De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS

12 minuten leestijd

De Dienst des Woords

XXVII.

De Dienst des Woords.

De instelling van den Dienst des Woords naar het bevel van Matth. 28 : 19 deed de zichtbare kerk als een getuige van Christus in de wereld verschijnen. In deze onderscheiding kan men spreken van kerk en wereld. De kerk is de getuige des Heeren in de wereld en heeft als zoodanig een roeping te vervullen ten aanzien van de gansche menschheid. Haar getuigenis gaat tot de wereld uit: Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. (Jes. 45 : 22).

ledere kerk en ieder instituut heeft zich die roeping voor oogen te houden. Daarom zet zij haar deuren open en draagt de Dienst des Woords een openbaar karakter. Het spreekt vanzelf, dat er ook betrekkingen zijn tusschen den Dienst des Woords en het Verbond. De prediking des Woords wordt dienstbaar gemaakt aan de vervulling van Gpds Verbond. God doet door haar een roep ter bekeering uitgaan tot de geslachten der aarde. Hoe zullen zij in Hem gelooven, van Welken zij niet gehoord hebben, en hoe zullen zij hooren zonder die hun predikt ? (Rom. 10 vers 14).

Hieruit blijkt, dat het zeer wel Schriftuurlijk is de aandacht te vestigen op de roeping der prediking, of wil men op het belang van den Dienst des Woords. Veelal wordt allereerst de nadruk gelegd  op de kerk als een vergadering der geloovigen, doch de apostel wijst ons op de prediking als de noodzakelijke voorwaarde, opdat zij hooren en gelooven. Zoo wordt dus het feit, dat er een getuige van Christus in de wereld is,  op den voorgrond geplaatst. Daarmede komt dan overeen, dat aan allen, die daarbij betrokken zijn, de zorg voor de instandhouding van den Dienst des Woords is opgedragen.

Hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt ? Zoo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. (Rom. 10 : 17).

Eerst de prediking en dan het geloof. Zoo brengt de Dienst des Woords zijn vrucht mede in de vergadering der geloovigen, die den roep der prediking volgen door het Woord. De apostelen gingen uit in de wereld predikende het Evangelie en waar zij gehoor vonden, werd de gemeente vergaderd door het Woord Gods. De instelling der ambten toont aan, hoe zij bedacht zijn geweest op den Dienst des Woords, gelijk ook de groote beteekenis blijkt uit het feit, dat de bediening tot op den huidigen dag voortgang heeft gehad en tot aan de voleinding zal hebben, gelijk de Heere beloofd heeft. Voor ieder nieuw geslacht blijft het woord van Paulus van kracht: Hoe zullen zij gelooven in Hem, van Welken zij niet gehoord hebben. Hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt. Daarom blijft de Dienst des Woords de voornaamste roeping der kerk.

Waarom wij daarop zoozeer den nadruk leggen ?

Omdat men al te zeer geneigd is het accent te leggen op de vergadering der geloovigen. Zeer zeker raakt dit aan een stuk der belijdenis en wij willen daarvan niets af doen. De confessie wijst er op en belijdt, dat de kerk is een vergadering der ware Christgeloovigen. (Art. 27). Men bedenke echter wel, dat zij dit belijdt van de eene, heilige, algemeene Christelijke kerk. Deze belijdenis gaat dus boven de zichtbare kerk uit. Zij heeft het oog op het geestelijk lichaam van Christus. Men moet dit wel bedenken, want de zichtbare kerk mag een heilige vergadering worden genoemd om des Verbonds wil, zij is een gemengde vergadering. En in ieder geval is het toch zoo, dat Christus de Zijnen roept en vergadert uit alle volk en tong en natie.

En nu het verband tusschen de wereld, de zichtbare kerk en deze heilige vergadering ?

