De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DES HEEREN OOG.

8 minuten leestijd

Zie, des Heeren oog is over degenen, die Hem vreezen, op degenen die op Zijne goedertierenheid hopen. Psalm 33 vers 18.

De psalmdichter maakt in dezen psalm eene vergelijking tusschen de wereld, die buiten God leeft, en degenen, die den Heere vreezen en op Zijne genade hopen. De Heere schouwt en ziet alle menschenkinderen, maar Zijn oog is inzonderheid gevestigd op de kinderen Zijns volks. Ofschoon God geen vleeschelijke oogen heeft en niet ziet gelijk de menschen, worden Hem nochtans in de Heilige Schriftuur dikwerf oogen toegeschreven. Oogen, die op aller menschen wegen zijn, die in alle plaatsen zijn, beschouwende de kwaden en de goeden ; voor welke alle dingen naakt en geopend zijn. Daardoor wordt uitdrukking gegeven aan Gods alomtegenwoordigheid en alwetendheid. Zijn oog nu van gunst en welgevallen is over degenen, die Hem vreezen. Zü zijn de voornaamste voorwerpen van Zijne teedere zorg en van Zijne goddelijke voorzienigheid. Zij vreezen Zijnen naam met kinderlijke vreeze, zij schromen Zijne majesteit te beleedigen. Zij stellen het tot hunnen plicht, om Gods geboden te onderhouden en te bewaren. Waarom de psalmdichter elders uitroept: „Hoe lief heb ik uwe Wet! Zij is mijne betrachting den ganschen dag". Voorts hopen en vertrouwen zij op des Heeren goedertierenheid en verwachten met lijdzaamheid daarvan alles, wat zij voor tijd en eeuwigheid noodig hebben. Hunne hoop gaat dus niet uit naar menschelijke macht, waar zij niet durven vertrouwen op paarden, ruiters en krijgswapenen. De ijdelheid daarvan hebben zij in leeren zien, wetende, dat alleen de Heere der heeren hen kan doen triomfeeren. Zij stellen hun vertrouwen dus niet op eenig schepsel, dat uit de aarde aardsch is. Maar zij verwachten het alles van God, Die voor hen heeft gegeven Zijnen eeniggeboren Zoon en dezen niet heeft gespaard. In den naam van Christus Jezus vluchten zij tot den troon der genade, om geholpen te worden en barmhartigheid te verkrijgen ter bekwamer tijd. Niet tevergeefs is hun hopen en gelooven, waar zij daarin niet teleurgesteld noch beschaamd zullen worden. Zij mogen wachten op Hem en als Hij vertoeft, Hem verbeiden.
Welk eene vertroosting ligt er daarom in deze woorden voor hen opgesloten, dat des Heeren oog met hartelijke toegenegenheid op Zijn volk gevestigd is. Nooit laat de Heere de zorg voor de Zijnen aan een ander over, zelfs niet aan eenen engel; Zijn oog ziet en bewaakt hen ten alien tijde. Hij, Israels wachter, sluimert niet. Die groote God ziet dat geheele volk, als één geheel beschouwd, maar ook ieder, die er toe behoort, persoonlijk. Zij weten niet, wat hun wedervaren zal; maar dit weten zij, dat des Heeren oog bij voortduring op hen gevestigd staat. De gedachte aan des Heeren oog vervult hun vaak zoo onrustige hart met blijden troost en vrede. In hunne verwachting zullen zij niet teleurgesteld worden, maar hunne zielen zullen eindelijk zelfs met blijdschap worden overstraald. Het gevoel van onvrede wijkt, als het verbond met den Almachtige wordt aangegaan of vernieuwd in den naam van den eenigen Immanuël. In onderscheiding van den toestand, als God eigenlijk niet recht wordt gekend en het oog niet opgeheven wordt naar de bergen, vanwaar alleen de hulp komen kan. Dan is een mensch vaak als eene voortgedreven zee, om van den wind op-en nedergeworpen te worden. Een valsche vrede kan er dan slechts in het gemoed gevonden worden, welke somtijds op het onverwachts wordt verbroken en alleen hare ledigheid laat zien. Welk eene stille rust schenkt achter de wetenschap, dat des Heeren hand alles bestiert en dat er geen toeval in den hemel of op de aarde bestaat. Maar dat alle dingen ten slotte ten goede moeten medewerken dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. De gedachte aan des Heeren oog vervult hen al verder met een wezenlijk gevoel van veiligheid en zekerheid, om neder te zitten een iegelijk onder zijnen wijnstok en vijgeboom. Zij weten niet, wat de toekomst voor hen bergt in haren schoot. Maar zij weten, dat des Heeren oog op hen is. Als zij echter op zichzelf zien, zien zij niets dan ellende en zwakheid ; maar als zij op den Heere zien, dan zien zij niets dan barmhartigheid en genade. Zij mogen verstaan, dat de Heere is groot van goedertierenheid, omringd als zij zich wetten van Zijne liefde en trouw. Dat geldt zoowel voor hunne stoffelijke als voor hunne geestelijke belangen, waar zij voor rekening zijn van dien opgewekten Heiland en Zaligmaker, die voor hen is nedergelegd in het stof des doods en daaruit is opgewekt ten derden dage. Zijn oog rust op hen èn nu èn ten allen tijde ; niet alleen tijdens het licht van den dag, maar