HET VERBOND GODS
De tucht des Woords
XXX
De tucht des Woords.
Onderwerping aan de tucht des Woords is maar niet een uitwendige zaak, alsof het een opgelegde wet gold. De vreeze Gods brengt zulk een gehoorzaamheid mede, en ofschoon de allerheiligste in dit leven nog slechts een klein beginsel der nieuwe gehoorzaamheid heeft, is dat beginsel er toch als een genegenheid om naar alle geboden Gods te leven en den strijd tegen de ongerechtigheid aan te binden.
De bereidheid des harten is een kenmerk der ware religie. De Schrift spreekt van een steenen hart en eert vleezen hart, van besnijdenis des harten en van de wet geschreven in de harten. Deze uitdrukkingen zien op de veranderingen, welke door Gods Geest worden gewerkt. De mensch in zijn verdorven natuur is hard en een vijand van God en Zijn Woord. Dit wordt aangeduid als een steenen hart. Gevoelloos voor de geestelijke dingen. Deze glijden langs den mensch heen. De Heilige Schrift spreekt dan ook van de verbrijzeling des harten, zoodat het verslagen wordt en tot verootmoediging wordt gebracht. De zonde heeft de teederheid weggenomen, welke zich koestert in de liefde Gods, maar bovendien keert de mensch zich van God af. Hij heeft geen oog voor de weldaden Gods en als de Heere niet tusschentreedt verhardt hij zich nog onder de kastijdingen en slagen, waarmede de Heere hem bezoekt. Zoo dwaalt hij steeds verder af door zelfzucht en booze begeerten voortgedreven om een wis verderf te vinden. Hij wordt een prooi van zijn hartstochten en valt in de strikken des duivels om eeuwig om te komen, tenzij de Heere hem stil houdt in dezen heilloozen weg.
Het is dan ook een groote genade, als de Heere den mensch in zijn onbekeerlijken wandel stuit, of gelijk men dat treffend pleegt uit te drukken : arresteert. Dat woord herinnert ons aan de politie, die den boosdoener grijpt om hem voor den rechter te brengen. Dat is 't. Als de Heere een mensch Zijn genade wil bewijzen, daagt Hij hem voor Zijn rechterstoel. Hij handelt met hem als met een boosdoener en overtreder der wet, gelijk hij ook is. Woord en Geest klagen hem aan. Het Woord waaraan hij geen lust heeft gehad, wordt als een levende spiegel, waarin hij zijn beeld aanschouwt, zooals dat verwrongen en bedorven, alle schoonheid heeft verloren, waarmede zijn Schepper hem had bekleed. De Heilige Geest overtuigt hem van zonde en ongerechtigheid en opent de ziel voor Gods waarheid. Door het recht Gods verslagen en den toorn Gods billijkend, wordt zij bereid en ontvankelijk gemaakt voor de genade Gods en de Geest des Heeren voedt de hope op Zijn ontfermingen. Hij wijst haar op de liefde Gods in den Middelaar Jezus Christus en werkt allengs een toe-eigenend geloof, dat de weldaden des Heeren leert omhelzen en het beginsel der waarachtige liefde Gods in haar legt, zoodat een teedere Godsvrucht opbloeit in de nieuwigheid des levens.
Het is die liefde, welke werkzaam wordt in het leven, zoekende een nieuwe gehoorzaamheid, welke in het Woord een richtsnoer vindt.
Deze liefde is het beginsel van de tucht des Woords, omdat zij de kracht en goddelijkheid van het Woord heeft leeren verstaan door de kennis van Gods recht en barmhartigheid. Zoo is die tucht geen opgelegde last, die zwaar valt, maar een levende zaak, een nieuwe wet van geest en leven. Mijn juk is zacht en mijn last is niet zwaar. Dat zal de ziel beamen.
Daarentegen neemt de strijd des geloofs een aanvang, die altijd weer met droefheid doet ervaren, hoezeer ook de begenadigde mensch geneigd is af te dolen en aan de begeerlijkheden van het vleesch toe te geven, want het vleesch begeert tegen den Geest. Zoo spreekt de catechismus dan ook terecht van een klein beginsel dezer nieuwe gehoorzaamheid, doch alzoo, dat Gods kind van harte willig en bereid is niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods te leven.
De ervaring van allen, die tot kennis der waarheid komen, is in dit stuk dezelfde, zoodat zij allen de voortreffelijkheid en innerlijken vrede van een godzaligen wandel leeren kennen, niet zonder ook dieper in de verdorvenheid van het menschenhart in te blikken, om steeds meer in kinderlijke afhankelijkheid uit Gods genade te leven.