De Heere vergadert Zijn volk uit de wereld. Dat is het groote wonder Zijner genade. Het Verbond des eeuwigen levens gaat de gansche menschheid aan. Anders gezegd : het volk des Verbonds ligt in den schoot der menschheid verborgen. Niemand kent dat volk, zooals het daar verborgen is, maar God kent het en het zal kennen gelijk het van God gekend is.

Al te zeer zijn wij geneigd om allerlei scheidingen en onderscheidingen te maken, ja over Gods Verbond te bazelen. De waarheid is, dat Hij in Zijn verborgen Raad uit het gansche menschelijke geslacht een volk ten eeuwigen leven heeft verkoren. (Vr. 54 Heidelb. Cat.). Deze belijdenis legt dus een onmiddellijk verband tusschen Gods Verbond ten eeuwigen leven en het gansche menschelijke geslacht. Hij vergadert Zijn kinderen uit de wereld. De eene, heilige, algemeene Christelijke kerk, die het geloof ziet als een heilige vergadering der ware Christgeloovigen, wordt getogen uit de menschheid, welke de aarde vervult. Naar welke orde de Heere deze bevoorrechten heeft geordineerd tot Zijn eeuwig Koninkrijk, is ons niet geopenbaard, maar God is een God van orde en Hij zal al Zijn welbehagen doen.

Wat wij echter wel weten, dat Hij door het bevel der prediking den Dienst des Woords heeft ingesteld en deze dienstbaar maakt aan de verzameling van Zijn uitverkorenen. Zoo staat derhalve de zichtbare kerk tusschen de wereld en de heilige vergadering van Christus' leden in.

Zij vormt een zeker midden tusschen de wereld en het lichaam van Christus. Zij onderscheidt zich van de wereld, hoewel zij in de wereld en in menig opzicht van de wereld i§. Zij wordt versierd met den naam kerk en is naar haar aard en wezen openbaring van Christus' lichaam op aarde, omdat zij, hoewel in de wereld zijnde, haar levenswortel in den hemel heeft.

Deze situatie van de zichtbare kerk kan de moeilijkheden verklaren, die zich op haar terrein telkens weer voordoen. Naar haar historische werkelijkheid is zij een vergadering van zondige stervelingen, allen het verdorven beeld van den aardschen Adam dragende, naar haar wezen is zij een openbaring van Christus' lichaam, welks leden het beeld van den hemelschen mensch zullen dragen. (1 Cor. 15 : 49).

Ziende op de roeping om Christus' getuige te zijn in de wereld, dus ziende op den Dienst des Woords, verschijnt de kerk als een orgaan, waarvan Christus zich bedient tot verzameling van Zijn volk. Daarmede hangt echter onmiddellijk samen, dat een gemeente ontstaat. De roep des Evangelies krijgt gehoor. De kerk neemt een zichtbare gestalte aan als vergadering der geloovigen in Christus en vormt als zoodanig een afzondering van de wereld. Terwijl het leven der kerk met Christus verborgen is bij God en zij in de hemelsche heerlijkheid nog niet is ingegaan, leeft zij nochtans uit de geestelijke kracht des geloofs. Haar leven is geloofsleven, hetwelk door Woord en Geest wordt onderhouden niet alleen in de geloovigen, die in een bepaald tijdsgewrioht tot de kerk vergaderd zijn, maar dat leven wordt gewekt en onderhouden van geslacht tot geslacht. Het kan duidelijk zijn, dat de zorg voor de bediening des Woords in het midden der gemeente ook een roeping heeft te vervullen ten aanzien van het nageslacht.

De Dienst des Woords richt zich niet slechts op de wereld van het oogenblik, de prediking gaat niet alleen uit in het horizontale vlak, waarop wij staan, om de groote werken Gods te verkondigen en den roep tot bekeering en behoudenis in de ontfermingen Gods te doen weerklinken, maar hij strekt zich ook uit tot de toekomstige geslachten, ja tot den grooten dag, de toekomst des Heeren, waarin het Woord zal vervuld worden.

