De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

8 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

„Een nieuw logeetje voor 't slot !" zei hij, terwijl hij de paarden aan den korten teugel omwendde. Hij beklom de bok, en 't rijke gespan liep weer huiswaarts.
Mevrouw Van Olmwold wist niet, wat van de zaak te moeten denken, toen ze, door 't raam, het rijtuig met Marie er in terug zag keeren. Ze liep terstond naar buiten, en daar zag ze op den schoot van Marie den kleinen stumperd. Eer Marie volledigen uitleg gaf, zei ze :
„Laat Martens dadelijk naar den burgemeester gaan en zeggen, wat er gebeurd is." De koetsier droeg de paarden over aan den staljongen en liep in een drafje heen. Marie vertelde, nog wat breeder de geschiedenis ; straks zou ze alles omstandiger verhalen : 't kind moest eerst wat te eten hebben.
Och, wat had het schaap een honger ! En als 't zijn buikje vol had, werd hij ter dege gewasschen, zijn nageltjes en haar geknipt, en — gekleed in kleertjes van een der kinderen van mevrouw, 't Was meteen een „heerenkind".
En 't wilde al maar bij Marie zijn. 't Jongske noemde zichzelf Korri, en als men hem vroeg, hoe oud hij was, sprak hij — zeer gebrekkig — nu eens van twee, dan eens van acht en soms van twintig jaar.
Men veronderstelde, dat hij in zijn vierde jaar was.
Maar hoe zou men nu ? Allerlei raad werd te berde gebracht ; doch al spoedig wist Marie, wat ze wilde. Het huis voor haar en Paul bestemd, stond daar nog altijd gemeubileerd, doch onbewoond.
Daar wonen met den kleinen Korri, en dan — den ouden vader Dilleman daar ook halen, om er zijn laatste dagen in rust te slijten ! Wie weet, hoe hulpbehoevend de man zou worden, en wat een genot zou 't haar zijn, hem te verzorgen !
van den woonwagen kwam men niets meer te hooren. Men vermoedde, dat de menschen uit het verre Brabant of Vlaanderen kwamen, om den eigenaardigen tongen klankval van Korri.
Daarheen waren ze zeker teruggekeerd. Drie maanden later reeds had vader Dilleman zijn intrek bij Marie genomen. En steeds opnieuw bleek het, hoe Paul in die twee harten voortleefde : elken dag werd er over den allerliefsten, .\dien ze ooit op aarde hadden gekend, gesproken, soms met een zeldzamen glimlach ; vaak met tranen in de oogen.
Korri, de kleine verschoppeling, was de lieveling zoowel van „vader" als van Marie, 't Gemis van Paul was als een somber wolkengevaarte, doch Korri's tegenwoordigheid was als een zonnestraal tusschen die wolken door. De beide menschen maakten zich zelf en elkander wijs, dat het ventje op Paul geleek.
Een half jaar later had de armvoogdij van Delberg twee kinderen uit te besteden, weesjes, een jongetje en een meisje. Zoodra Marie er van hoorde, begaf ze zich terstond naar een der beide armvoogden en wist zoo te spreken, dat zij de kinderen mocht meenemen.
Ze had nu drie kinderen, die uit-en inwendig goed verzorgd werden. Mevrouw Van Olmwold vreesde, dat Marie het veel te druk zou hebben, en meende, dat ze zich van een dienstbode moest voorzien. Doch Marie voelde het weldadige van den arbeid als de beste medicijn tegen wat haar, zonder dat iemand het merkte, zoo scherp in haar ziel kneep : 't gemis van haar Paul en de verstoring van haar aardsche geluk. De dagelijksche arbeid en zorg voor haar verschoppelingen was als een aangename druk te in de stille leegte van haar ziel en bracht er een behoorlijke volte.
Doch zij had gemerkt, dat Griet Kodde, die vodden en bonken opkocht langs wegen en straten, het meisje, dat met haar de kar duwde, slecht behandelde, 't Was één van Griets stiefkinderen. Marie had meelijden met het ongelukkige schepsel, en zoodra de voddenkoopvrouw weer langs den weg kwam, hield Marie haar aan, en zei, dat ze om een aankomend dienstmeisje verlegen was, en gaarne dat kind wilde hebben. De vrouw liet zich werkelijk overreden, en zoo kreeg Marie haar eerste „hulp". In elk geval hoopte zij Sijbrechtje zoo ver te brengen, dat ze er eerlang eenige hulp van zou hebben.
Werkelijke hulp had ze steeds van den ouden vader Dilleman, die elke nieuwe verschoppeling met blijdschap begroette. Het was, of de man de misdaad aan zijn eigen kind herstellen wilde door Marie in haar arbeid voor deze kinderen zooveel mogelijk bij te staan.
De menschen gingen reeds elkander vertellen, dat juffrouw Kooijker heel haar leven wilde wijden aan 't verzorgen van verstooten kinderen. En dat gerucht bereikte al spoedig ook Winnewoud.
