Feuilleton.
Verschoppelingen
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
55) Voor zijn huisgenooten en zijn vader bleef hij uiterllik de geloovige Paul. Hij redeneerde altijd liefst uit de Schrift, en niemand merkte het, dat het hoe langer hoe meer zijn hart koud liet. Hij ging even trouw naar Kerk en Zondagsschool als altijd, bleef streng voor zich zelf, toegeeflijk voor anderen, en niemand kon vermoeden, dat hij niet nauw met God leefde.
Toch werd de wereld hem steeds liever ; zóó lief, dat zijn wezenlijke wenschen zich beperkten tot de dingen der wereld. Reeds was hij het zich een enkelen keer bewust gewonden, dat, hoewel hij zich steeds stipt aan de geregelde gebedstijden hield, hij toch in lang niet werkelijk, gebeden had, en zich niet kon herinneren, sedert wanneer hij waarlijk als voor 't aangezicht Gods was geweest. En zelfs toen hij zich dat was bewust geworden, had het niet zijn verlangen naar gemeenschap met zijn Zaligmaker, ja zelfs geen enkele geestelijke begeerte opgewekt.
Hij voelde zich leeg, maar zag de wereld vol ; hij voelde zich koud ; maar 't warme wereld-leven lokte hem. Hij ging geheel op in zijn studie. De studie was zijn hemel en in dien hemel was hij zelf de hoogste god. Soms kwam een woord — als uit den hooge — tot hem : „Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is ; zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem (1 Joh. 2 : 16). Dan schrok hij op. Want hij voelde 't, hoe zijn liefde voor de studie de liefde des Vaders in den weg stond.
„Hetgeen In de wereld is". Voor hem was dat niet wereldsche pronk en praal, eer en roem en zingenot; maar 't was zijn hartstocht voor de bouwkunst. In de bouwkunst ging hij geheel op : die vervulde geheel zijn ziel ; de allereerste vezels van zijn diepste leven voelde hij wortelen in — „hetgeen in de wereld is" — in wat „voorbij" gaat met de vergankelijke wereld" — in de...... bouwkunst. Voor hem was het niet : God dienen in de studie ; maar — God dienen óf de studie.
Hij voelde 't met een rilling, die er door zijn ziel voer, dat hij de studie gekozen had. Daarom was zijn godsdienst enkel uitwendig. Daarom bad hij niet meer in geest en waarheid : hij voelde 't een onmogelijkheid.
Doch zijn eigen vader, met wien hij iederen avond sprak, en Hillebrand en zijn gezin, waar hij als een zoon in huis was, merkten weinig daarvan. Zelfs voor Marie, die een zeer grooten brief van Paul had ontvangen, bleef het verborgen.
Doorgaans was hij 't zich zelf niet bewust.
Wüsting werd stiller. Niemand die dat beter gadesloeg dan zijn trouwe vriend. Er moest iets haperen ! Mijnheer Diedrlks veronderstelde dat ook : Wüstings werk was soms allesbehalve accuraat. Jegens Paul was hij nog wel vriendelijk, maar hij hield zich veel meer op een afstand. Paul vischte wel naar de oorzaak, doch Wüsting hield de poort, van zijn verborgen wereld gesloten. Eens, dat ze samen de teekenzaal verlieten en de woning van den architect voorbij gingen, scheen Pauls blik naar 't eerste raam van de linker voorkamer getrokken te worden. Even slechts sloeg hij 't oog naar rechts half achter 't gordijn stond Clara, de jongste dochter van den bouwmeester.
Even, een polslag slechts, hadden hun oogen elkander ontmoet ; als een bliksemvonk, langer niet, en dan hadden ze beiden de oogen neergeslagen ; toch had Paul haar zien blozen, en zich zelf voelde hij 't bloed naar 't hoofd stijgen, 't Was bij hem ingeslagen : ze was schoon, zoo bekoorlijk ! Iets verrukkelijiks, mysterieus voelde hij ; de zoetste zoetheid duizelde In hem en om hem : hij was als betooverd.
