De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS

9 minuten leestijd

XXVI

Ten aanzien van den kinderdoop kan men zeggen, wat aan de gemeente der geloovigen toekomt, komt ook aan de kinderen der gemeente toe, doch de werking des Heiligen Geestes is een verborgenheid in Gods hand.

Ook het oordeel der liefde wordt vergeefs aangehaald om een veronderstelde wedergeboorte te steunen. Dat oordeel houdt in, dat men degenen, die in de leer der kerk met ons instemmen en geen aanstoot geven door hun wandel, voor broeders houdt. Calvijn spreekt daarvan ook in verband met hun deelnemen aan het Heilig Avondmaal. Dezulken hebben dus deel aan de bediening van Woord en Sacrament. Het behoeft geen betoog, dat dit oordeel saamhangt met de waardigheid der kerk, welke zij ontleent aan het lichaam van Christus, dus aan het Hoofd der kerk, en voorts zijn grond vindt in de verborgenheid van het werk des Heiligen Geestes.

Uit dezen grond verwerpt Calvijn ook het Doopersche streven om een gemeente van heiligen te vergaderen en het ligt dus voor de hand, dat men een dergelijke censuur nog veel minder op de jonge kinderen der geloovigen kan toepassen, zoo min door hen als onbekeerden (bij veronderstelling) uit de gemeente te weren, dan wel als wedergeborenen (bij onderstelling) aan te nemen.

Zij vallen als kinderen der geloovigen onder den titel des Verbonds om des Woords wil, dat tot de gemeente geschied is. Daaruit volgt voor den Dienst des Woords, dat deze niet mag blijven staan bij de gaven, welke der gemeente krachtens dien titel toekomen, maar haar heeft te wijzen op het werk des Heiligen Geestes en den eisch der wedergeboorte of der besnijdenis des harten.

Wij raken hier aan het stuk eener z.g. voorwerpelijke of onderwerpelijke, of, zooals men ook wel zegt, een onderscheidende prediking.

De voorwerpelijke prediking getuigt van de geestelijke goederen, welke de Heere in het werk der verzoening heeft weggelegd voor Zijn volk. Waar de dienst des Woords naar orde en in oprechtheid geschiedt, is het in overeenstemming met de aangevoerde bewijsredenen, dat de gemeente, in haar geheel genomen, als deelgenoote van de beloften Gods en in Zijn Verbond der genade begrepen wordt aangesproken.

Voorwerpelijk is dat zoo. Men wachte zich echter om daaruit de conclusie te trekken, dat zulk een prediking en aanspraak een iegelijk hoofd voor hoofd zaligspreekt. Maar daarom juist zal de prediking bij zulk een voorwerpelijk getuigenis van de weldaden Gods voor de kerk des Heeren weggelegd, niet blijven staan.

Zij zal op het werk des Heiligen Geestes wijzen, op de noodzakelijkheid der wedergeboorte om deel te kunnen hebben aan de nieuwigheid des levens, op de vruchten, welke daaruit voortspruiten, en voorts opwekken en vermanen naar het voorbeeld der apostelen en profeten.

Zoo voert de waarheid zelf tot wat wij noemen de onderwerpelijke prediking, opdat de menschen worden uitgedreven tot zelfonderzoek, of het geloof, dat zij als de confessie der kerk belijden, ook in eigen gemoed gevonden wordt. Anders gezegd, of het persoonlijke geestelijke leven gemeenschap heeft met het leven der kinderen Gods, zooals dat door Schrift en belijdenis wordt geleerd.

Het persoonlijke leven heeft vanwege de menigvuldige zwakheid en zonde den voortdurenden toets van Gods Woord noodig om zich daarnaar te reguleeren. Daarin te hulp te komen en daartoe op te wekken is een roeping, welke in den getrouwen dienst des Woords niet mag worden veronachtzaamd.

