HET VERBOND GODS
De tucht des Woords.
XXXV
De tucht des Woords.
Wij hebben gesproken over de slaafsche gehoorzaamheid en over de liefde, die de vervulling der Wet is. Bij de geboden komt dat zoo heel duidelijk uit. Daarom hebben wij eerst op het gebod gewezen.
Er is echter een dergelijke verhouding ook in het geloof, dat zich aan de waarheid Gods onderwerpt. Men kan hier niet zoozeer van een slaafsche onderwerping spreken, doch er is toch tweeërlei geloof des Woords. Er is een aannemen van de Heilige Schrift als Gods Woord door kracht van opvoeding, zooals men dat pleegt uit te drukken. Men houdt het alles voor waarachtig wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft. Men spreekt daarover, volgt den regel des geloofs in zijn beschouwingen en redeneeringen, men voegt zich geregeld onder de prediking, leest het Woord in het huisgezin maar ouderlijke gewoonte, men bidt en brengt de nooden des levens voor Gods aangezicht.
Dit zijn slechts enkele aanduidingen in het algemeen en het ware te wenschen, dat een iegelijk deze dingen getrouw waarnam, omdat de Heere waardig is van allen geëerd en gevreesd te worden. Krachtens onze schepping en ons wezen zijn wij daartoe geroepen en schuldig voor God.
Zoodra wij echter tot de personen komen, is het niet zoo duidelijk, dat zulk een geloof enkel vrucht van opvoeding is. De religie is een persoonlijke zaak en wijst op een persoonlijke betrekking tot den levenden God. Men kan die betrekking nader aanduiden in de voor een ieder geldende als de relatie van den mensch tot zijn Schepper en Weldoener. De Heere is de Vader der lichten, van Wien alle goede gaven zijn afdalende.
Het kan zoo zijn, dat men hier van een verstandelijk aannemen zou gewagen, doch ook dit geloof behoeft niet louter verstandelijk te zijn. Het gaat ook veeltijds gepaard aan een vroomheid met ieedere gevoelens en innigheid des gemoeds, zoodat daar een gevoel is voor de Voorzienige leiding des Heeren, een gevoel van afhankelijkheid en betrekking, verbonden met een mate van vertrouwen, die zelfs een zekere rust en ingetogenheid geeft.
Het zaad der religie is aan niemand vreemd en de opvoeding bij Gods Woord is als het werk van den landman. Nochtans kan de landman den wasdom niet geven. Doch, als er zulke teekenen van vroomheid en geloof zijn als wij zooeven noemden, gaat dat niet buiten een verlichtende werking van den Heiligen Geest om, ook al schenkt zij niet de zaligmakende kennis van God als een Vader en Verlosser in Christus Jezus.
Nogeens merken wij op, dat het ons niet bevolen is uit te maken, wie al dan niet wedergeboren zijn, doch van het geloof sprekend, kunnen wij de onderscheiding niet voorbijgaan. In ander verband werd er trouwens reeds uitvoeriger over gehandeld. Nogmaals noemen wij de gelijkenis van den zaaier. En hoor en wij den Heere Jezus niet zeggen : Gijlieden gelooft in God, geloof ook in Mij ? (Joh. 14 : 1). Ziedaar een onderscheiding, welke schijnt overeen te komen met de bovengenoemde.
Daar zijn er, die in God gelooven zonder den Zoon te kennen als Verlosser en Middelaar. Dit zou niet mogelijk zijn als de Heere zich niet geopenbaard had en Hij zou geen geloof vinden, als Hij het niet zelf gegeven had. Dezelfde Geest, die door het Woord heeft gesproken, geeft ook het Woord als een licht op het pad en een lamp voor den voet.
Wij hebben ook over de heiligen van het Oude Verbond gesproken, die in de verwachting Israels gestorven zijn, doch hoevelen zijn er geweest, die in den God des Verbonds hebben geloofd, zonder de beloften des Verbonds in den Zaligmaker, die komen zou, verkregen te hebben. Zij hebben volhard in een slaafsche gehoorzaamheid aan de godsdienstige plechtigheden zonder de waarachtige vroomheid te vinden. Het heilgeheim is voor hen verborgen gebleven, ofschoon zij de profeten hebben geloofd.
Zoo zijn er ook onder het Nieuwe Verbond, die de Schriften gelooven en tot de verborgenheid der godzaligheid niet komen. Nog eens, wij oordeelen niet over personen, maar over de zaak. En ook zulk een geloof is niet zonder verlichting des verstands. Niemand kan iets aannemen, tenzij het hem van boven gegeven is. De Heere is echter vrij in Zijn gaven en Hij heeft ook daarmede Zijn wijze bedoeling. In de behandeling van den dienst des Woords werd er op gewezen, dat Hij op die wijze Zijn Woord bewaart en overdraagt van geslacht tot geslacht, zoodat het alles dienstbaar is aan Zijn voornemen. Hij weet, waartoe en waarom ? En Hij vergadert uit het verre nageslacht ook Zijn kinderen door het Woord, dat van geslacht tot geslacht is geschied.
