Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Op het slot en in den tuin heerschte onder heel het dienstpersoneel de feestelijke drukte, die aan den grooten dag voorafging : er was zooveel te bezorgen, maar elk volvoerde de opdracht met energie en blijheid, alsof allen deelgenooten zouden zijn van het groote geluk, leder was het zich bewust, dat al die toebereidselen de door allen geliefde „juffrouw", „juffrouw Kooijker" golden. Ja, ook wel haar geliefden Paul Dilleman, den jongen vriend van mijnheer, den vereerden architect, maar toch in de eerste plaats „de juffrouw".
In deze drukke dagen genoot Marie meer vrijheid dan ooit hier op 't slot. Per landouwer bezochten zij familie en vrienden in Delberg en Winnewoud en Mark Mons in Oldouwe, en overal werden ze onthaald als een vorstelijk paar. Veel hadden ze tot nu toe niet aan elkander gehad en wie hen liefhad, gunde hun gaarne deze blijde mooie dagen.
Was de rit niet te ver, dan vergezelde de oude heer het jonge paar, die daardoor werkelijk wat opmonterde. En daar het verkeer in de buitenlucht, nu vooral met de heerlijke Meidagen, hem in elk opzicht goed deed, was hij zeer dikwijls met Marie of Paul, of met beiden gelijk, buiten.
Nog maar twee dagen, dan zouden ze in den echt verbonden worden, 't Was zulk een stille, blijde dag geweest. Mijnheer Frederik. Terlingen Boss was tweemaal even komen overloopen, zooals 't heette, om nog een kleinigheidje met den architect te bespreken, maar in werkelijkheid, om nog eens van 't geluk van het bruidspaar te genieten, want mijnheer Frederik hield veel van Dilleman, en discourste gaarne met hem, ook over zijn eeuwige, zijn hoogere belangen. Freule Virginie had al veel daarover met hem gesproken, en haar vader ook soms, want op „Vierspronck" werd ernstig geleefd. Beleefdheidshalve, en het zwakke zenuwgestel van den ouden heer ontziende, had mijnheer Frederik nooit veel tegengesproken, meestal toegestemd, hoewel hij innerlijk zich verzette. Mét Paul Dilleman sprak hij zoo vrij als met een broer en wierp hem tegen zooveel hij wilde, zoolang tot hij niets meer in te brengen had en zich gevangen gaf. En wie zich aan Paul gevangen gaf, die had het niet kwaad : die voelde een hart en een hand, teer maar vast, om hem naar Jezus te leiden. Want Paul bleef voor zijn gevoel de verschoppeling, ieders mindere, tegenover allen met iets ongeschikts in zijn gedrag en woorden.
En 't had mijnheer Frederik getroffen, dat Dilleman ook in deze hoog gelukkige dagen zoo geheel zich zelf bleef, de man, die 't „duurzaam goed niet van de aarde verwachtte", en toch zijn aardsche roeping zoo ernstig opnam. Voor de tweede maal op dezen dag was hij in druk gesprek met Paul geweest, en 't zou langer geduurd hebben, indien de vaste huisregelen ef geen eind aan hadden gemaakt.
Nu tegen 't naken van den avond, maakten de oude heer en Paul nog een kleine wandeling langs den straatweg tot aan de nieuwe villa. Reeds keerden ze terug, en weken uit voor den naderenden omnibus. Doch juist hier waren de straatmakers het laatst bezig geweest, om er morgenochtend weer te beginnen. De steenen van een wegstrook lagen ruw gestapeld op den kant van den berm. Omdat hier het nu te berijden deel van den weg niet te breed .was voor den grooten wagen, liet de postillon de paarden stapvoets gaan, zoodat de beide wandelaars heel gemakkelijk door de ruiten al de passagiers konden opnemen en een paar kennissen groeten.
