HET VERBOND GODS
De tucht des Woords
XXIX.
De tucht des Woords.
In de voorafgaande beschouwingen kan gebleken zijn, dat het genadeverbond in den zin van het Verbond ten eeuwigen leven, zooals dat in de Formulieren van Doop en Avondmaal wordt verstaan, niet zoo eenvoudig is, als men het vaak schijnt op te nemen. Het is inderdaad waar, dat dit Verbond de uitverkorenen Gods in Christus begrijpt.
God heeft een gemeente ten eeuwigen leven verkoren. Degenen, die daartoe door den Heere zijn geordineerd, zullen het eeuwige leven beërven en daaruit zal niemand worden gemist. Wanneer men derhalve alleen de uitverkorenen voor „bondelingen" houdt — om dat minder schoone woord te gebruiken — dan heeft dat zijn goed recht, mits men voor oogen houdt, dat dit betrekking heeft op het geestelijk lichaam van Christus, zooals dat in eeuwige heerlijkheid zal worden geopenbaard. In deze levende betrekking van het genadeverbond zijn dus degenen, die daarin door den wederbarenden Geest Gods worden betrokken, of zullen betrokken worden.
Het lichaam van Christus staat in de nieuwigheid des levens. Zijn leden hebben Christus aangedaan. Derhalve is er onderscheid tusschen wedergeborenen en nietwedergeborenen. Doch het is ook weer zoo, dat er nog geen teekenen van geestelijk leven kunnen zijn, terwijl die op Gods tijd toch aan het licht komen. Wij kunnen iemand wel voor wedergeboren houden, wij kunnen dat van elkander gelooven, doch indien wij zoo onverstandig zouden zijn om een register van wedergeborenen en niet-wedergeborenen op te maken, zou dit zeker in menig geval anders uitvallen dan het boek des levens, dat in de hand van Christus is. Het valt buiten ons vermogen en buiten onze competentie, wijl de Heere alleen weet, wie de Zijnen zijn. Wij bewegen ons met al deze dingen op het terrein des geloofs en belijden naar de Heilige Schrift, dat God Zijn uitverkorenen tot erfgenamen des eeuwigen levens heeft geordineerd en dat niemand het Koninkrijk Gods zal ingaan, tenzij hij van nieuws geboren wordt. (Efeze 1 en Joh. 3). Het werk van den wederbarenden Geest Gods is dus de toevergadering tot Christus' gemeente in den eigenlijken, d. i. in geestelijken zin. Het is een werk van geest en leven, hetwelk in de verborgenheid wordt voltrokken.
Hoezeer echter het werk verborgen is, de vruchten treden naar buiten. Aan de vrucht wordt de boom gekend en waar de werken des Geestes openbaar worden, daar mag men gelooven aan de waarachtigheid van het interne leven, al kunnen wij ook in het verborgen niet zien. Voorts wordt zulk geloof versterkt, zoo wij zelf deel mogen hebben aan het werk des Geestes, want dan is er een gemeenschap, die met recht gemeenschap der heiligen wordt genoemd. Dit laatste behoort tot de kenmerkende werking van één Geest, die hetzelfde leven deelachtig maakt aan allen, welke daartoe worden verwaardigd. Deze gemeenschap sterkt ook de deelgenooten in de oefening der godzaligheid, en de kennisse Gods, die naar het Woord is. Zoo worden de werken, die een vrucht des Geestes zijn, niet alleen openbaar in de personen, maar ook in de gemeenschap der heiligen. Geleerd door één Geest, staan zij onder de wet des Geestes des levens, vereenigd in één Hoofd, n.1. den Christus der Schriften en aanbiddende één God en Vader in den eenigen Middelaar en Hoogepriester Jezus Christus.
