HET VERBOND GODS
De tucht des Woords.
XXXIII
En het tweede gebod aan dit gelijk is : Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Als uzelf. Daar is voor een mensch niets zoo na als het zelf. Eigenlijk is 't woordje na nog te zeer verwijderd. Want het ik is het persoonlijke zelf. Vandaar dat een mensch gedreven wordt door de zucht tot zelfbehoud. Die drang is met het leven gegeven en is aan het leven eigen. Men zou haast kunnen zeggen, dat hij ondanks ons zelf werkt.
En als des Heeren gebod zoo spreekt van liefhebben als uzelf, wordt daarin niet alleen plaats gegeven aan den drang tot zelfbehoud, maar deze wordt als een welbewust streven voorgesteld, van een liefde, welke gericht is op het zelf en zijn behoud.
Daarmede is uitgedrukt, dat wij ook tot ons zelf in een zedelijke verhouding staan. De mensch kan immers ook met zich zelf in conflict zijn, jegens zich zelf kwalijk handelen en in een staat van ongerechtigheid verkeeren.
Het groote gebod bepaalt ons bij onze verhouding tot God. Dit is de voornaamste verhouding en kan ook de voornaamste zedelijke betrekking genoemd. Men zou kunnen spreken van de zedelijke grondrelatie. Vandaar ook de titel: het groote gebod.
In het tweede gebod nu worden twee zedelijke verhoudingen genoemd : t.w. de zedelijke verhouding tot ons zelf en die tot den naaste. Zoo kunnen wij dus drie zedelijke betrekkingen onderscheiden : de mensch tot God, de mensch tot zichzelf en de mensch tot zijn medemensch.
Aangezien het gebod spreekt van liefhebben van den naaste als u zelf, behoeven wij niet stil te staan bij den natuurlijken drang tot zelfbehoud, want een mensch is een zedelijk wezen en het gebod betreft ons als zoodanig en heeft de zedelijke betrekking tot ons zelf op het oog. De drang tot zelfbehoud verschijnt in zedelijk licht. Dat ligt in het woord liefhebben, dat ook op het zelf betrekking heeft.
Onmiddellijk moet daaruit volgen, dat het ik allereerst tot zichzelf in de reine zedelijke relatie moet worden gezien. Dat is uitgangspunt. Maar dan ook treedt het onderscheid aan den dag met wat men noemt: egoïsme. Egoïsme kan men ook eigenliefde of liefde tot ons zelf noemen, doch met inbegrip van een eenzijdigheid, die de perken der zedelijke relatie overschrijdt.
Als het gebod de naastenliefde wil gemeten hebben naar den maatstaf: als u zelf, dan wordt daarmede niet het ik, maar de liefde tot norm gesteld. Dezelfde zedelijke normen, die wij schuldig zijn jegens ons zelf te handhaven, zijn wij ook schuldig jegens anderen in acht te nemen. Zoo gelden ook alle geboden evenzeer tegenover ons zelf als jegens anderen. Wij mogen ons zelf niet op eenigerlei wijze bestelen, kwetsen, letsel toebrengen, niet in onoprechtheid jegens ons zelf bestaan, of eenig gebod Gods veronachtzamen, want wij hebben geen beschikking over ons leven en zijn den Heere in alle dingen gehoorzaamheid schuldig.
Op grond van deze zedelijke betrekking tot ons zelf en tot onze naasten, wordt dit tweede gebod aan het giroote gebod gelijk gesteld. Want door de zedelijke strekking van het gebod worden wij op den goddelijken Wetgever gericht, die alleen recht heeft op ons leven, waarvan Hij de Schepper en Onderhouder is. Zonder kennis van God en Zijn gebod kan er geen waarachtige liefde lot Zijn heilig Wezen zijn, doch ontbreekt het ons ook aan die zelfkennis, zonder welke de reine liefde tot ons zelf en onze naasten niet zijn kan. Alleen de ware vreeze Gods kan ons die kennis en liefde schenken, waaraan een heilig beginsel dezer gehoorzaamheid gepaard gaat.
Zoo kan het ook duidelijk zijn, dat aan deze twee geboden de gansche Wet en de profeten hangen. Hier is dus geen sprake van een van buiten opgelegde goddelijke verordening, waaraan op eenige wijze door een wettische gehoorzaamheid kan worden voldaan. Het onderricht van den Heere Jezus, die de gansche Wet in deze twee geboden saamvat, sluit allen twijfel buiten en wijst nadrukkelijk op dien godvruchtigen levensbodem. Wij willen daarmede niet beweren, dat de profeten daarop niet hebben gewezen. Integendeel, Menigvuldig getuigen zij van de liefde Gods. Deuc. 5 : 16: en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en Mijne geboden onderhouden. Deut. 7:9: Die Hem liefhebben en Zijne geboden onderhouden. Deut. 10 : 19 : Gebiedt den vreemdeling hef te hebben. Lev. 19 : 18 : Gij zult uw naasten liefhebben als u zelf. Zij hebben echter geen anderen leermeester gehad dan de hoogste Profeet en Leeraar, die hun deze dingen door Zijn Geest heeft geleerd, opdat zij Zijn weg zouden bereiden.