De linkerwielen kwamen evenwel te dicht langs de strook, waar de steenen waren uitgehaald, en terstond begon de groote wagen te hellen, de wielen kwamen op 't kantje van de opwippende steenen en zakten diep in 't zand, zoodat de wagen 't onmogelijk staande kon houden. Paul zag onmiddellijk het gevaar, vooral voor den ouden heer, die alleen niet snel genoeg uit de voeten kon komen, want hij moest over den twee voet hoogen stapel steenen heen, om veilig te zijn. Nauwelijks had Paul het gevaar gezien, of hij greep den man onder de armoksels, om hem met een forschen ruk over de steenen te zetten en hem terstond na te springen. Maar toen hij hem ophief, voelde hij een bons tegen den rug, zag den ouden heer vallen, voelde een slag tegen 't hoofd en verloor zijn bewustzijn.
Eer hij den ouden man hoog genoeg had opgetild, had de vallende wagen hem tegen den grond geworpen. En hij zou hem hebben verpletterd, indien het rijtuig, door de hooge bovenlading van vier zware koffers, niet tegen één der eiken langs den weg, ware tegen gehouden. Doch door den hevigen bons was Paul met het hoofd tegen de steenen gesmakt, zóó hevig, dat hij terstond bewusteloos was.
De postillon was van de bok gesprongen en hielp de vreeselijk ontstelde passagiers uit het rijtuig, waarna men allereerst de beide heeren buiten gevaar bracht, om daarna den leegen wagen weer op te richten.
Op „Vierspronck" had de vrouvv van den koetsier het onheil van den omnibus gezien en luide om haar man roepend, was ze den weg opgeloopen. De keukenmeid had terstond aan een ongeluk gedacht en was ook heen gehold, en zóó was de een den ander gevolgd, tot allen, die op 't slot thuis behoorden, in enkele seconden de plaats van 't onheil hadden bereikt. Marie was 't laatst aangekomen.
De oude heer kreunde van hevige pijn. En dat greep al zijn onderhoorigen met heftige ontsteltenis aan ; maar niemand meer dan Marie. En wat onbeschrijfelijk veel vreeselijker voor haar was, — haar Paul kreunde niet, bewoog zich niet, maar lag daar met een glimlach om den mond.
Ontzaglijk, wat er in de ziel van de bruid omging !
Eenigen stonden te jammeren, anderen de handen te wringen, en de vraag : wat moeten we beginnen ? — herhaalde zich zonder dat er iemand op antwoordde.
Marie lag als een levend marmerbeeld geknield naast haar bruidegom. Even bracht de de hand aan zijn pols. Haar lichaam schokte zichtbaar. Dan in eens, terwijl ze bibberde als een koortslijderes, zag ze om zich heen.
„Martens ! — zei ze tandenklapperend —• vlieg te paard naar den dokter en vraag aan mijnheer Frederik of hij je onmiddellijk te paard volgt !"
Martens liep terstond zoo hard hij kon naar den stal, en even later kwam hij denzelfden weg te paard terug, in snelle vaart om den dokter. En intusschen had Marie twee paardeharen zittingen uit den omnibus laten halen, en daarop, heel voorzichtig, met behulp der aanwezigen de beide patiënten gelegd.
Paul leefde : dat wist ze en daarom was ze zoo sterk, en had ze haar zinnen zoo goed bij elkander.
Mijnheer van Olmwold, die vreeselijk jammerde over pijn in zijn been, dat wellicht gebroken was, kon zittende vervoerd worden ; maar Paul moest blijven liggen, doch de acht voet lange zitting was te slap, om hem daarop naar huis te dragen. Doch vlak bij zag ze een planken hek, en daarop werd nu, het kussen, waarop Paul lag, geschoven, en zoo droeg men de beide lijders naar huis.
Mijnheer Frederik, te paard, kwam den treurigen stoet tegen : de plotselinge ontsteltenis was hem aan te zien.
„Snel om den dokter!" zei Marie en, hij vloog weg.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's