Welke de vrucht des Geestes is, wordt ons in Galaten door Paulus duidelijk voor oogen gehouden: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. (Gal. 5 : 22). De werken des vleesches zijn openbaar, welke zijn overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen e.d.g. (Gal. 5 : 20, 21). Ziedaar de tegenstelling. Het laat aan duidelijkheid niets te wenschen over. En het zijn deze werken, die ons worden voorgehouden als de vruchten van tweeërlei akker, waaraan wij ons te toetsen hebben. Aan de vrucht wordt de boom gekend. En wat voor het persoonlijk leven geldt, is ook de toetsnaald voor het gemeenschappelijke. De gemeenschap des geloofs zal zich ook als zoodanig openbaren en zoo deze vrucht niet wordt gevonden, waar is dan het geloof ? Het is krachteloos en ijdel geworden.
Zoo zal de strijd moeten worden aangebonden allereerst tegen alle ongerechtigheid in eigen leven, opdat wij ons gewennen mogen aan de tucht des Heeren. Hoort de tucht en wordt wijs en verwerpt die niet. (Spr. 8 : 33). Daarnaast mogen wij ons niet onttrekken aan onze roeping jegens den naaste, om zijn bestwil te zoeken, en aan de roeping, welke ons naar het Woord is gesteld overeenkomende met den staat en het ambt, waarin de Heere ons heeft geplaatst. In dit alles zal het Woord als de regel des geloofs worden geëerd en geëerbiedigd, opdat de God des Woords door allen worde gevreesd. Een iegelijk heeft hier een taak, welke hij niet op eigen gezag, doch naar de norm des Woords heeft te betrachten en waarin de vrucht des geloofs tot openbaring kan komen, zoo daar een geestelijke bodem aanwezig is. Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen. (Gal. 5 : 25).
Aangezien ons deze norm voor het leven is gegeven, is het klaar en duidelijk, dat er geen aanleiding kan zijn het leven der zichtbare kerk aan een anderen regel te binden, dan welke het Woord ons voorhoudt. En wanneer wij ons daarmede als discipelen van Christus tevreden stellen, is er geen oorzaak om te strijden over het stuk der wedergeboorte en de uitverkiezing, omdat Schrift en belijdenis daaromtrent niet onzeker zijn. Het geloof, dat uit de werking des Heiligen Geestes opkomt, twist niet over deze geloofsstukken, omdat de Geest Gods in alle waarheid leidt. Maar het geloof weet ook, dat wij deze verborgenheden niet vermogen te doorgronden. Het geloof zoekt gehoorzaamheid en openbaart zich in de onderwerping aan Gods Woord. Zoo heeft de zichtbare kerk te maken met wat naar buiten treedt in leer en leven, en indien dat overeenkomt met de belijdenis, die naar de Schrift is, heeft zij dit voor een vrucht des geloofs te houden, en te weren al datgene, wat daar tegen strijdt.
De instelling van den Dienst des Woords heeft ons voorts geleerd, dat de betrekkingen van het genadeverbond ter wille van de toevergadering van de kinderen Gods, veel verder strekken en ook velen omvat, die nochtans meer of minder verwijderd en vreemd blijven van het waarachtige leven. De Heere vergadert Zijn volk door Zijn Woord en Geest. Dat is een dubbele betrekking. Het Woord doet wat, het keert nimmer ledig weer. Het doet alles, waartoe God het zendt. (Jes. 55). Hoe willen wij dat alles doorgronden, wat door den Dienst des Woords geschiedt ? Het doet alles, waartoe God het zendt. Kunnen wij dat alles weten ? Hebben wij gezeten in den Raad Gods?
Welnu dan, als God door het Woord een zending laat volbrengen als door een gezant, die het ook zelve niet in Zijn loop kan volgen, hoe zullen wij daarover oordeelen. Velen komen onder de prediking van het Woord, zonder dat ons teekenen geworden, waarin wij die geestelijke vruchten meenen te kunnen zien, die wij zouden verwachten. Is nu het Woord tevergeefs aan dezulken gepredikt ?
Dat kan niet, want het zal doen, waartoe God het zendt. Ten leven of ten doode, tot oordeel of tot voordeel, zoo geven wij toe. Dat is zoo voor den persoon, die het hoort. Hij wordt ternedergeslagen en komt tot kennis der verborgenheden der genade, of hij volhardt in onbekeerlijken wandel en sterft in zijn zonde. Doch daarmede is niet alles gezegd. Dit is het persoonlijke en onderwerpelijke, maar er is meer, want het Woord zal zijn loop hebben. Die loop, wordt niet gestoord, als het schijnbaar werkeloos langs ons heen gaat. Het volbrengt zijn goddelijke zending in de wereld.
