HET VERBOND GODS
XXV
Telkens hebben wij er reeds op gewezen, dat de belijdenis spreekt namens de levende kerk, maar dit zal bij velen een andere vraag overlaten, n.l. : Hoe kan de levende kerk toestaan, dat zoovelen als erfgenamen der belofte tot het lichaam van Christus worden ingelijfd en het zegel der belofte ontvangen, zoo daar moet worden aangenomen, dat velen door ongeloof de belofte krachteloos maken ?
Ook hierop geeft de Koning der kerk een antwoord. Wij ontleenen dit wederom aan een twist des Heeren met de Joden, die zich voor kinderen des Verbonds hielden. Zij willen den Heere steenigen, omdat Hij zich Gods Zoon heeft genoemd. (Zie Joh. 10 : 31 v.v.). Dan antwoordt de Heere : Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden ? Indien de Wet die goden genaamd heeft, tot welke het Woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden, zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God ; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
Allereerst kunnen wij hieruit leeren, hoe grooten eerbied de Heere van ons eischt voor het gezag des Woords, maar dan ook, hoe Hij ons wil leeren het Woord te verstaan. De Schrift noemt hen goden, tot wie het Woord Gods is geschied.
Welnu, heeft dan de levende kerk niet terecht verstaan, dat zij kinderen des Verbonds worden genoemd, tot wie het evangelie des Verbonds is geschied, m. a. w. allen, die zich bij de kerk voegen en in de kerk geboren worden ?
Zoo worden de kinderen der geloovigen als kinderen des Verbonds gedoopt, omdat het Woord Gods tot hen is geschied. Wie een discipel van Christus wil zijn, kan hiertegen niet morren en heeft ook geen oorzaak om een ander verbond uit te denken.
De Joden hebben niet de kwestie gesteld, of degenen, die de Wet goden noemt, nu ook wezenlijk goden zijn. Zoo is er voor de geloovigen geen kwestie, of de kinderen, die uit hen geboren worden, heiligen zijn. Zij weten beter, maar God zegt, dat Hij een volk geheiligd heeft in Christus en dat zij, tot wie het Woord is geschied, erfgenamen zijn der beloften, welke de Schrift voor Abraham en zijn zaad heeft weggelegd.
Het verdient wel bijzondere aandacht, welke beteekenis de Heere Jezus schenkt aan het voorrecht, dat het Woord tot ons geschiedt. Zij worden goden genaamd, omdat het Woord tot hen geschied is. Zoo kan men verstaan, dat Israël in zijn geheel Gods volk wordt genaamd, omdat het Woord, tot hen geschied is. Is het dan te veel, dat de kerk op aarde Gods volk wordt genaamd, omdat het Woord tot haar geschied is ?
De Heere Zelf geeft die waardigheid om Zijns Woords wil en niet om iets, dat in den mensch is. Zoo diende men deze onderscheiding om des Woords wil, nederig en met eerbied aan te nemen, omdat God het zegt. De kerk is een vergadering der kinderen Gods, omdat Gods Woord in haar midden bediend wordt. Daaraan is haar waardigheid gebonden. Zij heeft dus vóór alles te waken, dat zulks geschiedt en dat niet des menschen woord in haar zal heerschen.
Zoo wijst ons ook deze zaak op de tucht des Woords als een eerste voorwaarde voor het behoud van de waardigheid der kerk. Hoemeer dat in gebreke blijft, hoemeer allerlei strijd en verdeeldheid haar gezag en waardigheid komen ondermijnen.
Het is dan ook wel begrijpelijk, dat vraagstukken als de onderhavige opkomen bij hen, die aanstoot nemen aan de heerschende verwarring en het is geen wonder, dat dit niet alleen in de Hervormde Kerk zoo is, maar dat men ook elders met dezelfde vragen worstelt.
Hoever zijn wij verwijderd van een kerk en kerken, die op de gemeenschappelijke belijdenis van de gemeente van Christus, als geheel, omdat het Woord tot haar geschied is, de waardigheid, welke God haar toekent ootmoedig en eerbiedig bewaren ?
Er is intusschen een grond van waarheid in de gedachte van Gomarus, die van uitwendig en inwendig Verbond sprak. Het woord Verbond is hier niet juist, maar het gaat om den zin. Diezelfde zin ligt ook ten grondslag aan het betoog van ds. Kievit, als hij van tweeërlei kinderen des Verbonds spreekt. Ook de z.g. „oplossingen" van veronderstelde wedergeboorte, en die, welke dr. A. Kuyper Jr. geeft, alsook het pogen van ds. Woelderink, het vindt alles zijn aanleiding in dezelfde zaak : n.l. dat belijdenis en formulieren de geloovigen en hun zaad in het Verbond der genade des eeuwigen levens in Christus begrijpen, terwijl de belofte aan Abraham en zijn zaad de uitverkorenen omvat. Het wil ons voorkomen, dat de kerkelijke twistpunten uit den weg kunnen worden geruimd, als wij het tweeërlei, waarop deze stuiten, zien in de onderscheiding, welke uit het woord van Christus tot de Joden werd genomen.
Krachtens Gods Verbond is het Woord geschied en dit onderscheidt degenen, tot welken het Woord geschied is, van degenen, die in zulk een voorrecht niet deelen. Deze onderscheiding mag van de kerk in haar aardsche openbaring gelden, gelijk door de belijdenis wordt gezegd, dat de kinderen der geloovigen van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, en zij ligt trouwens ook in het bevel van den Doop opgesloten. (Matth. 28 : 19).