Wij gaan thans op dit onderwerp niet verder in, doch moesten daarop even wijzen om te doen zien, dat het een met het ander verband houdt. De zooeven genoemde onderscheiding van voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking gaat terug op den reëelen toestand der gemeente, welke zooals boven werd aangetoond, onder tweeledig aspect valt. Uit het oogpunt van afzondering van de wereld wordt de gemeente als geheel onder het Verbond der genade gezet, omdat het Woord tot haar geschied is, evenals dit onder het Oude Verbond met Israël het geval was.

Doch onder het aspect van de geestelijke werkelijkheid is het niet alles Israël wat Israël genoemd wordt. Klaar en duidelijk teekent de apostel Paulus deze situatie ten aanzien van Israël, als hij er in 1 Cor. 10 : 1 v.v. op wijst, dat allen de voorrechten des Verbonds genoten hebben, hoewel God in het meerendeel hunner geen behagen heeft gehad.

En dan voegt hij er aan toe : „Deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, op­ dat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijk zij dat gehad hebben''.

Ziedaar de zaak, die men heeft willen vatten onder een z.g. uitwendig en inwendig Verbond.

Reeds eerder hebben wij de aandacht er op gevestigd, dat de Schrift geen uitwendig Verbond kent, waarbij God belooft en niet vervult, naast een inwendig, waarbij de vervulling aan de belofte wordt gewaarborgd.

Het zooeven aangehaalde woord van den apostel werpt daarover een geheel ander licht, als hij zegt, dat God in het meerendeel hunner geen behagen heeft gehad.

Dit neemt niet weg, dat hij van diezelfde menschen zegt : „dat zij toch allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee". Daaruit mag men dus voor de gemeente al geheel verstaan, dat allen, die tot haar behooren, deelen in de inzettingen des Verbonds, derhalve ook in de sacramenten, ofschoon het Gods vrij welbehagen is, wien Hij verkiest.

Calvijn heeft dan ook van een uitwendig en inwendig Verbond niet gesproken. Hij ziet deze dingen veeleer onder tweeerlei aspect der verkiezing. God verkiest 't volk Israël als volk in onderscheiding der andere volken. (Zie Inst. III, 21, 5 en 6). Maar dan spreekt hij verder van een tweeden trap of graad der verkiezing, die enger beperkt is en waarin de genade Gods zich bijzonderlijk vertoont.

Sommigen uit het geslacht van Abraham verwerpt God, anderen heeft Hij onder Zijn kinderen behouden. Zoo onderscheidt hij dus twee trappen der verkiezing : de verkiezing van het volk als geheel om een drager te zijn van Zijn openbaring (Ps. 147 : 20) en de persoonlijke verkiezing dergenen, die Hij tot Zijn kinderen heeft aangenomen. Ezau was de broeder van Jacob, nochtans zegt de Heere : „Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat". (Maleachi 1 : 2).

Wat bezwaar kan er zijn om de aardsche kerk te zien onder het beeld van Israël ? Dat komt ook overeen met de onderscheiding, waarvan Ps. 147 : 20 gewaagt, welke daarin bestaat, dat God Zijn rechten heeft bekend gemaakt niet aan andere volken, maar aan het volk Israël. Eerder reeds werd de aandacht gevestigd op de beteekenis, welke de Heere Jezus toekent aan deze onderscheiding, welke Hij uitdrukt met de woorden: degenen, tot wie het Woord geschied is.

Het ligt dus geheel in de lijn, dat de eerste trap der verkiezing de aardsche kerk als geheel betreft. Daaraan beantwoordt dan het voorrecht tevens de roeping der kerk in haar aardsche verschijning een draagster van de openbaring Gods te zijn, welke zij van geslacht tot geslacht overdraagt. De tweede trap der verkiezing blijft zich zelve gelijk als het vrije welbehagen Gods tot degenen, die Hij tot het kindschap geordineerd heeft.