Wij wezen op de universeele of algemeene roeping des Woords. Ook deze staat in den dienst van de toebrenging van Gods volk. De Heere houdt Zijn belofte van geslacht tot geslacht. Wij zingen : tot in het duizendste geslacht. Zoo zal het dus zijn, dat velen tot de zichtbare kerk worden geroepen, ook al komen zij niet verder dan een historisch geloof, terwille van den loop des Woords in de geslachten, zoodat de schat wordt overgedragen, opdat het ook aan anderen doe, waartoe God het zendt. De weg des Woords is verborgen. Het is als een zaad, dat uitgestrooid wordt op den akker der wereld. Mogelijk, dat het niet ontkiemt, waar het gepredikt wordt, maar wie zal uitvinden, waar en wanneer, langs welke wegen en in welk hart het de goede aarde vindt? Of anders gezegd, waar het door de werking van den Heiligen Geest vrucht zal dragen, dertig-, zestig- en houderdvoud ?
Wij weten niets en wij kennen den verborgen weg Gods door de menschheid der eeuwen niet. Daarom past ons slechts gehoorzaamheid in de bediening overeenkomstig de tucht des Woords. Zoo staat ook het ambt in dienstbetrekking van Gods genadeverbond, gelijk heel het leven van de zichtbare kerk. Uit dien hoofde staat de zichtbare kerk in het teeken des Verbonds. Daarover valt niet te twisten. Dat alles hangt saam met den loop des Woords, die in Gods hand is.
Omdat de Heere wil, dat het Woord zijn loop hebbe en alles doe, waartoe, het gezonden wordt, mag deze niet belemmerd worden door allerlei menschelijke inzettingen. Wij willen daarmede niet den schijn wekken, als meenden wij, dat stervelingen als wij zijn, het werk Gods zouden kunnen omverwerpen, doch, indien wij het Woord wederstaan en menschelijke vindingen uitnemender achten dan wat God van ons eischt, zal het zekerlijk op ons hoofd neerkomen tot schade van onze ziel en van onze naasten.
Het Woord eischt een bediening in oprechtheid, zonder bedekselen of afknottingen, alsof wij beter zouden weten, wat goed en nuttig is voor de menschen dan de God des Woords.
De bediening des Woords is aan de tucht des Woords gebonden. Zij draagt een ambtelijk karakter. En dat niet alleen in de prediking, maar de gemeente als geheel behoort zich aan de tucht des Woords te onderwerpen. Daarin treedt het verbondmatig karakter van de bediening des Woords aan het Licht. Vooreerst zal de oprechte verkondiging des Evangelies tucht uitoefenen op de gemeente, wijl het de wegen des Heeren getrouwelijk ontdekt voor het oor der menigte en den eenigen Zaligmaker Jezus Christus haar voorstelt als de van God geschonken Middelaar, buiten welken geen heil te zoeken of te vinden is. Zij opent de verborgen schatten des Woords, daaruit oude en nieuwe dingen voortbrengende, stelt den mensch voor oogen, wie hij is voor den Rechterstoel Gods en wie God is jegens den mensch. Zij leidt de gemeente in tot de waarachtige kennis van God en tot zelfkennis, wekt haar op tot zelfonderzoek en kennis der zonde, en bepaalt haar bij het leven van Gods kinderen naar het voorbeeld der heiligen, hetwelk ons in de Heilige Schrift op menigvuldige wijze wordt geteekend. Zij laat niet na den vinger te leggen bij afdwalingen en ongerechtigheden, waardoor het leven der gemeente wordt bedreigd en zij het oordeel Gods over zich haalt. Zij bestrijdt afgoderij en valschen godsdienst, opdat God alleen worde geëerd en gevreesd en de Heere Jezus Christus als de eenige en algenoegzame Zaligmaker worde geprezen.
