Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
„Jij hebt dus wél den Bijbel gelezen en gelooft er niet aan. Ik lees er veel In, en voor mij is 't zeker, dat God daarin tot mij spreekt. Houd je mij voor gelukkig, of ongelukkig ? "
Ze keken elkander vlak in de oogen.
„Ik houd he voor nog al gelukkig."
,,Ben jij gelukkig, Wüsting ! met je ongeloof ? "
„Nee ! — Ik ben niet gelukkig."
„Waarom geloof je dan niet? " „Ik kan niet."
„Je kunt er God om bidden."
„Ik geloof niet, dat ik door bidden iets verkrijg : daarom kan ik niet bidden, en wil ik niet bidden. Ik geloof niet, dat God — hoe ik mij Hem ook voorstel — zich met ons bemoeit. En zoo wél, dan toch niet anders, dan door de onverbiddelijke natuurwetten. De wereld gaat haar eigen gang, en 's menschen lot is enkel afhankelijik van omstandigheden — "
„Maar God geeft en onderhoudt dien gang der wereld, en regelt en leidt die omstandigheden "
„En verlegt even dien gang en die omstandigheden als jij, wurmpje, dat van Hem vraagt —"
„Ja, beslist, Wüsting ! dat doet Hij ! Daarvan ben ik zeker. Als ik 't voor mij noodig acht, dat het water moet gaan branden, zal ik er God om bidden met de volle zekerheid, dat Hij 't water kan laten branden !"
Wüsting zag, dat 't volle ernst was bij Paul. Met welbehagen zag hij in diens anders zoo zachte, nu fonkelende oogen. „Maar als God het dan niet deed ? Want ik ben zeker, dat Hij 't niet zóu doen."
„Dan zou ik daaraan weten, dat God het voor mij niet noodig achtte, om 't water te laten branden. Hij zou mij dan op andere wijze helpen."
,, Maar dat zou toch een pijnlijken schok in je geloof veroorzaken !"
„Werkelijk niet, Wüsting ! Ik zou God God laten blijven. Als een kind van zijn moeder de schaar of het mes, waarom het zoo vertrouwelijk vraagt, niet krijgt, of inplaats van een bitterkoekje, waarom het vraagt, een wormkoekje heeft te slikken, moet dan dat kind in zijn vertrouwen jegens zijn moeder geschokt worden ? "
Wüsting was gaan zitten en Paul vlak vóór hem gaan staan.
„Jullie redeneert allen gelijk!I" zei de eerste, terwijl hij ontevreden het voorhoofd fronste.
„Hoe komt dat, Gerard Wüsting ? "
„Nou ja, ik weet wel, hoe jij maar één antwoord op die vraag mogelijk acht. Maar laat ik daar een andere vraag tegenoverstellen : jij gelooft, dat God, vóór er iets bestond, alles zóó bepaald heeft, dat niets ter wereld, ook maar een haartje aan dat plan zou kunnen veranderen. "
„Ja, dat geloof ik vast !"
„ en je gebed is wezenlijk niets anders dan een vragen aan öod, om dat plan toch te veranderen !"
Paul strekte zijn arm en wijsvinger naar Wüsting uit.
„Dat geven alle geloovigen je lang niet toe, en daarom bidden ze dan met de tusschen-gevoegde woorden : indien het met Uw raad kan bestaan. Maar dat lijkt op niets, dunkt me. Voor mij is het ware gebed een vragen aan God ; dat Hij verandering zal brengen in den loop der dingen is voor mij naar 't eeuwig plan Gods "
„Wacht even ! — Je ziet dus in den loop der dingen het plan Gods, en dat plan zie je tot op 't oogenblik, dat je bidt."
„Juist ! verder is dat plan mij geheel onbekend. Doch ik acht ihet noodig, dat God verandering brengt in dien loop der dingen, die, tot nu toe, voor mij de uitvoering van Zijn plan zijn : daarom bid ik : móét ik bidden. Mijn gebed wordt verhoogd : de loop der dingen heeft zich gewijzigd. Twee dingen zijn dan voor mij onomstootelijk waar : God heeft mij verhoord, en — God heeft zich aan Zijn ; plan gehouden : Zijn plan was : verlegging van den ioop der dingen —"
„En als je dan eens niet gebeden bad ? " „Wel, doodeenvoudig : dan was de verlegging of wending van dien loop voor mij ook geen gebedsverhooring."
Wüsting scheen voldaan te zijn." Een poosje was er stilte. Toen begon Wüsting weer :
„Dus als je bidt, heb je heel die filosofie van dat plan Gods vóór je ? "
„Neen ! ik kan mij niet herinneren, ooit gebeden te hebben met de ge ----------------"
„Ik geloof anders, dat jij al heel wat hebt afgebeden —"
„ Stil nou even ! — Ik heb nooit gebeden met ook maar de alierminste gedachte aan een plan Gods. Dat plan is voor mij verborgen : ik kan, ik mag er geen rekening mee houden. Het kan mij niet afhouden van, noch aansporen tot gebed, het kan mij niet leiden in mijn doen, omdat het mij geheel onbekend is. Misschien ligt het in Gods plan, dat over een half uur dit huis instort en wij er onder verpletterd worden ; maar deze veronderstelling is voor ons geen reden, om dit huis te verlaten. Doch als wij 't nu hoorden kraken, of een muur zagen scheuren, zou dat een vermaning voor ons zijn, om ons lijf in zekerheid te brengen —"
„Wil je gelooven, Dilleman I dat als jij zoo redeneert en zoolang je redeneert, ik dat alles geloof ? Maar ik heb mij niet omgekeerd, of ik zie het terstond anders, of liever, ik zie niets meer."
„Het spijt me toch zoo, Wüsting ! dat je niet kinderlijk gelooft. Je zoudt zoo gelukkig, zoo onuitsprekeIij.k gelukkig zijn !" Wüsting zuchtte :
„Ik kan niet !"
„Ik vrees, dat je niet wilt!"
„Iets, waarvan ik beslist zeker weet, dat ik het niet kan, kan ik niet willen."
„Bij God is alies mogelijk, Wüsting I"
„Dat geloof jij ! — En nu, basta. Van zulk babbelen frisch je op ! Nou aan 't werk ! Heb jij haast die villa in perspectief ? " „Wil je zien? "
„Nee, eerst moet m'n eigen af zijn; "
Nooit bracht Paul den avond of nacht bij zijn vriend door, of ze zonderden een half uurtje van den kostbaren tijd af, om samen te spreken over wat de beide vrienden in 't diepst van hun wezen zoo onmeetbaar ver van elkander scheidde. Nu eens ging het over de Goddelijke ingeving der H. Schrift, dan over de wonderen, over zonde en verzoening, oordeel en vergelding. Wüsting was altijd de onbekeerlijke twijfelaar, en Paul hield pal stand op den bodem der H. Schrift. Soms was hij verrukkelijk naïef en dan kon Wüsting zijn genot niet op ; altijd was hij warm en hartelijk.
Maar — hoewel Paul gewoonlijk meende, dat hij pal had gestaan tegen de aanvallen van zijn vriend, hij merkte tot zijn smart, dat dit niet den minsten invloed had op Wüsting, en dat in zijn eigen hart nu en dan iets opkwam, : wat hij vroeger nooit had gekend : de twijfel.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's