De volle diepte van het gebod wordt ons echter door den Heere Jezus Christus geleerd en voor oogen gehouden, zoo door Zijn prediking aan de schare en Zijn onderwijs aan de discipelen als door Zijn verheven voorbeeld. Wij denken inzonderheid aan de Bergrede. Wie is bekwaam tot de dingen, welke van ons worden gevorderd, als de Heere zoo spreekt: Daar is door de ouden gezegd, maar Ik zeg u.... Wie kan vrijuit gaan, ook al meent hij met den rijken jongeling, dat hij van zijn jeugd aan de geboden heeft onderhouden. Wie kan vrijuit gaan voor het aangezicht des Heeren ? Neen, als wij aan dien maatstaf zullen gemeten worden, is er geen mensch, die eenige aanspraak kan laten gelden. Wanneer de Wet Gods zoo diep wordt opgevat, dan kan er niemand gevonden worden, die goed is en God zoekt, ook niet tot één toe. Dat is ook zoo. De wortel der gehoorzaamheid is de liefde Gods, gelijk die in het groote gebod wordt geeischt met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en al uw kracht. Daarom worden wij door de prediking van het gebod ontdekt aan onze armoede. Het eerste en noodigste wordt vergeefs gezocht, n.l. zulk een ongeveinsde liefde, daar wij geneigd zijn God en onze naasten te haten. Diezelfde God echter, die zulk een ongeveinsde liefde van Zijn schepsel eischt, maakt Zijn goddelijke heerlijkheid en verhevenheid boven het schepsel ook daarin openbaar, dat Hij nog uitziet naar het wederhoorig kroost en het met eeuwige ontferming omhelst. Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. (Jez. 3 : 16).
De Heere eischt niet alleen een ongeveinsde liefde, maar Hij bewijst die zelfs aan een wereld, die Hem haat. Hij bewijst die in een overvloedige weldadigheid, welke aan Noach beloofd tot op dezen dag over ons gaat. Nog wordt de boog van Zijn trouw gezien als een teeken, dat Hij Zijn Verbond gedenkt. Hij bewijst Zijn weldadigheid in de zending van den Zoon om een Middelaar te zijn voor een doemwaardig volk. Die Middelaar is ons ook tot een voorbeeld geworden van de gehoorzaamheid, welke God van ons vordert. Aan Hem kan worden gezien, hoe de liefde tot ons zelf gemeten wordt naar den maatstaf niet van onzen wil, maar van Gods wil. „Ik kom om Uw wil te doen, o God''. Zoo heeft de psalmist reeds gezien in de gehoorzaamheid van den Messias. En toen de tijd Zijner openbaring was aangebroken, toen Hij Zijn werk op aarde volbracht, heeft Hij die gehoorzaamheid voor al Zijn volk bevestigd. Wanneer Christus zich zelf had liefgehad, zooals wij dat verstaan, dan zou Hij Zijn heerlijkheid niet hebben verlaten. Doch de Zoon vraagt naar den wil des Vaders. Die wil is het richtsnoer en dien te volbrengen is Zijn begeerte. „Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbij gaan, doch niet gelijk Ik wil, Uw wil geschiede".
Gods wil, ook de maatstaf en het richtsnoer van onze liefde tot ons zelf. Dan worden wij eerst gewezen op het gebod des levens, opdat wij ons zelf leeren kennen in het licht van Gods wil. Niet wat wij gaarne begeeren, maar wat den Heere welbehagelijk is. Dat is het eerste : zelfkennis in het licht van Gods openbaring. Maar dan ook de genegenheid om ons te buigen onder Gods wil en te handelen naar Zijn gebod. Dat is het tweede.
Daar kan dus van een eigenliefde, die de begeerten des harten streelt, niets meer overblijven. Geheel ons leven komt onder de tucht des Woords, zoowel ten opzichte van ons zelf als ten aanzien van den naaste. En dan wordt het onmogelijk. Alles schijnt verloren, totdat de Heere Zijn goddelijke liefde in onze harten wil uitstorten, welke ons uitdrijft tot Hem en tot alles, wat Hij bevolen heeft. Hoe lief heb ik Uw Wet, zij is mijn betrachting dag en nacht. Eerst dan zien wij, dat het gebod der naastenliefde aan het eerste gelijk is, omdat het slechts in de kracht van de liefde Gods kan worden volbracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's