De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS

9 minuten leestijd

De Dienst des Woords

XXVI.

De Dienst des Woords.

De behandeling van de geschilpunten naar aanleiding van het Doopformulier heeft dus in de eerste plaats uitgewezen, dat de confessie en de liturgische formulieren het Verbond Gods nemen in den zin van het genadeverbond ten eeuwigen leven in Christus Jezus, en derhalve omvattende de uitverkorenen Gods, het geestelijk zaad Abrahams.

Daaruit volgt, dat de practijk op bezwaren zou stuiten, indien men de uitverkiezende genade Gods in dezen engeren zin wil betrekken op de kinderen der geloovigen, hoofd voor hoofd genomen, omdat de ervaring geen hope geeft voor zulk een toepassing.

Deze kinderen worden gedoopt, omdat zij als kinderen der geloovigen in Christus geheiligd zijn, en zooals is opgemerkt, mogen zij voor zoodanigen worden gehouden krachtens een breederen zin der verkiezing Gods, n.l. een volk, dat door Hem wordt gezet tot een drager en getuige Zijner openbaring in de wereld.

Men zou kunnen spreken van een verkiezing tot de bediening van Zijn Woord overeenkomstig het bevel van Christus: Predikt het Evangelie aan alle creaturen, maakt ze tot discipelen, dezelven doopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden al wat Ik u geboden heb. (Matth. 28 : 19).

Onder dit aspect verschijnt de kerk in haar aardsche openbaring in dezelfde onderscheiding als het volk Israël van weleer.

De kerk op aarde, als geheel genomen, draagt in dit licht beschouwd het karakter van een orgaan, hetwelk de Heere dienstbaar heeft willen maken aan de openbaring van Zijn deugden tot een getuige der volkeren, maar voorts ook om daarin naar de vrijmacht Zijner genade Zijn volk te vergaderen. Zij is alzoo een getuige des Heeren en een orgaan Zijner verkiezing tot verwerkelijking van het werk der genade in Christus Jezus.

Over ieder van deze twéé typeeringen een enkel woord. Als wij de kerk een getuige des Heeren noemen, behoeft het geen betoog, dat dit een zuiver Schriftuurlijke aanwijzing is.

De kerk is getuige, d.w.z. zij getuigt van de groote werken Gods. Zij kan dit alleen doen, omdat God Zich heeft geopenbaard door Zijn Woord en Geest. De kerk bezit niet alleen de Godsopenbaring, welke de Heere in de Heilige Schrift heeft bewaard, en aan haar als een pand heeft toebetrouwd, maar zij deelt ook in het leven van Gods kinderen.

Het is niet zóó, dat de kerk de Heilige boeken als een document der Godsopenbaring in een heiligdom bewaart, zooals men soms reliquieën bewaart, maar Gods Woord leeft in het midden der gemeente. Christus is het levende Woord en de Heilige Geest, ook wel geheeten de Geest van Christus, die inwoning heeft genomen in de gemeente des Heeren, is een levendmakende Geest.

Daardoor is het mogelijk, dat de kerk een getuige Christi kan zijn, omdat de Heilige Geest het uit den Christus neemt en het Woord, dat van Hem getuigt, opent. Zooals Christus den Emmaüsgangers de Schriften opende, zoo doet Gods Geest dat in het midden der gemeente. Wanneer de kerk dus tot een getuige des Heeren is geroepen, zal zij getuigen uit de levende Fontein des heils.

De Heere heeft echter niet gewild, dat zij zoo maar vrijelijk uit haar eigen leven zou getuigen, — of om het nog eens anders te zeggen — dat zij vrijelijk uit haar bevinding zou spreken. Op die wijze zou de Waarheid niet ongerept worden overgedragen. Immers alle mensch is leugenachtig en hoe zou hij de Waarheid Gods en het gedichtsel van eigen hart altoos klaar en duidelijk onderscheiden.

Hoe zou het goud verdonkerd worden, indien door eeuwen heen de menschen naar eigen bevinding en inzicht zouden getuigen. Het zou zelfs geen getuigenis meer zijn. Getuigen onderstelt een betrekking tot de Waarheid, een spreken uit de Waarheid.

Daarom beeft God in Zijn Woord een blijvend getuigenis gegeven, waaraan de kerk haar leven en belijden voortdurend zal toetsen. Bij dat getuigenis heeft zij zelf te leven en zij is geroepen dat trouwelijk te bewaren en over te dragen.

Daartoe heeft de Koning der kerk den Dienst des Woords bevolen.

Zoo heeft de Dienst des Woords derhalve een dubbele strekking. Hij zet het Woord Gods in het middelpunt der ge­ meente, opdat het in de prediking ontsloten worde als het getuigenis van de werken Gods en Zijne beloften, als een goddelijke onderwijzing en tot een richtsnoer voor leer en leven, gelijk het door de belijdenis wordt genoemd : een regel des geloofs.

Maar dan ook heeft de onderhouding van den Dienst des Woords ten gevolge, dat het Woord wordt bewaard en overgedragen aan het jongere geslacht en wijders tot de geslachten, die komen zullen. Op die wijze gaat het Woord als een rivier, vloeiende uit de Fontein des levens van geslacht tot geslacht en is de Dienst des Woords, welke de kerk is opgedragen en door de kerk wordt onderhouden, een orgaan der openbaring, in de wereld gezet.

Blijven wij nog even bij de openbaring der kerk in deze wereld staan om op te merken, welk een beteekenisvolle roeping zij als getuige heeft te volbrengen. Menigvuldig zijn de stemmen, die van haar uitgaan. En wij willen daarop wijzen, om in het licht te stellen, welk een voorrecht er in is gelegen, als wij daarbij reeds betrokken worden.

