De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

5 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Hij hield op, en wilde de hand van Marie loslaten, doch nu hield zij de zijne vast. 't Werd zoo rustig in haar hart bij 't hooren van die woorden uit dien mond : ze had daar willen blijven staan, als de oude heer maar zóó door sprak. Als die vreemde menschen, de dokter, de predikant en mijnheer August daar maar niet waren, zou ze ook gaarne iets terug willen zeggen tot vertroosting van dat oude, zoo zwaar beproefde, zoo diep bedroefde hart. Straks als ze met haar ouden vriend en lotgenoot alleen was, dan zouden ze samen spreken en — samen zich stellen voor 't aangezicht des Heeren. Wat ging dien anderen hier hun beider leed aan ? — Iets moest ze hem toch zeggen, en opdat de anderen 't niet zouden hooren, fluisterde ze in 't oor van den ouden man, terwijl de tranen over haar gelaat parelden :
„De Herder zal Zijn volk niet begeven. De Herder kent den tijd van 't gaan der schapen naar de wei. Wij willen stil zijn en wachten, — wachten."
Terwijl mevrouw van Olmwold en mijnheer Frederik, door haar meegetroond, binnenkwamen, ging Marie weer naar de andere kamer, waar ze zich alleen wist met haar God en met haar lieven doode. Eerst deed ze de deur toe, en zette er een stoel voor, opdat men haar niet zou overvallen, en dan knielde ze neer naast het bed, bij 't hoofdeinde.
Zoo als ze nog nooit met een mensch had gesproken, met haar lieven Paul zelfs niet, zóó sprak ze met haar God, van hart tot hart, 't Duurde lang, maar eindelijk toch gaf ze haar bruidegom over aan Hem, die meer recht op hem had, en meer hem lief had, en die oneindig meer hem gelukkig kon maken, dan zij.
„O, Heiland ; dat slechts begeer ik, dat Gij mij kracht geeft, om mijn smart te dragen en dat Uw Naam daarin verheerlijkt worde."
Mevrouw had al tweemaal geklopt, doch Marie had het niet gehoord ; nu klopte ze weer en Marie nam den stoel weg en opende de deur.
„Lieve Juffrouw ! u moest toch wat gaan eten !"
„Ja mevrouw ! — Mag ik het dan hier alleen doen ? "
„O, zeker! — Laat ik u dan bedienen !" Mevrouw trok terstond de deur weer toe en ging heen, eerst den heeren verzoekend om „de juffrouw" alleen te laten, en dan, om wat goeds voor Marie op te disschen.
Reeds den anderen dag kon men met Marie over de begrafenis spreken. Zij wilde dat die uiterst eenvoudig zou zijn. Vader Dilleman, de kuiper en zijn vrouw en kinderen. Mark Mons, Stevelaar de aannemer, haar vader (moeder was weer ziek), haar broer en zusters en nog enkele vrienden uit Winnewoud en Delberg werden tot de begrafenis uitgenoodigd ; natuurlijk ook allen, die op de „Vierspronck" thuis behoorden en mijnheer en mevrouw Frederik Terlingen Boss.
Aangaande één zaak meende men haar niet terwille te mogen zijn : zij wenschte, dat zij zelf, en vader Dilleman, de kuiper en zijn vrouw en kinderen, mijnheer Frederik en nog enkelen, van wie ze wist, dat ze veel van haar Paul hielden, het lieve lijk naar 't graf zouden dragen : vreemde handen deugden daarvoor niet.
De oude heer had dit plan ook gehoord, en er zijn spijt over uitgesproken, dat hij om zijn been thuis moest blijven, 't Kostte mijnheer August en mijnheer Frederik groote moeite, om haar van dat plan af te brengen. Eerst stelden ze voor, dat zij zelf met een voldoend aantal heeren uit de omgeving de baar zouden dragen, en mijnheer Frederiks broer Ferdinand zou dan ook mee komen ; daarna had mijnheer August het plan geopperd, om den dpode door oud-Zondagsschoolleerlingen van Delberg te laten dragen. In dit laatste voorstel had ze eindelijk bewilligd. De predikant zou op 't graf niet spreken ; alleen maar lezen Openb. 21 vers 1 tot 7, en daarna bidden. Doch vooraf, zoodra de kist in 't graf was neergelaten, zouden allen zingen het nu in Delberg, Winnewoud en Berndijk overal bekende lied:

Neen, niet van de aarde
Het Berndijiker kerkhof, op minder dan een kwartier gaans van den viersprong gelegen, zeldzaam rustig onder 't lommer van hoog geboomte, te midden van bosschen en koornvelden, was zelden door zooveel menschen tegelijk betreden als nu Marie er haar bruidegom begroef.
Nauwelijks hadden degenen, die vlak om 't open graf stonden, de eerste woorden aangeheven, of de helft van allen die op 't kerkhoF waren, zongen mee :
„Neen, niet van de aarde WaCht ik een goed, Duurzaam van waaRde. Zalig en zoet. Al mijn geluk. Blijdschap en druk. Redding in nood, Hoop in den dood, Daalt van dien Eenen Hemelschen Heer, D'eeuwig getrouwe Vader ter neer. Soms volgen zorgen Dreigend elkaar ; God schijnt verborgen, 't Leed schijnt te zwaar, 'k Vraag dan bedroefd, Waar Hij vertoeft; . Of Hij mij niet Toornig verstiet; Maar, schoon een moeder 't Schoolkind begaf, God blijft mijn Vader Tot over 't graf."
Zong niemand dit met droge oogen, om 't graf heen schitterde er een hemelsche glans in de tranen. Want dat „Tot over 't graf" werd er zoo kinderlijk blijde geloofd. Marie zag met den glimlach der verheerlijkten over 't graf niet alleen, maar ook over het misschien nog lange, moeilijke levenspad, dat ze zonder Paul, maar toch met haar God en Vader, zou af te leggen hebben.
En als de predikant het N. Testament had opengeslagen en duidelijk en eenvoudig daaruit eenige verzen voorlas, dan was 't Marie een oogenblik, of alle tranen en dood, alle rouw en gekrijt en moeite vér, héél ver, al achter haar lagen, en ze al dronk uit de fontein van 't water des levens.
De predikant verraste haar : hij las ook nog een paar verzen uit het 22ste hoofdstuk, de verzen 17 en 20:
En de Geest en de bruid zeggen: Kom ! En die het hoort : Kom I En die dorst heeft, kome ; en die wil, neme het water des levens om niet.
Die deze dingen getuigt, zegt : Ja. ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom Heere Jezus ! (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's