HET VERBOND GODS
VIII.
Nu blijft de mensch ook na zijn val een zedelijk wezen en God blijft hem behandelen als zoodanig. Ook de groei of ontwikkeling van den mensch gaat door, ondanks de zonde, zoodat hij een geschiedenis doormaakt. Ware nu de dood ten einde toe doorgegaan, zoo zou het menschelijk geslacht spoedig van den aardbodem verdwenen zijn geweest. Door de genade Gods wordt hem echter dit aardsche leven geschonken, zoodat zijn geschiedenis kan doorgaan, een geschiedenis onder de werking der zonde en der genade tegelijk. Maar een geschiedenis, die wordt gedragen en geleid door God den Heere tot vervulling van Zijn Raad.
Als God dan den mensch behandelt overeenkomstig zijn wezen, dan blijkt dat ook daaruit, dat Zijn verbondmatigen omgang een historisch karakter aanneemt, zoodat Hij den mensch langs een weg leidt, dien Hij in Zijn voorzienigheid heeft bereid.
Vandaar, dat het Verbond Gods van openbaring tot openbaring voortschrijdt en dat de verbonden verschillend zijn naar de historische functie, welke zij vervullen. Dit is dan ook de vergankelijke of voorbijgaande zijde van het Verbond. Deze geeft de vormen van de tijdelijke historische verwerkelijking van het blijvende en wezenlijke, dat geestelijk on eeuwig is.
Zelfs de profetie gaat voorbij, gelijk de apostel Paulus leert, en zoo is dus de gansche profetie een alle tijden omvattende historische openbaring van het Verbond Gods, dat zijn eeuwige werkelijkheid en vervulling in Christus heeft.
Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat de Geest en de Waarheid der profetie voorbijgaan, maar een eenvoudig mensch kan begrijpen, dat na de voleindiging der wereld ook de profetie in eeuwige werkelijkheid zal worden vervuld. Dan zal de gemeente des Heeren in heerlijkheid zijn en het aangezicht Gods aanschouwen. Die alles in allen zal zijn.
In dit licht kan men dus verstaan, dat het Verbond met Noach zijn bestemming heeft vervuld als de dag van Christus' wederkomst daar is. Hoezeer de trouwe Gods dat Verbond zal in stand houden tot den laatsten dag, gaat het toch voorbij, maar de grond, waaruit het voortkwam, het Verbond Gods in Christus, blijft eeuwig van kracht.
Het Verbond met Israël was evenzeer van voorbijgaande beteekenis en had naar zijn historischen vorm afgedaan met de volheid der tijden, toen de Christus verscheen, op Wien het was aangelegd.
Dat neemt niet weg, dat het in zijn vervulling in Christus een eeuwige werkelijkheid is en blijft, aangezien het in Hem het fundament zijner eeuwige werkelijkheid heeft.
Reeds werd er op gewezen, dat het Verbond van den Sinaï zoolang het Evangelie zal worden gepredikt, een opvoeder tot Christus zal blijven, waartoe het is gezet- Zoo zal ook de Wet de norm der aardsche samenleving blijven, terwijl zij haar eeuwige beteekenis en blijvende waarheid in de vervulling der goddelijke liefde heeft. De liefde is de vervulling der Wet.
Overbodig om er voorts op te wijzen, dat de ceremonieele Wet des Ouden Verbonds geen integreerend bestanddeel is van het Verbond Gods, doch vrijmachtige bepaling van den historischen vorm en van de sacramenteele symboliek eener geestelijke werkelijkheid. Heel het Israëlietische volk is als Verbondsvolk sacramenteel monument der historie, zijn cultus, zijn theocratisch koningschap, zijn gansche nationale verschijning en zijn nationale geschiedenis. Dat alles is sacramenteele uitdrukking zijner Messiaansche roeping. Maar daarom ook moest dit alles voorbijgaan, toen de volheid der tijden aanbrak en de Christus verscheen. De vleeschwording des Woords was het einde van dezen sacramenteelen vorm.
In de profetische werkelijkheid wordt de eenheid des Ouden en Nieuwen Verbonds bewaard. De profetische werkelijkheid is de Geest der profetie, de Geest van Christus, den Engel des Verbonds, die het Verbond Gods geestelijk bedient en vervult.
De Christus Zelf zegt, dat Hij het is, die ons den Vader heeft verklaard. (Joh. 1 vers 18), zoo is Hij ook de Profeet der verbonden, in Wien alle verbonden hun eeuwige kracht en werkelijkheid hebben, gelijk Hij ook elders verklaart: Mijn spijze is den wil Mijns Vaders te doen. Wederom zegt Hij: dat de Schriften van Hem getuigen. (Joh. 5).
Wanneer er dus sprake is van verandering, dan moet die gezocht worden bij den mensch : n.l. in zijn verhouding jegens God en dientengevolge ook in zijn geschiedenis.
Maar — zal iemand vragen, als ook het aspect der geschiedenis door den val des menschen een ander is geworden, hoe is dit te rijmen met de onveranderlijkheid Gods, dewijl Hij toch de historie leidt naar den Raad van Zijn wil ?
De almacht en vrijmacht Gods.
Het heeft er allen schijn van, dat zulk een vraag ons in een moeilijk parket brengt. Immers de Schrift gewaagt van vele verbonden. Daarin is telkens wijziging van vorm en gestalte. Alle verbonden zijn toch van Godswege gesteld en gij hebt verschillende malen er op gewezen, dat alle dingen geschieden naar Gods Raad, zoodat er geen ding geschiedt zonder Zijn wil, zal men zeggen.