Door deze twee trappen of graden der verkiezing wordt de toestand bepaald, dien men in het begrip uitwendig en inwendig Verbond heeft willen uitdrukken. Het uitwendig Verbond zou dan overeenkomen met den eersten trap der verkiezing : die van de kerk (t.w. de kerk op aarde) als geheel. Aan dezen trap van verkiezing beantwoordt een algemeene roeping en bestemming, welke door de kerk in al haar organen en verschijningsvormen wordt vervuld.

Het inwendig Verbond kan men vergelijken met den tweeden graad van verkiezing, welke betrekking heeft op de geestelijke verwerkelijking van de beloften des Verbonds aan de uitverkorenen.

Reeds eerder hebben wij opgemerkt, dat het niet om een woord gaat, maar om de zaak. En daarin komen deze voorstellingen overeen, dat er in de kerk dus tweeërlei geloof woont. Calvijn spreekt zelfs van tweeërlei religie. Dezelfde onderscheiding kan ook worden aangeduid in dit verband althans als een historisch geloof en een zaligmakend geloof. Wil men het eerste uitwendig, het tweede inwendig noemen, nog eens, het gaat niet om woorden, maar om de zaak, die men op het oog heeft.

Hetzij dan, dat men met een historisch, hetzij dan, dat men uit kracht der wedergeboorte de belijdenis der kerk omhelst, steeds zij men indachtig, dat de gemeente op grond harer confessie wordt vergaderd en diensvolgens een geordend leven behoort te hebben. Voorts is uit verschillende voorbeelden gebleken, dat de leden van zulk een kerk aan de bediening van Woord en Sacrament deel hebben, zoo zij in handel en wandel geen aanleiding geven tot ergernis.

Van groot gewicht, voornamelijk in verband met de geschilpunten, waarbij wij werden bepaald, blijkt alzoo de sleutelmacht te zijn. Dit geldt in de eerste plaats van een voortdurende tucht des Woords, waarin ook de apostelen en profeten ons voorgaan. Men leze, hoe de apostel Paulus, als hij in het aangehaalde Schriftgedeelte, de gemeente te Corinthe ernstig vermaant geen afgodendienaars te zijn, gelijk sommigen der Israëlieten. (1 Cor. 10).

Zoo komt de Heilige Schrift op tegen iedere uitvlucht, die des menschen onschuld zou willen betoogen op grond van Gods vrije genade. Die meent te staan, zie toe dat hij niet valle. (1 Cor. 10 : 12). De apostel zegt niet: „God heeft in het meerendeel geen behagen gehad, en nu kunnen zij er niets aan doen, dat zij ternedergeslagen werden", maar hij zegt : „zij hebben lust tot kwaad gehad".

Altoos blijft: „God heeft den mensch goed en naar Zijn beeld geschapen, zoodat hij het doen kon, wat de Heere van hem eischte''. Daarom wezen wij er voortdurend op, dat de mensch een zedelijk wezen is. God handelt met hem als met een zoodanige. Zoo dan, die onder de weldaden Gods mag bestaan, onder de prediking des Evangelies verkeert, in de belijdenis der kerk toestemt en volhardt in een onbekeerlijken wandel, zal schuldig staan meer dan degenen, die aan deze voorrechten geen deel hebben gehad. Want, hoezeer geen schepsel zich tegen Gods wil roeren of bewegen kan, zoo wordt het voorrecht, dat wij naar Gods beeld geschapen en met zoo uitnemende gaven versierd zijn, opdat wij als redelijk-zedelijke wezens voor onzen Schepper mochten bestaan. Zijn heerlijkheid opmerken en dienen in de roeping, welke Hij voor ons had weggelegd, omgekeerd in een oordeel, wijl wij in ongehoorzaamheid van den weg des levens afgekeerd. Zijn rechtvaardigen toorn over ons hebben gehaald.

Zal er dus enkel in de vrije genade Gods ontkoming zijn, anderszins, zoo wij volharden in het kwaad, zal onze schuld te meerder worden naarmate de weldaden ods over ons overvloedig zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's