De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

6 minuten leestijd

Zelf aangegrepen door het indrukwekkend oogenblik, door die schare, allen met ontbloot hoofd en betraande oogen, en nog 't meest door die zeldzaam machtige woorden van de laatste bladzijde des Bijbels, verhief zich zijn stem zoo krachtig, dat de hooge muren van Koenkestel de woorden terug kaatsten :
Amen. Ja kom, Heere Jezus ! 't Schokte over 't kerkhof en 't schokte door de schare, maar in Marie's hart weerklonk het zóó, dat het haar lippen ontsnapte :
„Ja kom, Heere Jezus !"
Het gebed van den predikant werd voor haar een mijlpaal op haar levensweg. Alleen met haren hemelschen Vader zou ze 't pad tot het einde bewandelen. Paul had zijn taak volbracht, zij zou moedig de hare voltooien en dan ook daar zijn, waar hij was.

HOOFDSTUK XXXII.
Marie was met den begrafenisstoet thuis gekomen, regelrecht naar den ouden heer gegaan, want ze wist, dat hij weer naar haar uitzag. Ze pakte terstond zijn hand en zei, terwijl de tranen over haar bleek gelaat rolden : „Nu zullen we zoo maar weer voortdoen." „Tot de Herder ook mij haalt bij moeder en Virginie en Dilleman !" vulde hij zelf aan.
Dat de Herder ook hem nu spoedig zou thuis halen, wilde er bij Marie niet in, hoewel de oude lijder het dagelijks herhaalde. De oude man was 't laatste van haar aardsche heerlijkheid. Hem dienen en verzorgen, was nu de lust van haar leven, haar aangename taak.
Mijnheer en mevrouw August van Olmwol d en de kinderen vestigden zich nu op 't slot, geheel naar den wensch van den ouden heer, die niets meer noodig had dan de kamer, welke hij niet meer dan in een kist zou verlaten. En daar bracht Marie haar dagen en nachten door met nog een verpleegster. De jonge heer en mevrouw leefden met haar als een zuster en deden alles in overleg met haar.
Alle dagen bracht mijnheer Frederik, dikwijls vergezeld door zijn vrouw, een bezoek aan den ouden, maar geduldigen lijder. Hij hoopte zoo, dat de patiënt beteren zou, want dan alleen zou hij een nieuw plan kunnen verwezenlijken. Op 't kerkhof was het verlangen in hem gekomen, om den predikant eens te hooren preeken. Maar hij was nooit in een kerk geweest. En de vrienden zouden hem uitlachen, indien ze hoorden, dat hij naar een preek ging luisteren. Zóó maar gaan, durfde hij niet. Doch als de oude heer van Olmwold nu eens weer beter werd, dan zou hij vast weer naar de kerk willen, doch een stevigen steun noodig hebben, en daarvoor zou hij dan dienen, 't Zou dan geheel den schijn hebben, dat hij enkel ter wille van den ouden, zwakken buurvriend naar de kerk ging.
Zijn kinderlijke aard verried, bijna hem onbewust, dit plan aan Marie, die hem geheel doorzag en goed begreep, wat er in hem werkte. Zij verzon nu een beter plan, want zij vond het jammer, dat mijnheer Frederik op mijnheer Van Olmwolds herstelling zou wachten.
Ze ging naar den predikant, om hem te vragen, of hij op „Vierspronck" een eenvoudige Bijbellezing zou willen houden voor den ouden heer in zijn kamer. Zij zelf zou dan haar best er voor doen, dat de kamer vol hoorders kwam, zoodat het in alles een klein kerkje zou lijken.
De predikant wilde dit zeer gaarne doen, en zoodra Marie dit wist, overlegde ze eerst met haar ouden vriend en dan met mijnheer en mevrouw Van Olmwold.
„En dan zouden we ook mijnheer Frederik en mevrouw moeten vragen !" Dat vonden allen een kostelijk idee, vooral in 't belang van den ouden vader, die zelf daar ook veel mee ophad. Het plan zou reeds de volgende week worden uitgevoerd. Marie bracht alle mogelijke Bijbels en kerkboeken, die er in huis te vinden waren, bij elkaar, en mijnheer Frederik werd er mee in kennis gesteld en met zijn vrouw uitgenoodigd. Voorloopig zou alles geheim gehouden worden.
Mijnheer Frederik was zeer verrast en nam met groote blijdschap de uitnoodiging aan. Op den bepaalden avond was hij al vroeg in de kamer, waar reeds alles gereed was en de predikant verwacht werd. Dan kwamen ook mijnheer en mevrouw Van Olmwold binnen en daarna al het huispersoneel, de oudste kinderen, de koetsier en de tuinbaas elk met zijn vrouw, en een oude tuinknecht. De predikant kwam juist op tijd en deed, of hij in de kerk was. Er werd gebeden, gezongen, gecollecteerd, alles als in de kerk. Maar de prediking was veel eenvoudiger, veel persoonlijker dan in de kerk.
De oude patiënt lag met gevouwen handen in zijn bed, de oogen steeds naar den prediker gericht. Om het bed heen zaten de Van Olmwolds en Marie en mijnheer Frederik, en verder al de anderen.
Mijnheer Frederik luisterde zooals een hongerige eet. En toen „de dienst" was afgeloopen en allen heengingen, bleef hij alleen nog een poosje bij den ouden heer en Marie. Want daar was 't hem zoo lief; daar kon hij van hart tot hart spreken. Deze „dienst" werd nu iedere week herhaald. Mijnheer Frederik ontbrak er nooit en bracht de derde maal zijn vrouw mee, die in 't vervolg ook meest altijd mee kwam. De oude heer takelde langzaam af, doch in 't najaar scheen hij weer op te fleuren. Maar 't bleek een laatste glimp vóór 't einde te zijn.
Op een avond in 't begin van December, terwijl Marie naast zijn bed zat, hoorde zij hem fluisterend, langzaam zeggen :
„Hoor ! — ze zingen : Ik zal Uw — Uw —Uw naam " Hij scheen verward te geraken, en Marie hielp hem terstond en zei het versje op : Ik zal Uw Naam met dankerkentenis Verheffen, U al mijn geloften brengen ; 'k Zal liefde en lof voor U ten offer mengen, In 't heiligdom, waar 't volk vergaderd is. Ik zal met vreugd in 't Huis des Heeren gaan. Om daar met lof Uw grooten Naam te danken. Jeruzalem ! gij hoort die blijde klanken. Elk heff' met mij den lof des Heeren aan. (Psalm 116:10, 11).
Marie had het gezien, dat hij, bewonderend, de rechterhand een weinig had opgeheven, en starend als naar iets zeer heerlijks, had gelachen en een knikkende beweging met het hoofd gemaakt. De verpleegster kwam binnen, en als ze een poosje den ouden heer gade sloeg, fluisterde ze Marie in 't oor :  „'t Wordt sterven."
Zij waarschuwde mijnheer August en mevrouw, die spoedig kwamen. De geest van den stervende scheen reeds ver weg te zijn. Men wachtte nog lang op een laatste woord doch 't kwam niet.
Om middernacht ontsliep de oude heer Van Olmwold in Jezus.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's