Op die toekomst is de verwachting der kerk door de eeuwen heen gericht. En zoo is ook in het licht dezer verwachting de bediening des Woords en haar onderhouding van geslacht tot geslacht de weg Zijner eeuwige vervulling. Van dit standpunt beschouwd verschijnt de zichtbare kerk ook zelf in het licht van de vervulling des Evangelies. In haar en aan haar worden de beloften Gods vervuld.

Als wij zoo van de zichtbare kerk en haar weg door de eeuwen spreken, is daarmede het geheel van het kerkelijk leven in al zijn verscheidenheid bedoeld. Wij handelen dus niet over een bepaald instituut met zijn bijnamen, maar over de kerk in haar historische openbaringsvormen.

Zóó als zij daar verschijnt, is zij door de prediking des Woords voortgekomen en zóó staat zij in het teeken van de vervulling van Gods Verbond in Christus. Men mag zelfs zeggen, dat in haar leven en geschiedenis het Verbond vervuld wordt. Zij komt uit de vervulling des Verbonds op en gaat de eeuwige heerlijkheid tegemoet.

Zij leeft door het geloof, haar leven is leven des geloofs, maar ook dat leven is een gave Gods, waarin Hij Zijn Verbond vervult. Door het geloof en in het geloof mag zij zich alzoo de beloften des Verbonds toeëigenen, gelijk zij daaruit ook leeft.

Dit voorrecht komt de zichtbare kerk niet toe vanwege haar meerdere of mindere zuiverheid, die zij hier of daar, in heden of verleden vertoont, maar krachtens haar wezen en roeping overeenkomstig het Woord.

Een andere vraag is, in hoeverre een bepaalde kerk aan haar wezen en roeping beantwoordt. Deze vraag brengt ons naar de practijk van het kerkelijk leven en is uit den aard der zaak van groot belang. Maar daarover gaat het thans niet. Dezelfde vraag dringt zich bovendien op ten aanzien van het leven der leden eener kerk. In hoeverre beantwoordt dat aan het wezen en de roeping des geloofs, hetwelk zijn regel vindt in Gods Woord ? De practische gesteldheid van het kerkelijk leven kan van den maatstaf des geloofs vèr verwijderd zijn, een reden te meer om dien maatstaf voor oogen te houden.

Het is dus niet zoozeer het Verbond, als de toeëigening van de beloften Gods, welke onderscheid maakt tusschen kerk en wereld. Die toeëigening geschiedt door het geloof en het geloof is uit het gehoor door het Woord Gods. De zichtbare kerk loopt echter gevaar Gods Verbond tot een scheidsmuur tusschen haar en de wereld te maken, alsof het Verbond tot de zichtbare kerk begrensd werd. Daarom wezen wij op de toeëigening der beloften des Verbonds als het onderscheidende kenmerk. Zoodra men echter dit kenmerk weer op de leden eener kerk gaat toepassen, raakt men aan het wezen des geloofs in het persoonlijke leven, en heeft men behoefte aan een nieuwe afgrenzing, zooals wij eerder uitvoerig hebben aangetoond.

Om al deze redenen kan het zijn nut hebben op het woord van Johannes (3 : 16) te wijzen, Waar de gansche inhoud des Evangelies als in een hoofdsom is saamgevat. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".

Het welbehagen Gods gaat naar de wereld uit. Van dat welbehagen zongen de engelen in Efratha's velden, toen zij de geboorte des Heeren hadden aangekondigd. God heeft de wereld hef. Hij heeft het Zijne in de wereld lief en zoekt het om het te vergaderen. Hij trekt het toch Zich door Zijn Woord.

