beste hoorders en zagen nu en dan elkander glimlachend aan : ze hadden nog meer schik dan de jongeren.
Moeder — en vader soms ook — had wel eens een wenk te geven aan de kinderen over de manier van zitten of eten of drinken, doch Paul was de eerste, die van die wenken profiteerde.
Toen 't eten gedaan was, las vader uit den Bijbel voor, en daarna deed hij allerlei vragen aan de kinderen, aan Paul, aan den knecht en aan zijn vrouw. De jongen kon nu niet meer stilzitten van 't geluk, dal hij genoot. Zijn oogen fonkelden, 't Was hier nu net Zondagsschool : de baas was de meester en al de anderen waren de leerlingen. Alleen, ze behoefden geen tekst op te zeggen en er werd niet gezongen ! Dat was hier wat anders dan bij Koen en Hilda ! O, o ! wat God toch veel kon doen ! Hij, de verschoppeling, hij hier in dit huis ! Als Mark Mons dat eens wist ! En als Marie dat eens wist ! En Virginie ! Virginie zou hier ook nog moeten zijn ; en Marie en Mark Mons ook ! Wat zouden die dan ook gelukkig wezen !
„Kom, dan gaan we nu een versje zingen !"
Daar dan ! 't was toch Zondagsschool,
„Kent Paul Psalm 100? Juich, aarde, juicht alom den Heer? "
Hij kende dat versje niet.
„Willem, geef Paul eens een Psalmboekje I" Maar Paul had nog nooit een Psalmboekje in zijn handen gehad ; Willem moest ook Psalm 100 voor hem zoeken.
Maar wat hij nu meezong !
„Juich, aarde ! juicht alom den Heer ! Dient God met blijdschap, geeft Hem eer ! Komt nadert voor Zijn aangezicht : Zingt Hem een vroolijk lofgedicht !
De Heer is God : erkent dat Hij Ons heeft gemaakt (en geenszins wij) Tot schapen, die Hij voedt en weidt. Een volk, tot Zijnen dienst bereid.
Want goedertieren is de Heer ; Zijn goedheid eindigt nimmermeer ; Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht Tot in het laatste nageslacht.
Na dankzegging moesten de kinderen allen naar bed ; Paul ook. Wat een heerlijke slaapplaats kreeg hij daar op den zolder, waar nog drie jongens en de knecht sliepen. Al den jongeren was het zwaar gevallen, om reeds naar bed te trekken : ze hadden wel gaarne den heelen nacht bij Paul opgebleven en hij zelf had dat ook wel gewild, want het leven was hier feest. Doch — hiermee troostten ze zich — morgenochtend begon het feest opnieuw.
En allen waren weer vroeg op, om Paul, en Paul, om allen weer te zien. En bij 't ontbijt, als de boterhammen naar binnen waren, was 't weer
„Zondagsschool".
Tweemaal daags was het Zondagsschool voor Paul.
Maar 's middags was 't herdertje bij de schapen in 't veld.
Na het ontbijt ging elk aan zijn bezigheid.
Paul hing zijn trommeltje met boterhammen en een kruik met koffie aan een riem over den schouder. Den grooten wollen mantel, dien hij tegen koude of regen noodig had — Hillebrand had nog zulk een ouden herdersmantel voor hem — droeg hij over den anderen schouder.
Zoo wachtte hij den herder op. Al de huis genooten bekeken het nieuwe herdertje ; hij zelf voelde zich gewichtig : baas over drie, vierhonderd schapen !
Hillebrand keek uit naar den herder, om hem de zorg voor Paul en zijn opleiding op te dragen. Ginder kwam hij ; óók uitgerust als Paul nu, maar uit zijn binnenzak kwam het breiwerk met de breipennen te voorschijn : dat onTbrak er nog slechts bij Paul aan.
De herder groette Hillebrand en Paul, en dan kwamen ze heel dicht bij elkander staan : Sam, de hond scheen er ook vlak bij te moeten zijn.
Na het noodig bescheid trokken de beide herders naar 't Westen, een kwartier ver. Daar blies de herder op den hoorn en de eerste schapen kwamen blijde naar hem toe. De beesten vriendelijk toesprekend, trokken ze terug terwijl de herder nu en dan op den hoorn toeterde. Overal stonden troepjes schapen te wachten, om met de kudde mee te gaan. Soms kwamen ze aan een hek, waar de schapen nog niet opengedaan waren, maar dan wachtte de heele kudde vanzelf zoolang totdat die anderen ook mee konden.
Wat vond de jongen dat een bekooriijke bezigheid !
Langzaam dreef de wollewolk over den breeden zandweg, tot ze eindelijk in de hei kwam. Daar keek de herder uit, naar welken kant hij de schapen drijven zou en zoodra hij daar gekomen was, verspreidden zich al de beesten naar alle kanten en begonnen den kost te zoeken. De herders en de hond bleven nu staan, en de man haalde terstond zijn breiwerk uit den zak en begon het werk beurtelings zijn oogen over de kudde of naar zijn naalden richtend.
Den ganschen dag brachten ze zoo in 't veld door en leidden tegen den avond de schapen weer naar huis. Dan blies de herder op den hoorn en de menschen openden hekken en deuren, en al de schapen bleven bij de kudde tot elk bij zijn eigen huis was en daar het hek binnen ging. Ieder schaap wist precies, waar het zijn moest, en als het laatste binnen was, trokken de herder en Paul naar hun huis, waar de laatste in 't zijne steeds als een eigen kind ontvangen werd.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's