ook gedurende de donkerheid van den nacht. Hij is hunne hulp en hun schild. In hunne moeilijkheden zullen zij worden bijgestaan — ook in der tijden nood —, zij zullen door Zijne goddelijke hand worden uitgeholpen. In hunne gevaren zal God hen beveiligen, om de schade van hen af te keeren en opdat de verdervingen aan hen voorbij zullen gaan. Voor hunne zielen zal Hij daarenboven zorgen, om deze te verkwikken met hemelsche verkwikkingen en zoete vertroostingen. Hij komt Zich hunner te ontfermen, opdat van onder hen als eeuwige armen zullen zijn. Daarom nemen zij gestadig de toevlucht tot Hem, om op den naam Zijner heiligheid te vertrouwen. De gedachte aan des Heeren oog vervult hen eindelijk met een gevoel van zaligheid. Aanvankelijk hier in dit leven is dat reeds het geval, om Jacobs God ter hulpe te hebben. Te weten, dat Gods oog vol goedertierenheid bestendig op hen rust. Om daardoor zich te laten leiden in het spoor der gerechtigheid, waar Zijn stok en staf hen altoos zullen behoeden. Het zalig goed, hun door Zijn gunst gegeven, verlaat hen niet, maar volgt hen al hun leven. Daarenboven zullen zij ook in de eeuwigheid niet voor hunne zonden behoeven te betalen, om daar voor altijd onder den centenaarslast van den toorn Gods gebukt te hebben moeten gaan. Zij zullen eens worden toegelaten tot de onmiddellijke gemeenschap van hunnen zaligen verbonds-God. Het zal eene verzadiging van vreugde zijn, welker wedergade nooit eenig oog zag, noch een oor hoorde, noch in een menschenhart is opgeklommen. Zooals een der oude Kerkvaders dien zaligen toestand in het hemelsche paradijs beschrijft: Een leven zonder dood, zekerheid zonder vreeze, aangenaamheid zonder smart, gerustheid zonder ar­ beid, schoonheid zonder leelijkheid, sterkte zonder zwakheid, rechtheid zonder verkeerdheid, goedheid zonder kwaadheid, waarheid zonder bedrog, gelukzaligheid zonder ellende.
Waarlijk niet zonder reden prijst de psalmdichter het voorrecht dergenen, die den Heere vreezen en op Zijne goedertierenheid hopen. Schenke de Almachtige ons daartoe licht en gezicht, om Zijn goddelijk heil te mogen aanschouwen. Om niet vreemd aan dat alles te moeten zijn, om te dwalen waar geen weg is en in het donker te wonen.
In het heden der genade komt de Heere nog zondaren te roepen en te noodigen, om zich te laten gezeggen en zich te bekeeren van de dwaling huns wegs. Om te gaan betreden den weg des veelvoudigen verstands en te vluchten naar de bergen van Immanuël's land. God maakt ons door het Evangelie Zijne onbegrijpelijke barmhartigheid bekend, welke Hij geopenbaard heeft in de nederzending en overgave van Zijnen eenig geboren Zoon. Hij bukt zoó laag, dat Hij ons niet alleen noodigt, om al het heil, hetwelk in Christus is, deelachtig te worden; maar Hij vermaant er ons toe met bijzondere teederheid. Hij daagt over onze onwilligheid ; Hij vertoont ons het onbedachtzame, het dwaze, het verderfelijke van onze handelwijze ; wanneer wij namelijk ons geld uitwegen voor hetgeen geen brood is, en onzen arbeid, voor hetgeen niet verzadigen kan. Hij zweert geenen lust te hebben in den dood des goddeloozen ; maar daarin, dat deze zich bekeere en leve. Hij laat ons van Christuswege bidden, dat wy ons met Hem laten verzoenen. Daartoe gaan de liefelijke uitnoodigingen nog uit; mochten zij maar weerklank vinden in veler hart. Wie heeft lust den Heer' te vreezen, 't Allerhoogst en eeuwig goed ? Waarbij wij ook gewaarschuwd worden, om te ontvlieden den toekomenden toorn Wij weten toch, dat de tijd daarbij niet stilstaat en als met arendsvleugelen voorbijvliegt, 't Einde des levens is dikwerf bereikt, eer dat wij als reizigers naar de groote eeuwigheid daarop goed acht hebben geslagen. Gezegend zijn zij allen daarom, die hunne ziel als een buit ten eeuwigen, zaligen leven mogen wegdragen. De beloften des Heeren zijn in Christus Jezus ja en amen zoowel voor het tegenwoordige alsook voor het toekomende leven. Geen enkele daarvan kan er ter aarde vallen, totdat het alles zal zijn vervuld. Geen tittel noch jota zal er van ongedaan gemaakt worden, waar de getrouwheid Gods daarvoor borg staat voor al Zijne gunstgenooten, die Hem ter eere zingen. Daarbij is de Allerhoogste het waardig, dat ook onze mond Hem prijze en onze tong Hem roeme. Hij heeft niet van noode van menschenhand gediend te worden als iets behoevende. Maar mocht ook van ons Zijn lof ten hemel rijzen ; Hij toch is de Alpha en de Omega, het begin en het einde : Degene, Die is en Die was en Die komen zal. Stemmen wij van harte in met de bede
Geef dat mijn oog het goed aanschouw, 't Welk Gij, uit onbezweken trouw. Uw uitverkoor'nen toe wilt voegen.

Oude -Tonge

C. Vlasblom

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's