Toen kwam Hillebrand naar Marie. Bij hem in de buurt was een kind met een waterhoofd. De ouders waren arm ; maar wat hem zoo vreeselijk had getroffen, was, dat die ouders alle dagen blijkbaar uitzagen naar den dood van dat kind, omdat het toch niet oud kon worden, 't Kind werd verwaarloosd en leed honger. Of Marie niet ....
Ze viel hem in de rede:
„Dat kind zal dus jong, moeten sterven, Hillebrand ! — En 'k zou 't toch liefkrijgen, en vader ook ! — En 't zou dan sterven ! En er is mij al zooveel van 't hart gescheurd, zooveel dat ik meende, nooit te kunnen missen. — Hillebrand "
„Vergeef mij — zei hij — dat ik daaraan niet gedacht heb. Wij zullen er wat anders op verzinnen. — Och Marie toch ! er is zooveel ellende in de wereld !"
Mijnheer Frederik had allang vermoed, wat nu de menschen vertelden. Hij en zijn vrouw bezochten juffrouw Kooijker nu en dan, maar nu wilde hij haar eens alleen spreken.
Zijn villa wachtte nog altijd op een naam: of de juffrouw er iets tegen had, dat hij het mooie gebouw „Paul Dilleman" noemde.
Ze had er niets tegen.
Doch nóg wat ! Als ze zoo voortging met al maar jonge ongelukkige kinderen op te nemen, dan zou haar huis te klein worden.
Hij zou gaarne het verlaten slot aan haar afstaan als ze daarvan gebruik wilde maken.
„Ik heb daarover al zeer ernstig gedacht mijnheer ! Doch dit huis is mij vooreerst groot genoeg. En komen er meer kinderen dan ik hier behoorlijk bergen kan, dan weet ik daarvoor een andere plaats !"
Ze zei dit met iets oolijks in den blik, dien hij meende te verstaan : hij glimlachte even en zei :
„Bij mij in huis, zeker ? " „Welnu, hoe zoudt u dat vinden ? " „Hoe u, juffrouw ? " „Niet goed, mijnheer !" „Dacht u, dat ik de kinderen niet Christelijk zou opvoeden ? "
„Christelijk wel ; maar te rijk, te weelderig voor verschoppelingen. Of —, U zoudt ze meteen een voldoend kapitaaltjè moeten vermaken. Mijn kinderen moeten menschen worden voor de maatschappij, ik bedoel, ze moeten zich met God en met eere, zonder geld, door de wereld weten te helpen. Hun voeding, kleeding en opvoeding moeten daarop gericht zijn !"
, , Ik versta u, juffrouw ! en ik begrijp, dat ik u niet van dienst kan zijn." „Maar dan begrijpt u 't verkeerd. Zie eens, mijnheer ! U hebt een tuinbaas, die God vreest ; en zijn vrouw ook, nietwaar ? " , .Beslist juffrouw !"
„Maar kinderen hebben ze niet. Zoudt u niet denken, dat ze wel gaarne een verschoppelingetje of weesje zouden willen in huis nemen en 't goed verzorgen — als ze er brood voor hadden ? "
De dikke heer knikte welgevallig met zijn hoofd.
„Begrepen ! — zei hij — 't eerste verschoppelingetje, dat er nu komt, zal voor mijn rekening zijn tehuis krijgen bij mijn tuinbaas. 't Zal 't goed hebben bij Karel en Mien !"
Ja, doch dat ging maar zóó niet. Zij zelf moest er eerst genoeg hebben ; liefst minstens nog twee : dan was 't zestal vol.
Doch ze wilde afwachten, hoe de Heere. de zaken leidde, en mijnheer Frederik vond dat dan ook het beste.
Twee jaar daarna had Marie, behalve Sijbrechtje, die flinke hulp voor haar werd, vier kinderen in huis ; en mijnheer Frederik had er een voor zijn rekening bij zijn tuinbaas. Mijnheer Van Olmwold had er voor zijn rekening een jongetje bij Martens, den koetsier, wiens huwelijk ook niet met kinderen was gezegend.
En meer en meer en immer in wijder kring werd het bekend, dat Juffrouw Kooijker aan den Viersprong bij Berndijk plaats wist voor ouderlooze en verstooten kinderen; maar evenzeer kwamen gehuwde lieden zonder kinderen, en die toch wel wat meer vroolijkheid en gezelligheid in huis wenschten dan een hond of kat kon aanbrengen, het te weten, dat men bij haar misschien terecht kon, mits er genoegzame zekerheid bestond, dat men het kind naar behooren zou voeden en kleeden en beslist Christelijk zou opvoeden.
Mijnheer Frederik sprak nog wel eens met haar over zijn oude slot, om er zooiets als een weeshuis van te maken.
Doch Marie bleef er bij, dat 't het allerbeste was, zooals het nu ging : 't was veel beter voor de kinderen. Zij had het aan Paul gezien. Geen weeshuis, geen gesticht had hem kunnen geven, wat hij in 't eenvoudig gezin van Hillebrand had ontvangen.
„En ik zelf — mijnheer ! ik was toch ook verschoppeling, een kind, een uitgestooten kind — geheel afhankelijk van de barmhartigheid of van 't winstbejag der menschen ; als zich freule Virginie eens niet over mij had ontfermd I"
Zij deed al haar dagen zoo maar voort met haar verschoppelingen, in stilheid wandelende met haar God, zich verblijdend over 't snelle vlieden der jaren, en beidend den grooten dag der eeuwige hereeniging mef hare geliefden.

EINDE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's