Daar is derhalve een onderscheiding, welke haar grond vindt in den Dienst van Woord en Sacrament, louter op gezag van het Woord.
Dit heeft dus niets te maken met een verbond in den tijd, zooals ds. W. wil voorstellen, maar hangt geheel aan het gezag en de waardigheid der kerk, welke God haar toekent, omdat het Woord tot haar geschied is. De leden eener kerk op aarde, die aanspraak mag maken op het gezag en de waardigheid der ware kerk, dragen om des Woords wil den titel van kinderen des Verbonds. Maar gelijk men ook in ander opzicht met een titel kan versierd zijn, zonder de macht en de waardigheid deelachtig te zijn, zoo kan dat ook bij de leden der kerk het geval wezen.
Men oordeele echter niet, dat zulks een onbeteekenende onderscheiding zou zijn, welke de Koning aan de kerk heeft toegekend om te deelen in de bediening van Woord en Sacrament.
De kerk, die deze bediening trouw waarneemt, heeft het gezag en de waardigheid van de kerk des Heeren, en draagt den titel van een vergadering van Gods volk op dezelfde wijze als het volk Israël als zoodanig van de wereld werd onderscheiden. En gelijk dienovereenkomstig de kinderen in Israël werden besneden, zoo worden de kinderen der geloovigen gedoopt, vallende onder den titel des Verbonds, omdat zij behooren bij degenen tot wie het Woord is geschied.
Voor een veronderstelling der wedergeboorte bij de doopelingen is zelfs geen aanleiding, want door de zorg des Heeren zijn zij geboren onder de bediening des Woords en mitsdien onder de beloften des Verbonds aangaande alle weldaden Gods, die daarin begrepen zijn, ook onder de beloften der zaligheid in Jezus Christus.
En nu blijft het Woord : zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden. Want zoovelen door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Dezelfde Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. (Vgl. Rom. 8 : 14 v.v.).
Hoe veelvuldig spreekt de H. Schrift van het werk des Heiligen Geestes en van de macht in Christus Jezus als de bijzondere onderscheiding tot de hoogste genadegifte Gods ?
Hoor ook, hoe Paulus spreekt over Israël, zijn broederen, die zijn maagschap zijn naar het vleesch, welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen, welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zooveel het vleesch aangaat (Vgl. Rom. 9 : 3 v.v.) en ondanks al deze voorrechten en goddelijke onderscheiding verwerpen zij den Christus der zaligheid.
Deze weldaden Gods, waardoor Israël als volk onderscheiden was, mogen meerendeels ook op de kerk worden overgebracht en het zijn deze weldaden, die wij saamvatten in het ééne, n.l. dat het Woord Gods tot haar geschied is.
Desondanks geldt van haar, dat het niet alles Israël is wat Israël genoemd wordt. En dat zulks van de dagen der apostelen aan is geweest, kan door de Heilige Schrift worden aangetoond. Paulus bestraft de Galaten en vermaant hen : Zoo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. (3 : 7).
Dit verhindert hem niet om in het 26ste vers te zeggen : Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus, want zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan , doch in het 29ste vers luidt het weer : En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.
Om nog een voorbeeld te noemen : Efeze 4 : 5 en 6, waarin Paulus die van Efeze voortdurend vermaant om niet te wandelen in den weg der heidenen.
Telkens wordt de gemeente aangesproken met de onderscheiding van Christus' kerk ; als degenen, tot wie het Woord geschied is, b.v. Efeze 4 : 20. Doch gij hebt Christus alzoo niet geleerd. Indien gij maar Hem hebt gehoord en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is, t. w. dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mensch, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding, en dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds, en den nieuwen mensch. aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
Zoo ook in 5 : 8 : Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere.
Maar dan volgt ook telkens de vermaning om dan ook alzoo te doen. (Zie Efeze 4 : 25 en 5 : 8 v.v.).
Wij kunnen dus zien, dat de apostel de gemeente als geheel op het plan des geloofs in Christus aanspreekt en van de heidenen onderscheidt, doch niettemin op het werk des Heiligen Geestes wijst en vermaant om ook de vruchten des Geestes voort te brengen.
Doch van iets, dat op een veronderstelde wedergeboorte gelijkt, lezen wij niets.
Wanneer een kerk het gezag en de waardigheid der gemeente van Christus zich door getrouwheid van den Dienst des Woords mag toeëigenen, komen haar ook de rechten toe, welke Christus haar toestaat. Eén lichaam is het, en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hoop uwer beroeping : Eén Heere, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen — maar aan elk een van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus. (Efeze 4 : 4—7).
Krachtens het gezag en de waardigheid der kerk worden Woord en sacrament bediend en staan haar leden onder den titel en de beloften des Verbonds. En in de afscheiding van de wereld en de toevergadering tot de kerk is een betrekking tot het Verbond.
Zoo spreekt Paulus ook de gemeente van Efeze toe : Hfdst. 1 : 13 : „in Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte, die het onderpand is van onze erfenis tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid".
Dit weerhoudt hem niet om daaraan toe te voegen : dat hij niet ophoudt haar te gedenken in zijne gebeden, opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis, namelijk verlichte oogen des verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping en welke zij de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen ; en welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij voor ons, die gelooven, naar de werking der sterkte Zijner macht .........(vs. 16 v.v.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's