HET VERBOND GODS
XIX.
Met nadruk werd erop gewezen, dat zij, die zich bij de kerk voegen, zich aan haar belijdenis en orde onderwerpen. Misschien zal iemand opmerken, dat dit van zelf spreekt. Wie zich aansluit bij eenige vereeniging van menschen, neemt kennis van de statuten en is daaraan evenals de andere leden gebonden, behoudens de bepalingen van het reglement omtrent het recht van wijziging.
Dat schijnt wel een overeenkomst en toch is dit slechts schijn. Wie zoo redeneert heeft wel ten deele gelijk, maar dit voorbeeld is toch niet juist. De Kerk van Christus is n.l. geen vereeniging van menschen, die een gemeenschappelijk doel nastreven en om dit te bevorderen grondslag, doel en werkwijze in een reglement omschrijven. Zij kunnen bovendien, zoo zij dit noodig achten, de bepalingen van het reglement naar omstandigheden wijzigen. Zij behartigen, om het zoo te zeggen, hun eigen zaak. Zoo is het echter niet met de kerk. Wel is zij een vergadering der ware Christgeloovigen — doch ware Christgeloovigen vormen niet een groepje menschen, die naar eigen inzicht en beleid een vereenigingsleven drijven.
De kerk is het lichaam van Christus, een geestelijke werkelijkheid, welke door de werking van 's Heeren Woord en Geest in de kerken op aarde openbaar wordt en daar een vorm en gestalte aanneemt, die wel op een vereeniging kan gelijken, maar naar haar aard en wezen een geestelijke gemeenschap is. De kerk is dus een instelling van God, en gelijk Christus het Hoofd is van Zijn lichaam, zoo ligt het voor de hand, dat de openbaring van Zijn lichaam in het instituut ook in Christus haar Hoofd en Koning heeft en belijdt.
Wanneer wij dus van de kerk spreken, dan bedoelen wij volstrekt niet in de eerste plaats eenige aardsche kerk, maar Christus' Kerk, of, zooals men gewoonlijk zegt, de ware kerk. Dat is ook de kerk, waarvan de belijdenis spreekt, die kerk, welke een voorwerp van liet geloof. is, d.w.z. waarop het geloof ziet. Aan de belijdenis omtrent deze kerk mdet ieder instituut op aarde, dat zich als kerk aandient, worden gemeten. Indien zulk een instituut de kenmerken der ware kerk draagt, wordt daaraan de naam en de autoriteit der ware kerk toegekend.
De naam en autoriteit der kerk.
De kerk op aarde ontleent haar naam en haar autoriteit aan den Koning der kerk. Zij is des Heeren, de Christelijke Kerk, of beter nog, de kerk van Christus. Haar taak en roeping worden door Hem bepaald. Daarom is de kerk op aarde dus een geheel bijzondere instelling en niet op één lijn te stellen met een vereeniging van menschen.
De kerk op aarde heeft zich steeds voor oogen te houden, dat zij geen ander gezag dan dat van Christus heeft te erkennen en dat zij zich daaronder heeft te voegen. Daarom nog eens, wie zich tot de kerk voegt, voegt zich tot Christus' kerk en stelt zich onder, haar Koning.
Nu heeft de Heere gewild, dat de aardsche kerk zou worden geregeerd door opzieners, dat het Woord zou worden bediend door herders en leeraren en dat de Christelijke barmhartigheid zou worden bezorgd door de diakenen, allen zijnde mannen, tot het ambt verkoren, opdat het drievuldig ambt des Konings zoude worden vervuld en alzoo de roeping der kerk zou worden volbracht onder de leiding van Zijn Woord en Geest.
Van bijzondere beteekenis is dat ook met betrekking tot de prediking en de leer der zaligheid. Reeds in de dagen der apostelen kwamen verschilpunten op onder de Christenen. Men leze Handelingen 15 : 22 —29. Daar waren er, die de Christenen uit de heidenen wilden binden aan de ceremoniën der Wet. En er dreigde zoó groote oneenigheid en beroering, dat de apostelen en opzieners en de gemeente tezamen kwamen in een — wij zouden zeggen — wettige kerkelijke vergadering, om in deze zaak een beslissing te nemen, gelijk zij ook gedaan hebben. (Zie Handel. 15 : 29).
In het 28ste vers staat zeer duidelijk, dat zij deze namen op gezag van den Heiligen Geest, alzoo het den Heiligen Geest en ons (d. i. de genoemde vergadering) goed heeft gedacht, zooals daar staat geschreven.
Het gold hier maar niet een menschelijke overeenkomst bij onderling goedvinden, maar een beslissing op gezag, waarvan zij ook zeer wel overtuigd waren.
Dat wordt heel duidelijk in Hand. 4 : 16, waar de apostel Paulus ' spreekt van de „verordeningen van de apostelen en ouderlingen te Jeruzalem", en waar ook wordt medegedeeld, dat hij aan de gemeenten die verordeningen overbracht en haar vermaande die te onderhouden.
Neemt men nu in aanmerking, dat het woord, door hem gebruikt voor verordeningen, hetzelfde is als dogmata, d. i. beslissingen of besluiten, dan is het niet twijfelachtig, dat daaraan kerkelijk gezag werd toegekend, zoodat ook de apostelen zich daaraan hielden en onderhouding in de gemeenten bevolen hebben.
