De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS

8 minuten leestijd

De tucht des Woords

XXXIV

De tucht des Woords.

Wanneer wij bij het gebod des Heeren worden bepaald, merken wij tweeërlei gehoorzaamheid op. Het kan zoo zijn, dat wij door opvoeding en een onderworpenheid om des gewetens wil het gezag van de wet erkennen, zonder nochtans die liefde te koesteren, welke haar vervulling is. Dan is het gebod meer een last dan een lust. In dat geval is de wet een harde tuchtmeester, zooals de geboden van onze opvoeders en leermeesters hard kunnen aandoen, omdat zij ons verhinderen naar de begeerte van het oogenblik te handelen.

Nochtans gaat er een nuttige invloed uit van de tucht dergenen, die over ons gesteld zijn, indien zij die met wijsheid handhaven en de ongehoorzaamheid straffen met vaderlijke kastijding. In den regel zal het kind gehoorzaamheid oefenen om de straf te ontgaan, doch men meene niet, dat dit zonder nuttigheid voor het kind is. Het leert zich gewennen aan orde en regel en dat kost inspanning. Berisping en lof kunnen het daarin helpen, want het kind heeft een strijd te voeren met zich zelf. Om gehoorzaam te zijn, moet het in zich zelf overwinnen, wat daartegen ingaat. Het moet zich leeren beheerschen en naarmate het daarin slaagt, zal het een vrucht vinden voor het leven. De man, die zijn geest beheerscht, is sterker dan wie een stad inneemt, zegt de Spreukendichter. In den weg der gehoorzaamheid wordt het kind en de jongeling geoefend in zelfbeheersching.

Om die reden onthouden wij onze kinderen voor 't aardsche leven een onmisbare kracht, wanneer wij hen niet aan tucht gewennen. Zij komen te kort aan die zedelijke kracht, welke zij behoeven om de teleurstellingen en de zórgen des levens te dragen.

Zoo verdient het reeds uit een oogpunt van levenswijsheid geen aanbeveling om onze kinderen in een vrijheid op te laten groeien, waardoor zij gewoon worden aan invallende gedachten en lusten toe te geven, zonder den teugel, die hen weerhoudt. Het is een misleiding te meenen, dat zij op die wijze mannen van karakter kunnen worden, want het karakter schuilt in de innerlijke tucht, waardoor zij leeren zich zelf te zijn.

Dit alles is reeds van groote beteekenis uit een z.g. natuurlijk oogpunt, zooals men dat pleegt uit te drukken. Reeds meerdere malen hebben wij echter bezwaar gemaakt tegen het gebruik van het woord natuurlijk, omdat het zoo vaak gebezigd wordt in een verkeerden zin, n.l. alsof het een gebied betrof, dat buiten God en Zijn gebod omging. Zulk een gebied is er echter niet. De souvereiniteit Gods gaat over alle gebied, ook over het z.g. natuurlijke leven.

Indien wij ons daarvan rekenschap geven, zal men dit ook op het gebied der opvoeding erkennen. En wanneer wij gewezen hebben op de nuttigheid van de tucht, opdat de jonge menschen leeren zichzelf beheerschen en gewennen aan orde en regel, heeft dit zijn grond in den aard van het zedelijk wezen.

De tucht doet een beroep op de zedelijke onderscheiding van goed en kwaad en bedoelt op te voeden tot zedelijke zelfstandigheid. Ware nu de mensch zedelijk rein, de tucht van ouders en opvoeders zou de kastijding kunnen ontberen. Bij den gevallen mensch echter ontbreekt het aan die reinheid, welk gemis verderfelijke gevolgen heeft zoowel voor de ouderen als de jongeren. Reeds bij het kind treedt het aan den dag en de liefde van de vaders voor hun kind kan geenszins een waarborg zijn voor de wijsheid bij de taak der opvoeding. Bovendien zijn de kinderen een erfdeel des Heeren. Wij zijn niet vrij, deze taak naar eigen believen op te vatten, doch ook in dezen tot gehoorzaamheid geroepen van 's Heeren gebod.

Zoowel het een als het ander laat slechts één veilige weg, n.l. de kinderen van jongs af te gewennen aan de tucht van Gods Woord. Deze zal steeds een weerklank vinden in het geweten en bovendien dit opscherpen aan het gebod. De vrucht, waarop zoo straks in het algemeen werd gewezen, zal niet uitblijven. Veelal zal de eerbied voor het Woord weerhouden van uitbrekende zonden en richting geven aan het gedrag, zij het ook in een zekere slaafsche gehoorzaamheid en omdat het in zijn levenskring in eere wordt gehouden.

