De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kleijne Luijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kleijne Luijden

SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN

5 minuten leestijd

„Ik gevoel mij zoo vreemd, en durf mij ook niet tot slapen neer te leggen".
Zij wist het niet, omdat Sien beter vond het haar niet te zeggen, dat de thermometer reeds 39.6 wees.
„Wil je hebben dat wij dokter laten komen ? "
„Neen, maar ik zou zoo graag willen dat je van nacht bij mij kondet blijven".
Dat is voor tante Sien 'n moeilijk oogenblik geweest. Want zij stond altijd voor elk klaar, van den morgen tot den avond, maar 's nachts was zij bij Henkie thuis. Omdat zij wist dat het niet zoó laat worden kon of hij wachtte haar op. Dan zaten zij nog eenigen tijd gezellig bijeen, hij vertellende van zijn lessen, en wat meester of Sander of Rijpkema of Burenga gezegd had ; zij van het­ geen dien dag door haar was beleefd. Voor beiden was dit het hoogtepunt van den dag en 't zou een leegte in hun leven zijn, als dit werd weggenomen.
Nu wilde Bet van avond en van nacht ook beslag op haar leggen. Was het niet te veel gevergd ? Doch de tweestrijd duurde kort. Sien zag den koortsgloed in dat schitterend oog, dat fonkelde als een diamant, en dien onnatuurlijken blos op dat anders zoo bleeke gelaat. Zij had te veel aan de ziekbedden gezeten, dan dat zij niet begreep. En daarom was haar besluit genomen.
„Als je vader dan even naar de „Viersprong" gaat om het Henkie te zeggen. Het zal een teleurstelling voor hem zijn, maar
„Neen, dan wil ik het niet ; ik mag niet te veel van je vergen. Je bent al zoo goed voor mij, en vader kan ook wel bij mij waken als het noodig is".
„Wij zijn immers afgesproken, Bet. Ik blijf; Henk kan ook wel voor een keer alleen, en anders bij Rijpkema slapen. Als hij straks de wereld in moet, raak ik hem tóch kwijt".
Hier werd tante Sien voor een oogenblik bedroefd en vergat zij, verpleegster te zijn. Maar zij had óók haar leed, en 't zou zoo eenzaam worden, ats die jongen, die de lust van haar leven werd, zonder wien zij zich haar leven niet voorstellen kon, van haar zou heengaan. Toch lag dat in de naaste toekomst, en dat greep haar een oogenblik aan. Zij was toch een mensch van vleesch en bloed, die door genade geleerd had om o zooveel te geven, maar die daarentegen óók behoefte had om te ontvangen.
Met een diep gevoel van medelijden keek Bet haar trouwe verpleegster aan. Zij peilde iets van haar leed, al begreep zij niet.
„Wat kan het leven zwaar zijn, tante" — aldus wilde zij troosten. En verder : „'k ben zoo bang, dat ik je last nog zwaarder maak".
„Bekommer je daar maar niet over, kind ; het is al weer voorbij".
Bet had op de lippen om meer te vragen, maar iets eigenaardigs in Sien benam haar de vrijmoedigheid om te trachten meer te weten te krijgen. Bovendien had eigen last de overhand.
„'t Is hier zoo warm" — klaagde zij. En dat terwijl daar buiten een koude Noordooster woei, en volgens zeggen van Sjerp, toen hij na het melken met zijn kameraad van „Unia-State" huiswaarts keerde, er sneeuw in de lucht zat.
In den scheerwinkel waar baas Mulder de klanten toediende, was anders geen praat, dan over het weer en de vrieskansen. Want hoewel nijpende kou vanzelf meerdere uitgaven meebracht, wenschte toch elk dat 't vriezen ging. Wat was nu een winter zonder ijs. En er werden sterke stukken verteld van het jaar zooveel, en den winter van 18 , toen vanaf November tot Maart de vloed was gestremd en zelfs de zee in boeien werd geslagen.
Maar Mulder zelf deed ditmaal niet als gewoonlijk mee aan de gesprekken. Zijn gedachten waren in het achtervertrek, waar Bet met zoo'n hooge kleur lag te hijgen, heel anders dan gewoon. Toen de laatste klant vertrokken was, werd in de werkplaats vroeger dan anders het licht uitgeblazen, omdat ook hem een heimelijke vrees beving. Zou hij zijn kind dan toch moeten missen ? om dan voortaan eenzaam door 't leven te gaan ? Hij kon het zich niet indenken ; hij wilde hier ook niet bij stilstaan, want hij kón haar niet missen.
Doch de dood vraagt niet of het ons past, dat hij binnenkomt, en of wij 't goed vinden dat hij zijn buit meeneemt. Hij kent geen medelijden ; daarom spaart hij ouderdom noch jeugd, en vraagt ook niet naar rang of stand. De dood is wreed, omdat hij geen gevoel heeft. 't Was omstreeks middernacht. Nog altijd wilde de slaap niet komen, hoewel 't lamplicht zooveel mogelijk getemperd werd. Mulder zat stil te lezen, terwijl Sien onder het breien eveneens een blik wierp in eenige lectuur. Nu en dan werd op zachten toon gesproken, doch nooit zoó zacht, of de kranke hoorde het. Opeens scheen er verandering te komen.
„'k Ben zoo benauwd", klaagde Bet. Aanstonds was Sien aan hare zijde. Het zweet parelde op het gelaat en liep weg in de plooien van de kant om den boord van de nachtjapon. „Maak wat los" — vroeg zij. Met vaardige hand richtte Sien het zwakke lichaam gemakkelijker in de kussens. Toen met eau de cologne een weinig verfrissching aangebracht. Mulder stond verlegen bij de kachel, die terwille van de patient werd koud gelaten. Hij wist niet wat te moeten beginnen.

(Wordt vervolgd),

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De kleijne Luijden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's