Haar beeld bleef In hem, zóó als hij haar, half achter 't gordijn en zijn oogen zoekend, in een ondeelbaar oogenblik had gezien. Hij nam haar mee, waar hij ging. En hij ging wel, naast zijn vriend, de lange straat ten einde, en dan alleen den weg naar Winnewoud, maar In zijn geest ging hij altijd juist voorbij dat raam. En als hij thuis kwam teekende hij wel —• neen hij teekende niet — had hij wel het papier vóór zlch, maar 't bleef : zoó als het was : vóór hem een raam, waardoorheen hij in den eindeloozen nevel zag en in dien nevel dat wonder machtig schoone beeld van Clara.
Had hij meermalen een ander beeld gezien, dat van Virginie, dat hem optnok naar omhoog, naar 't aller-allerhoogste, — dit beeld wees hem naar 't grootste geluk op aarde.
Dien nacht sliep hij bijna niet. En den anderen dag was Wüsting onvriendelijk jegens hem. Doch met geen mogelijkheid kon Paul verzinnen, wat zijn vriend tegen hem mocht hebben. Toen bij 't naken van den avond de een na den ander de zaal verliet, ging Wüsting zonder Paul. En Paul — dacht aan 't raam, aan 't tooverraam. Hij hunkerde er naar, om er voorbij te gaan, alsof hij nog eens een blik zou werpen in de verrukkelijke heerlijkheid dezer aarde ; en hij schrok er voor terug, alsof daar een roofdier op de loer lag. Toen hij, met kloppend hart, om den hoek kwam, zag hij juist dat Wüsting, het oog spiedend naar 't bekende raam gericht, zich achter een boom terugtrok. Terstond was hij zóó verward, dat hij beslist niet door 't raam wilde zien, en toch deed hij het : hij zag haar als gisteren, met haar oogen de zijne zoekend, maakte een kleine buiging — én ging, beleefd groetend, voorbij. Hij was er zeker van, dat Wüsting opzettelijk daar had gestaan, om vooral haar te kunnen zien. Paul vroeg hem, of hij mee opwandelde naar huis, doch hij zei niets en slenterde den anderen kant uit.
Het hart als in een maalstroom, ging Paul naar huis. Hij begon te vermoeden, dat zijn, vriend op Clara verliefd was, en minstens al zoo lang als deze cursus duurde. Misschien had Clara In 't halfdonker gisteravond, en ook dezen avond zich verkeken, en haar zoekend oog niet hem, maar Wüsting bedoeld. Dit vermoeden wekte eenerzijds teleurstelling in hem : zij was zoo wonder schoon ! Uit haar oog, hoewel 't smeekte, straalde zóó veel geheimzinnig geluk, zulk een onbeschrijfelijike, kalme blijdschap, alsof in haar ziel de reinste vrede nooit verstoord werd. En anderzijds stilde dat vermoeden in zijn hart de onstuimigheid der worsteling tusschen wat van beneden en wat van boven was.
Den anderen dag was hij geheel kalm. Hij voelde een rust als na een geweldigen storm. Voortaan zou hij zoover mogelijk om 't huis heengaan en nooit meer naar 't raam zien. Hij billijkte de onvriendelijikheid van Wüsting en deed al 't mogelijke, om weer met hem op goeden voet te komen. Door een anderen, den Intiemsten, vriend van Wüsting kwam hij te weten, hoe de vork in den steel zat. Wüsting had reeds lang zin in Clara en haar op allerlei wijze 't hof gemaakt, doch zij hield niet van hem. Hij wist, dat de eenige zoon van mevrouw Westerzee, die zeer rijk was, veel bij Diedriks in huis kwam, en alleen om Clara.
Men had die twee al meermalen samen gezien, maar wist te verzekeren, dat zij achterbaks met Westerzee den draak stak. En daar was reden voor, want wijlen de heer Westerzee, voor drie jaar gestorven, was in de geheele omgeving nog meer bekend door zijn zonderlingheid, die vaak aan onnoozelheid deed denken, dan door zijn rijkdom. En daarin was de zoon geheel het evenbeeld van den vader. Studeeren was hem steeds onmogelijk geweest. Soms leek het, of hij niet meer verstand had dan een kind, en daarom meenden velen, dat hij niet goed wijs was. Doch wie hem bij verschillende gelegenheden hadden hooren speelen, zeiden, dat ze „geen begrip hadden van den vent, want dat niemand het zoo kon". In den kring der rijken, waar hij zich uitsluitend bewoog, spotte men met hem en de gewone burgers, die voor ieder heer en dame de pet afnamen, keken niet eens naar hem, terwijl het mindere volk niet anders dan met schimp hem bejegende.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's