Van dit laatste gaat geen tittel of jota af, want de Heere openbaart dit zeer nadrukkelijk en uit den mond van den Heere Jezus Christus vernemen wij : „Wist gij niet dat dit alzoo geschieden moest ? "
Wie op het terrein geen vreemdeling is, kan weten, dat de theologen menigmaal hebben geworsteld met deze vragen, en niet alleen zij.
Als het er om gaat, vertoont de menschelijke geest meer neiging om aan een in alle stukken bepaalden loop der geschiedenis te gelooven dan in een bloote toevalligheid. Heel de wetenschap is op de vastheid en orde van het geschieden gericht.
Zoo zijn er geweest, die een goddelijke voorwetenschap construeerden naar het begrip van een in alle deelen bepaald systeem, waarin dus het gansche plan tot in de geringste bijzonderheden zou zijn vastgelegd ais een exemplum, waarnaar de geschiedenis verloopt.
Het begrip, dat zij zelf voor den geest hadden, brachten zij in God over, alsof God een menschelijk verstand zou hebben. Veeltijds waarschuwt de Schrift daartegen: Mijne gedachten zijn hooger dan ulieder gedachten. (Jes. 55 vs. 8 en 9). God is groot en wij begrijpen het niet. Er is geen doorgronding van Zijn verstand. (Job 36 VS. 26). Wij zien door een spiegel in een duistere rede, zegt Paulus, (1 Cor. 13 : 12)
Wanneer wij op zulk een wijze over den Raad Gods spreken, maken wij een god naar ons begrip en moeten ons niet verbeelden, dat zulk een begrip met den levenden God van doen heeft.
Het is even dwaas als de meening, dat God van Zijn troon zou afwachten, wat de mensch doet of niet doet, om dan maar bevind van zaken als een afhankelijk en onwetend mensch te handelen.
Dat zijn alles menschelijke verzinsels en voorstellingen, welke met den eerbied voor Zijn verheven Majesteit niet overeenkomen. Zelfs, als wij in onze vroomheid op zulk een wijze willen opkomen voor de almacht en alwetendheid Gods, verkleinen wij Hem, indien wij aan onze menschelijke beperktheid een maatstaf willen ontleenen om Zijn ondoorgrondelijke heerlijkheid te meten. Wij mogen God niet binden aan, wat wij meenen, dat Hem toekomt. Uit al zulk gebeuzel komen twistvragen op, die tot geenerlei nut zijn. Laten wij ons liever aan Gods Woord houden.
Wij gelooven aan Zijn absolute Souvereiniteit, zoodat ook de zonde niet in de wereld kwam zonder Zijn wil, omdat Hij ook de zonde niet zou kunnen wegnemen, als zij ware voortgekomen door eenige macht, die onafhankelijk van Hem zou bestaan. Indien de zonde haar oorsprong had in een van God onafhankelijke macht, zou zonde trouwens geen zonde zijn. Immers zonde is ongerechtigheid tegen God, den Allerhoogste.
Hij is de eenige en almachtige God, bij Wien alle dingen mogelijk zijn.
Wij echter moeten niet pogen Zijn goddelijke almacht te doorgronden of onder een menschelijk begrip te brengen, omdat wij altoos vanuit onze eindigheid uit redeneeren, terwijl God een eeuwig Wezen is.
Zooals reeds gezegd werd, besluiten wij op die wijze den eeuwigen God binnen den kring van onze gedachten, al denken wij dien nog zoo groot. Nimmer ook moeten wij trachten de belijdenis, dat 's Heeren souvereiniteit over alles gaat, in een redebeeld te willen omvatten, als zouden wij het goddelijk bestel kunnen doorgronden. God is groot van Raad en machtig van daad.
Ofschoon er geen muschken ter aarde valt, ja, ook geen haar van ons hoofd vallen kan en geen schepsel zich roeren of bewegen kan tegen Zijn wil, is het toch misplaatst de goddelijke voorbeschikking als een systeem te willen zien volgens hetwelk de geschiedenis mechanisch verloopen zou. De heidenen hebben aan een blind fatum gedacht, maar de Heilige Schrift leert ons anders.
De almacht Gods staat Zijn vrijmacht niet in den weg.
De Schrift spreekt van Gods Raad, voornemen, welbehagen. Dat is geen blind fatum, maar getuigt van God als een welbewust en persoonlijk Wezen, van een goddelijk overleg of beleid.
Veeleer hebben wij dus voor oogen te houden, dat God, die Zijn welbehagen zal doen, gelijk Hij in Zijn Verbond openbaart, niet alleen machtig is om Zijn Raad te volbrengen, maar ook vrijmachtig om dat te doen op Zijn goddelijke wijze. Zijn almacht zou geen almacht zijn als zij niet tegelijkertijd vrijmacht ware. In Zijn vrijmacht voegt Hij op Hiskia's gebed vijftien jaar aan zijn leven toe, en Zijn almacht vervult deze belofte zonder dat Zijn Raad verbroken wordt.
Almacht is vrijmacht. Zoo is het Gods vrijmacht om al Zijn welbehagen te doen en Zijn Verbond te onderhouden ; het i.s Zijn almacht om het te vervullen in Zijn vrijmachtig bestel.
Zoo is Hij een Verhoorder der gebeden. Hoe zouden wij met vertrouwen onze smeekingen voor Zijn aangezicht brengen, als God niet vrij en bij machte ware te hooren en te verhooren en alzoo Zijn Raad te vervullen.
De Heere verandert echter Zijn Raad en welbehagen niet en doet Zijn Verbond gestand, gelijk Hij beloofd heeft. Want zoovele beloften, die er zijn, die zijn in Christus ja en amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's