Dat alles werd reeds uitvoeriger besproken, maar deze zaak vraagt thans de aandacht met het oog op de tucht des Woords. Er is hier een betrekking op het Woord werkzaam, die evenals het geloof onderscheiden is van aard. Daar is zekere kennis van en eerbied voor het Woord, ja een aannemen van alles wat de Heere in het Evangelie heeft geopenbaard. Men gelooft, dat Gods kinderen daarin het leven hebben gevonden en zich de beloften mogen toeëigenen in Christus, maar zoodra het aan den persoon raakt is er onzekerheid, ongeloof, vreeze, soms ook een onitkenning, die ontroerend kan aandoen vanwege de schier onverschillige afwijzing. De herder, die het aangezicht van zijn schapen tracht te kennen, weet daarvan mee te spreken.
En toch is daar een zekere tucht des Woords en wanneer men zegt: uit kracht van traditie of opvoeding, is dat op zich zelf reeds een ontoereikend antwoord, omdat ook de traditie nog niet verklaard is door het Woord te noemen. Hoe kan de overlevering zulk een beslag leggen, als er geen levende betrekkingen zijn ? Dat is niet aan te nemen. Altijd wordt de traditie gedragen door de ervaring van het levende voorbeeld : het geloof van vader of moeder, het getuigenis van afgestorvene vrienden en verwanten in hun teven en sterven of bij ernstige gebeurtenissen in ons eigen leven. De herinnering aan de levende vreeze Gods om ons heen laat altijd iets na, al zou het slechts een innerlijk ontzag zijn voor de waarheid, dat onder onverschilligheid wordt verborgen. De traditie leeft voort, zoolang er aanraking is met Gods levende kerk. Naarmate deze zeldzamer wordt, kan ook de traditie verbleeken.
Op overeenkomstige wijze is het gesteld met de kracht der opvoeding. Kracht heeft de opvoeding door het voorbeeld van den opvoeder. Niet schijnheiligheid en eigengerechtigheid, maar oprechtheid van eerbied en vreeze Gods, wekt eerbied voor het Woord. Zoo werkt in traditie en opvoeding de tucht door de tucht. Aan 's menschen zijde gezien geldt het hier een afgeleide tucht, die van, het voorbeeld uitgaat en die daarom ten deele rust op het gezag der voorgangers en opvoeders. Doch ook dit is geen zaak op zich zelf, want ook het gezag is van God. Zoo grijpt het vraagstuk van de tucht des Woords op verschillende wijzen in op de orde des levens, welke de Heere heeft geboden. Waar die wordt in acht genomen om Gods wil, werkt alles saam tot onderhouding en handhaving van de tucht des Woords. Niemand leeft zichzelven en niemand sterft zichzelven.
Achter de ordeningen des levens staat de God des Woords om Zijn Raad te vervullen. En gelijk Hij den menschen gaven schenkt van verstand en hart, beschikt Hij ook de plaats onzer geboorte, het werk, waarin wij zijn gesteld, de omgeving, waarin wij leven, en de genegenheden tot Zijn Woord en dienst. Wie zal dat weefsel van de leidingen Gods uiteenrafelen en Zijn verborgenheden doorzoeken ? Wie zal ook Gods wegen in het hart van een mensch kennen ? De grens tusschen slaafsche gehoorzaamheid en de bewegingen van genegenheden, die uit een geestelijken wortel opkomen, is voor ons vaak moeilijk te bepalen. Zoo kunnen er betrekkingen tot den God des Woords zijn, die zich uiten in eerbied en vreeze, welke als kenmerken van geloof mogen gelden, hetwelk Calvijn, zooals wij reeds eerder hebben aangetoond, toeschrijft aan een algemeene genade. Hij onderscheidt deze van een bijzondere genadewerking, die wederbarend en zaligmakend is.
Deze algemeene genade is dus wederom onderscheiden van de gunst Gods, die aan alle schepselen het leven geeft en aan den gevallen mensch de voorwaarden voor dit aardsche leven schenkt en onderhoudt. De vrucht dier algemeene genade noemt hij dan ook een soort geloof. En dit geloof is niet zonder tucht, wamt het draagt kennis van God den Schepper en wordt door het Woord Gods onderwezen. Het wordt bepaald bij de deugden Gods en leeft uit de Voorzienigheid des Heeren, omdat het een levend besef van afhankelijkheid heeft gewekt en met eerbied en vreeze opziet naar den hemel.
Uit kracht van zulk een levende betrekking oefent het Woord Gods zijn tucht op het leven derzulken uit. En dit alles draagt een zegen mede voor persoon en huis en arbeid, omdat de Heere Zijn waarheid gestand doet. Vandaar dat men hier spreekt van een uitwendig geloof of uitwendig Verbond. De hoofdzaak echter ligt daarin, dat het geloof in deze betrekking niet leeft uit het kindschap, maar uit de dienstbaarheid. Het houdt daarmede ook verband, dat deze vroomheid veelal een wettisch karakter draagt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's