Daarin kan echter ook meerdere zegen zijn weggelegd. Want zulk een slaafsche gehoorzaamheid, zelfs al blijkt daarvan niets naar buiten, gaat gepaard met innerlijken strijd en onrust. In de binnenkamer kan het gebod als een last drukken en zelfs Gods kinderen kunnen bezwaard worden met kleinmoedigheid en wankelen, wanneer zij zien op den voorspoed dergenen, die zich schijnbaar straffeloos onttrekken aan de tucht des Woords. Mijn voeten waren bijna uitgegleden, zegt Asaf in den 73en psalm, welke ons in deze worsteling binnenleidt. Deze en dergelijke stukken uit het leven van Gods kinderen, mogen de kerk tot onderwijzing en richtsnoer zijn, wanneer zij wordt aangevallen door verleiding en zwakheid des vleesches. Waar het waarachtige leven wordt gevonden zal de ziel niet bezwijken, maar sterkte vinden in de trouwe Gods, welke is als een onwankelbare rots. Bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal niet wankelen in eeuwigheid.

Zoo kan het zijn met Gods kinderen en wat kan men dan verwachten bij een mensch, die slechts in slaafsche gehoorzaamheid door kracht van opvoeding en zekere verlichting des verstands eerbied heeft voor het Woord en buigt voor Gods wet zonder kennis van dien vrede, die alle verstand te boven gaat ? Het kan daarbinnen dikwijls stormen en weerbarstig zijn, vooral als de zorgen des levens knellen en rampspoeden duisternis spreiden over de ziel. Als daar de verzuchting van Asaf wordt geslaakt, schijnen niet wederkeer en onderwerping, maar veeleer opstand en boosheid heerschappij te nemen. De dienst wordt hard en de tuchtmeester is gestreng. Welk een gunst echter, als de Heere dien mensch niet overgeeft, maar hem tegenkomt en overreedt tot onderwerping om stil te zijn onder de krachtige hand Gods.

Vruchteloos is al het werk der wet ten aanzien van het eeuwige leven. Dat is de groote teleurstelling der slaafsche gehoorzaamheid, want deze dient om te winnen. Zij werkt om te verdienen. En nu ontdekt zij, dat haar werk vergeefsch is geweest.

Dit is echter niet de grootste zielekwelling. Als de mensch ontdekt, dat hij door de werken niet kan gerechtvaardigd worden, leert hij inzien, dat hij met God niet op voet van gelijkheid kan handelen. Hij kan God niet wat geven om weder te ontvangen.

Maar er is meer. De onderscheiding van Zijn verheven Wezen, leert hem ook inzien, dat hij een in alles afhankelijk schepsel is, die zich niet straffeloos tegen den wil van zijn Schepper en Onderhouder heeft verzet, maar het rechtvaardig oordeel Gods op zich heeft gehaald door de zonde. Hij krijgt oog voor Gods gerechtigheid en voor den staat van ongerechtigheid, waarin hij zelf verkeert. Ja, het kan zoo zijn, dat zijn hart van leedwezen wordt bewogen, omdat hij tegen de hooge Majesteit Gods heeft overtreden, hoewel Zijn goedertierenheid elken morgen nieuw is.

In die kennis wordt de hoop der slaafsche gehoorzaamheid verijdeld, wijl zij niet uitreiken kan om genoeg te doen. Alleen uit een rein hart kan de Heere gediend worden, doch hoe zal men zulk een gerechtigheid verwerven ? Onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Zulk een ziel wordt toebereid op de hope der hemelsche genade. Zij luistert naar het Woord des Evangelies met een oprechte begeerte. Zij verstaat, dat er een weg is, zoo daar iemand ware te vinden, die in zijn plaats het recht Gods volbracht en het oordeel wegnam. En als zij dan hoort van de hemelsche liefde, die in Christus zulk een levende weg heeft bereid, wordt de hope gewekt, dat zij deelen mocht in het voorrecht van Gods kinderen. De behoefte aan een nieuwe gerechtigheid drijft uit naar dien Middelaar. Het verlangen naar zulk een verlossing wordt gesterkt. Daar zijn tijden van licht en verlangen naar Zijn heil, totdat de kracht der toeëigening sterk wordt in den verborgen omgang des Heiligen Geestes en de toevlucht der genade wordt gevonden, die tot een waarachtige bekeering leidt. Wij dan gerechtvaardigd zijnde, hebben vrede bij God. Door het geloof alleen. In de volheid van deze gave Gods wordt het vertrouwen op de onvergankelijke beloften in Christus geboren. Kennis en vertrouwen voegen zich saam als dé vrucht van de werking van één Geest. Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid. Het is geen vermaning meer omtrent een onbekende zaak, maar zij vond vervulling in de ondoorgrondelijke genade van den God des Verbonds. Het is alles nieuw geworden. Ook het gezicht op de wet. Het juk der wet is afgeworpen. Zij begint een andere taal te spreken. Hoe lief heb ik Uw wet. Een hartelijke begeerte om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods te leven, treedt in de plaats van de slaafsche gehoorzaamheid. De liefde is de vervulling der wet en die God, die ons eerst heeft liefgehad, heeft niet alleen in Zijn' Christus alle gerechtigheid volbracht, maar schenkt ook nog een loon der genade als de vrucht van de werken des geloofs in deze nieuwe gehoorzaamheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's