De betrekkingen van Gods Verbond gaan dus door de gansche menschheid heen. Zij die naar het eeuwig voornemen Gods tot erfgenamen des eeuwigen levens geordineerd zijn, zijn leden van het menschelijk geslacht, dat uit éénen bloede werd geschapen. In hun Hoofd Christus, den anderen Adam, gezien, zijn zij een nieuw volk, een geestelijk geslacht, geroepen om aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig te worden. Doch God roept hen uit de wereld, aangezien zij in den schoot der menschheid verborgen zijn. Zoo maakt Gods Verbond dus geen scheidsmuur tusschen de zichtbare kerk en de wereld, al kan daar sprake zijn van een onderscheiding. Wie zal ze vergaderen uit de geslachten der aarde, die Hem van den Vader gegeven zijn, dan Jezus Christus, die een verzoening is voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar voor de zonde der geheele wereld. (1 Joh. 2 : 2). Heeft de Zone Gods niet geleden voor de zonde der geiheele wereld, omdat de Zijnen verloren waren in die wereld en met de gansche menschheid zijnde van één en hetzelfde geslacht, deel hebben aan de wereldzonde en daarmede besmet zijn ?

Zoo gaan dus de levende werkingen van Gods zoekende liefde door heel de menschheid heen, op een wijze, die ons verborgen is. Hij toont Zijn barmhartigheden tot in het duizendste geslacht en niemand zal haar wegen naspeuren. Doch zij komen alle voort , uit het Verbond.

Onnaspeurlijk is de weg, welken Gods Woord door het leven der menschheid volgt om te zoeken en zalig te maken, wat verloren is. Doch in dien weg heeft de Heere den Dienst des Woords gesteld, opdat het als een hoofdader des Verbonds zijn loop zou hebben in de wereld. Het weeft zijn levensdraden door de geslachten der aarde tot een werk van geest en leven, waarin Hij Zijn genade verheerlijkt. Dat werk nu wordt openbaar in de vergadering der gemeente, zoodat zij een zichtbaar teeken van Gods trouw en genade geeft te aanschouwen. In de zichtbare kerk wordt Gods Verbond aanschouwelijk en neemt een gestalte aan en daaruit laat zich verklaren, dat zij geneigd is het Verbond aan zich te trekken en zich daarmede te vereenzelvigen.

Op zijn beurt geeft zulks weer aanleiding de universeele roeping des Evangelies uit het oog te verliezen, alsof deze alleen tot de kerk uitging. Dat is echter niet zoo. De universeele roeping gaat op de wereld uit en dientengevolge wordt de kerk vergaderd. Er kan dus geen bezwaar worden gemaakt, als de zichtbare kerk zich de beloften des Verbonds toeeigent. Hoe anders zou zij tot openbaring komen ? Doch gelijk zij uit de wereld werd geroepen en vergaderd, zal ook de gansche volheid van Christus' gemeente uit de geslachten der aarde komen tot den berg van Gods heiligheid. De gemeenschappelijke toeëigening van de beloften Gods, in Christus geschonken, waardoor de zichtbare kerk wordt onderscheiden van de wereld, vindt haar grond in het welbehagen Gods, dat tot de menschheid uitgaat. Daarmede komt ook overeen, dat Christus de prediking des Woords aan alle creaturen gebiedt, waardoor ook de universeele roeping van Gods Verbond wordt bevestigd.

Dit ligt ook in het woord van Petrus : „Aan u komt de belofte toe en aan allen, die verre zijn, zoovelen als er de Heere, onze God, toe roepen zal". (Hand. 2 : 40). En Paulus spreekt daarvan als hij zegt, dat de middelmuur des afscheidsels gebroken is (Efeze 2 : 14), zoodat de toegang ook voor de heidenen door Christus geopend is. (Efeze 2 : 18).

Zoo heeft de bediening des Woords den roep des Evangelies naar buiten en naar binnen te doen hooren, om vervolgens de gemeente te onderwijzen in de dingen, die des Geestes Gods zijn, om haar te leiden tot de waarachtige kennis der zaligheid in Christus Jezus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1940

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1940

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's