Alleen door getrouwheid kan de bediening des Woords bevorderlijk zijn aan den loop, dien het naar Gods bestel onder de menschen zal hebben.
De oprechte prediking des Woords is dus aan de leer der apostelen en profeten gebonden. Daar is verscheidenheid ook in de gaven van den prediker. De een heeft meer talent dan de ander, en de bediening draagt daarvan ook de kenmerken. Dat neemt echter niet weg, dat de prediker niet geroepen is een leer naar eigen believen aan de gemeente voor te dragen.
De gemeente komt niet tezamen om de wijsheid van een mensch te vernemen, maar zij wordt vergaderd tot onderrichting in de hemelsche wijsheid, welke haar door het Woord is geopenbaard. Geen mensch zou trouwens den last en de verantwoordelijkheid kunnen dragen om het eeuwig wel of wee zelfs van een enkelen mensch op zich te nemen. Hoe zal dan een mensch den kansel kunnen bestijgen om op eigen gezag of op dat van een zondig sterveling een weg van heil te prediken, zooals hij dien heeft uitgedacht ?
De eenige grond tot vrijmoedigheid om van week tot week aan zoovele menschenkinderen den weg van leven en dood te kunnen voorstellen, is de hartelijke begeerte om het Woord des Konings in getrouwheid te bedienen. Die vrijmoedigheid kan rechtens alleen in de ambtelijke bediening worden gevonden. Men kan die taak alleen in getrouwheid vervullen, als een gezant van Christus' wege. Daarom is de prediker niet vrij om iets anders dan Gods Woord te verkondigen. Hij heeft geen recht allerlei wind van leer te brengen. Niet de prediker is voor de gemeente des Heeren gekruisigd, doch Christus is het Lam Gods. Zoo zal men den Christus der Schriften prediken, want de zaligheid is in geen anderen. Ondanks de verscheidenheid van gaven en talenten, zullen de getrouwe gezanten dus één en dezelfde leer brengen en zich discipelen des Heeren betoonen, onderwezen in de leer der apostelen en profeten, om daarin ook anderen voor te gaan.
In deze tucht, welke de prediker heeft Waar te nemen, komt het verbondmatige van den Dienst des Woords uit. Men heeft het Verbond Gods niet te verklaren naar eigene opvatting, want dan berooft men het juist van zijn goddelijk karakter. De Heere heeft het Verbond opgericht. Hij heeft Zijn bepalingen gesteld. Hij vervult Zijn Verbond door Zijn Woord en Geest. Hij maakt de prediking dienstbaar aan de vervulling Zijner beloften.
Indien een prediker naar eigen opvattingen gaat prediken, is hij gelijk aan een dienstknecht, die naar eigen inzicht het bestek van den bouwmeester verandert, daarvan afwijkt en het werk bederft, instede van mede te werken aan het kunstwerk, dat in het bestek hgt verborgen. Zelfs bij een menschelijk bouwwerk zullen vele bouwlieden betrokken zijn, die niet bij machte zijn uit het bestek een zuiver beeld te krijgen van wat de bouwmeester daarin heeft neergelegd.
Nog veel meer is dit het geval bij het machtige werk, dat God in Zijn Verbond heeft voorgenomen en welks uitwerking en vervulling door de eeuwen heen op een verborgen wijze plaats vindt. Daarom heeft de gemeente recht op een prediking naar de belijdenis. In deze heeft zij althans wat de groote en belangrijke stukken aangaat, neergelegd, hoe de levende kerk het Woord leert verstaan, zoodat daarin ook een richtsnoer is gegeven. De Heilige Schrift is de regel des geloofs. Welnu, de Confessie laat dien regel duidelijk zien. Zij is gegroeid uit de worsteling der kerk met haar bestrijders en is alzoo uit haar leven opgekomen. Het is daarom niet alleen van belang, dat de prediker zich aan haar houdt, maar hij heeft ook de roeping de gemeente bij haar belijdenis te bepalen, omdat zij daarin haar gemeenschappelijk geloof vindt uitgedrukt en de eenigheid onderhoudt met de kerk der eeuwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1940
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1940
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's