Neem het vriendelijke, oude kerkje weg, dat zich zoo eenvoudig en zonder pretentie verheft boven de in het groen wegschuilende daken van onze dorpen, en gij berooft het landschap van een stille getuige van den diepsten zin zijner schoonheid. Welk een geestelijke armoede spreidt zich over het land van gonzende fabrieken en zwart berookte huizen, waar tal van schoorsteenen hun rookpluimen uitwalmen, zoodat zelfs de fiere transen der steedsche kathedralen in een sluier worden gehuld.

Daar gaat van die vriendelijke kerkjes een sprake uit, niet het minst tot hem, die vervreemd van het Woord, een stille aanklacht onderdrukt met uitvluchten, welke slechts verraden, dat hij vergeefs zoekt zich te verontschuldigen.

Doch welk een aanklacht gaat er uit van de ledige banken, die Zondag aan Zondag onbezet blijven, omdat er geen Dienst des Woords is, niet wegens gebrek aan dienaren, maar, omdat woorden van menschelijke wijsheid het Woord Gods kwamen verijdelen. Ook zoo blijft het kerkgebouw een stille getuige van het bevel van Christus, het trouwelooze volk tot een beschuldiging, dat zij het pand, hun toebetrouwd, niet bewaard hebben en geen lust hebben gehad in den weg, die tot het eeuwige leven leidt.

Wij waagden het zoo met een enkel woord bij het alleruitwendigste te beginnen, bij een dood gebouw, hetwelk door oorsprong en bestemming toch altijd weer terug wijst op het Woord des Heeren, en, op Zijn hoog bevel om het Evangelie te prediken aan alle creaturen. En niet te vergeefs, want als de steenen zwijgend getuigen van een geslacht, dat de woorden des eeuwigen levens heeft aangenomen tot eeuwig behoud, gaat daarvan tevens beschuldiging uit tot allen, die in hun goddeloosheid volharden, om een wis verderf te vinden.

Machtig vele zijn de getuigenissen in de saamleving der menschen, die van de instelling van den Dienst des Woords zijn uitgegaan. Niet alleen de vergaderingen der gemeenten in steden en dorpen over de gansche wereld verspreid, waarvan nog slechts de historie spreekt, of waar nog altoos bedekt en onbedekt de Christus verkondigd wordt. Doch dit zijn altoos vergaderingen van menschen, die in den aardschcn levensstrijd staan, door aardsche beslommeringen worden ingenomen en in het midden der wereld leven.

Vele geslachten hebben op hun wijze en in hun tijd het Woord der openbaring in de saamleving ingedragen, zoodat allengs meer en naar de omstandigheden invloed op de wereld is uitgegaan. Op menig gebied des levens heeft de Waarheid haar stempel gedrukt of een spoor nagelaten. Een menigte van instellingen en ordeningen dragen daarvan nog de kenmerken.

Wat God door de instelling van den Dienst des Woords aan getuigenissen in de historie heeft gezet, zal door geen menschenhand worden uitgeroeid. Het zal ten einde toe dienstbaar blijven aan de toevergadering van Zijn volk en aan de voltrekking van Zijn oordeelen.

Veel ware er te noemen en wij zouden nog in gebreke blijven de verborgen wegen der Waarheid na te speuren. Bepalen wij er ons alleen toe, welk een arbeid het eene feit, dat God Zijn Woord aan de kerk heeft toebetrouwd, in de wereld heeft opgeroepen. Hoevelen zijn door de eeuwen betrokken geworden bij het onderzoek der Schriften, hoevele kerken, kloosters, scholen, zijn daarvan vervuld geweest, hoevele gaven besteed, hoeveel pennen in beweging gebracht, hoevele boeken geschreven en dat niet alleen over de Schrift en uit de Schrift, maar over alle vraagstukken des levens, die daarmede in betrekking werden gebracht ? En dat alles — veel meer dan een mensch zou kunnen omvatten  heeft zijn grond en oorsprong in dat eene Woord : Gij zijt Mijne getuigen.

Het is niet onze bedoeling om dit alles in meer nauwkeurigen vorm voor te stellen. Het is er ons slechts om te doen, dat men de heel het leven rakende beteekenis van de instelling van den Dienst des Woords inziet. De wereld is vol van bewijzen, dat God Zijn Woord in de wereld heeft gezet tot een getuigenis. Op de gewichtvolle en ernstige beteekenis daarvan heeft de Heere door Jesaia gewezen, als Hij zegt, dat het Woord alles zal doen, waartoe Hij het zendt, en dat het zijn loop zal hebben. Dat is ten oordeel en tot behoud.

In het licht van deze goddelijke beschikking nu moet het als een bijzonder voorrecht worden gezien, dat God een volk uit de heidenen toog, opdat het Zijn Woord zou ontvangen en bewaren. Dit is een onderscheiding, welke Israël te beurt viel, waarvan de psalmist getuigt in Ps. 147, waarop reeds werd gewezen.

Ziedaar de verkiezende daad Gods, die evenals zij eertijds het volk Israël van de volkeren onderscheidde tot deze roeping, de kerk des Nieuwen Testaments vergaderde uit de volkerenwereld om in de volheid des tijds liet Woord te bewaren als een getuige des Heeren.

En gelijk nu de psalmist het groote voorrecht bezingt, door God aan Israël geschonken : „Alzoo heeft Hij geen volk gedaan en Zijn rechten kennen zij niet", (147 : 20), zoo worden ook allen, die van de kerk zijn vermaand, acht te nemen op het voorrecht, dat de Heere hen onder den Dienst van Zijn Woord, deed geboren worden, hun deel gaf aan alle aardsche zegeningen des Verbonds en tot hen kwam met de roeping ten eeuwigen leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's