De geschiedenis van de beteekenis en het gebruik van het woord dogma en verwante uitdrukkingen in het gewone leven van dien tijd bevestigt trouwens, dat de vergadering te Jeruzalem zich van dat gezag is bewust geweest. Een dogma is een regeeringsbesluit, een decreet van den keizer. Daar ging een gebod (dogma) uit van den keizer Augustus. Een wet van Perzen en Meden, is een dogma voor Perzen en Meden. Ook in het gewone leven wees dat woord dus op een hoog gezag. In kerkelijk gebruik wijst het dus evenzeer en welbewust op hoog gezag, n.l. het kerkelijk gezag, dat teruggaat op den Koning der kerk. Zoo is de kerk op aarde veeltijds geroepen om beslissingen te nemen in strijd- en geschilpunten omtrent de leer des Evangelies.
Hoezeer daarin de menschelijke zwakheden kunnen worden ontdekt, lijdt het geen twijfel, of de waarheid Gods blijft staan, dat Christus met Zijn genade en Geest tot aan de voleindiging ook Zijn kerk bewaart en in stand houdt. Door alle tijden heen onderhoudt Hij Zijn kerk en leidt haar door Zijn Geest in de kennisse Gods en van Zijn Woord. Daar zijn tijden van duisternis en licht, tijden, waarin het goud werd verdonkerd en tijden, waarin het leven van Gods kinderen tot krachtige openbaring kwam en klare en duidelijke uitdrukking gaf aan de waarachtige religie.
Daarom draagt de belijdenis der kerk, zooals die in tijden van krachtige geloofsopenbaring werd geboren en stelling nam tegenover de onzuiverheid in leer en leven, een geheel bijzonder karakter. Zij heeft de beteekenis eener gezaghebbende beslissing, welke men maar niet mag gelijkstellen met persoonlijke meeningen of opvattingen.
Het kan zijn nut hebben daarop eens nadrukkelijk te wijzen, omdat dit bij velen wel heel diep is weggezonken, daar zij toch over de leerstellingen spreken, alsof men daarin van doen heeft met opvattingen aangaande de leer, waartegen men eenvoudig zijn eigen opvattingen stelt, als hadden deze gelijk recht en gezag. Men ziet dan voorbij, dat men met officieele kerkelijke beslissingen van doen heeft. Dit is in hooge mate het geval bij degenen, die het dogma eenvoudig op zij schuiven als verouderde traditie en daarvoor wat nieuws in de plaats willen zien, dat zij beter in overeenstemming met tijd en omstandigheden achten te zijn.
De wettige kerkelijke vergaderingen, die bij geschil of strijd over de leer een beslissing hebben te nemen, dragen toch een geheel ander karakter als een gezelschap van theologen en ook van niet-theologen, die, uit weiken drang dan ook, over dogmatische inzichten handelen.
En daarom ook moet er telkens op worden gewezen, dat hij, die zich bij de kerk voegt, geen eigenwillige leer kan volgen, maar de leer der kerk aanvaardt en dienovereenkomstig behoort te wandelen.
Dat beteekent niet, dat er voor de kerk geen aanleiding of noodzaak zou kunnen zijn om over herziening van eenig punt der belijdenis te handelen, maar dan dient de kerk zich allereerst van haar aard en wezen klaar bewust te zijn en naar haar orde te leven, opdat een zoo gewichtige zaak, indien daarvoor goede, oorzaak is, overeenkomstig haar orde kan worden behartigd.
In een verwarden toestand, waarin allerlei wind van leer vrijuit door de kerk waait, en een iegelijk doet wat goed is in zijn oog, ontbreekt het aan de erkenning van de autoriteit der kerk — en zoo deze nog eenigermate aanwezig is, ontbreekt het toch aan het leergezag, dat voor alles noodig is om over de leer op een wettige wijze te beslissen.
Uitgaande van de onderstelling onzer belijdenis, dat herziening naar orde en regel tot de gewone zorg der kerk voor haar belijdenis behoort, zoodat dus ook wijziging of aanvulling op eenig punt wenschelijk en mogelijk kan worden bevonden, kan men toch niet aannemen, dat de leer der waarachtige religie in verloop van tijd zoozeer in alle stukken zou verouderd zijn, dat zij naar vorm en inhoud algeheele vernieuwing noodig zou hebben. Daar is slechts één waarachtige religie, naardien God een eenig Heere is. Het leven van Gods kerk is een en hetzelfde leven, uit een en dezelfde levende Bron. Wie dat leven door Gods genade deelachtig zijn, staan in één en dezelfde gemeenschap met de kerk der eeuwen en ontdekken deze ook in haar belijdenis.
Zoo volgt daaruit, dat de kerk, die uit haar belijdenis leeft, alleen geroepen en bekwaam kan zijn om over de belijdenis te oordeelen in het licht der kennisse Gods, waarin zij door Woord en Geest wordt geleid.
Onze tijd, die vol is van allerlei vereenigingen en bonden, loopt ernstig gevaar ook de kerk als een vereeniging te zien en hetgeen haar onderscheidt en behoort te kenmerken uit het oog te verliezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's