Het waarachtige leven leeft bij het Woord en uit het Woord en heeft daarin een veiligen gids op den weg door deze aardsche woestenij. Wij hebben het profetische Woord, zegt de apostel, dat zeer vast is, als een toorts lichtende in de duisternis, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt. (2 Petr. 1 : 19). Deze levende ervaring van Christus' gemeente kan verklaren, waarom zij voor alles opkomt voor het Woord en Zijn gezag ook in de kerkelijke saamleving. Het is een eisch van het leven, dat zij zich onder de tucht des Woords voegt, en daarom is het ook een kenmerk van gezondheid, als zij dat doet, terwijl haar krankheid en verval zich afteekenen in het loslaten van het gezag des Woords.
Wij belijden een heilige, algemeene, Christelijke kerk. Welnu, dat is de kerk van het Woord. Zij predikt het Woord zuiver en oprecht. Zij bedient de sacramenten overeenkomstig de instelling in het Woord, zij oefent tucht naar het Woord. Tot driemaal toe het Woord. Dat is het kenteeken van de kerk des Heeren in haar waarheid en zuiverheid, zij is in het Woord gefundeerd, wordt door het Woord openbaar, leeft uit het Woord en wordt geregeerd door het Woord.
Wanneer daar eenige vergadering op aarde is, welke den naam van kerk aanneemt, is het ten onrechte en roof, zoo de genoemde kenmerken niet worden gevonden. Indien wel, zoo komt haar de naam en het gezag van de eene heilige, algemeene. Christelijke kerk toe en dan zal het haar roeping zijn deze ongerept te bewaren door de tucht naar het Woord te onderhouden, zoowel in de prediking als in de orde en de regeering.
Wij hebben op den levenden wortel der tucht gewezen om de aandacht er op te vestigen, dat zij daar tot werkzame openbaring zal komen, waar het volk vergaderd is, dat God vreest en voor Zijn Woord beeft. De Heilige Schrift komt echter met veelvuldige vermaningen tot de gemeente, vanwege haar af doling en verkoeling, ja om zich af te keeren van de afgoden. Wij wezen onlangs op Jesaja 58, zeker niet het eenige hoofdstuk der profeten, en dan denken wij aan Paulus' brieven, en zoo dat niet genoeg ware, wie denkt niet aan hetgeen Johannes bevolen werd te schrijven aan de zeven gemeenten, die in Klein-Aziƫ zijn?
Uit dit alles blijkt, dat de zichtbare kerk slechts een beginsel dezer nieuwe gehoorzaamheid vertoont. Jesaja wijst op een vroomheid zonder vruchten, zoodat het licht niet voortbreken kan. De gemeente te Corinthe werd verzwakt door innerlijke verdeeldheid en door onheilig leven, vleeschelijke begeerte en zedeloosheid. Efeze had haar eerste liefde verlaten, te Pergamus waren ergernissen, te Thyatire evenzeer, te Sardis waren weinige namen, die hun kleederen niet ontheiligd hadden, Laodicea is noch koud noch heet. Maar Philadelphia wordt geprezen, omdat het Gods Woord heeft bewaard en Zijn Naam niet verloochend heeft. Zoo zal Ik ook u bewaren in de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen. Dat staat er bij. (Vgl. Openb. 3 : 8 v.v.).
De gemeente stijgt niet hooger in de werken der liefde dan de allerheiligste, die slechts een klein beginsel heeft. Daarom zal het beeld, dat zij vertoont, altijd onvolmaakt en gebrekkelijk zijn.
De eerste eisch van de tucht des Woords is alzoo deze, dat degenen, die geacht worden den Heere te vreezen, de vermaningen des Woords allereerst op zich zelf toepassen. Velen luisteren onder de prediking meer voor anderen dan voor zich zelf. Dat is niet goed, want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. Men vertrouwe niet op de inbeelding des harten, achte zich niet vromer en heiliger dan zijn naaste, want, indien iemand ontvangen heeft, hij heeft geen roem. Het is genade.
Naarmate degenen, die God vreezen, nauwer bij het Woord leven, de werken des vleesches bedwingen, gesierd zijn met een heiligen wandel en de wereldgelijkvormigheid vlieden, naar die mate zat ook het leven der gemeente reiner worden bewaard en de tucht des Woords worden onderhouden.
Hoe onderscheiden is het Woord aan de gemeente te Philadelphia, hoewel zij kleine kracht heeft, omdat zij het Woord Gods heeft bewaard. De Heere heeft haar een geopende deur gegeven, die niemand sluiten kan. Zelfs degenen, die een synagoge des satans worden genaamd, zullen komen en aanbidden en bekennen, dat de Heere haar lief heeft. Ook in de ure der verzoeking zal zij staande blijven.
Want de liefde tot God en Zijn Woord is de kracht der Christelijke tucht. Zoo iemand Mij lief heeft, die zal Mijn Woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken. (Joh. 14 : 23).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's