De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS

10 minuten leestijd

De tucht des Woords.

XXXVI

De tucht des Woords.

Hoe geheel anders gaat het Woord spreken tot degenen, die in de toeëigening van het zaligmakend geloof staan en Christus als hun Borg en Middelaar kennen en in het geloof omhelzen. Het is niet alleen de vreugde der verlossing, welke zij in Hem hebben gevonden, als zij vergeving der zonde in Zijn hloed alleen uit genade deelachtig zijn geworden. Ook die vreugde is groot. De drukkende last van het oordeel voor tijd en eeuwigheid verloren in Zijn vergevende liefde. Dat is een weldaad Gods, die een onvergetelijk spoor in het leven zet, een fundament, dat niet meer wegzinkt, hoewel het ook in het binnenste wordt bestreden.

Die strijd blijft echter niet zonder vrucht. Men gebruikt dan het beeld van den boom, die altijd weer dieper zijn wortels uitslaat, naarmate hij meer van de stormen wordt bewogen. De Heilige Schrift spreekt van eikeboomen der gerechtigheid en van de plant des geloofs. Het beeld is dus niet ongeschikt. Het geloof is als een plant, die teeder is in den aanvang, maar groeit en toeneemt in kracht. Elders spreekt de Schrift van het Koninkrijk Gods bij vergelijking van een mosterdzaad, dat opwast tot een boom, waarin de vogelen des hemels nestelen. Zoo wordt een krachtig geloof ook tot steun van anderen en het gemeenschappelijk geloof tot een schutdak.

De worsteling des geloofs, dat alleen in Christus' zoenbloed vergeving heeft gevonden, is in de eerste plaats vruchtbaar tot meerdere kennis van den Heere Jezus als Middelaar in wien alle beloften des Verbonds vervuld zijn. Hij is toch de overste Leidsman des geloofs. Zoo leidt Hij ook in in den diepen rijkdom van Zijn middelaarsschap, omdat Hij de Zijnen spreekt uit de verborgenheid van den Raad Gods. Hij kwam immers om den wil des Vaders te doen. Daartoe kwam Hij in het vleesch, daartoe is hij geworden als onzer één, doch uitgenomen de zonde, daartoe ging Hij in onzen dood in, heeft Hij den last van den toorn Gods, die op ons lag, op zich genomen, opdat Hij verzoening zou teweeg brengen niet alleen voor onze zonden, maar voor de zonden der geheele wereld. (1 Joh. 2 : 2). Hij heeft de wereldzonde op zich genomen, zoodat er geen zonde te groot en te vreeselijk zou zijn, dan dat Hij de Zijnen daarvan zou kunnen verlossen.

Zoo heeft het werk der verzoening zijn wortel en oorsprong in de eeuwige liefde Gods tot Zijn maaksel. Die liefde heeft zich niet terug getrokken, toen het tegen Zijn Schepper rebelleerde. En als het in zich zelf onbekwaam en onrnachtig was om een nieuwe gerechtigheid aan te doen en de schuld uit te wisschen, heeft de Heere Zijner gedacht van voor de grondlegging der wereld en ook Zijn Zoon niet gespaard. Zijn Eeniggeborene, opdat Hij alle gerechtigheid zou volbrengen, welke voor God te doen was. Doch Hij heeft Hem overgegeven, opdat Hij de wereld met zich zou verzoenen.

Wanneer deze dingen in het geloof worden gezien en toegeëigend, wordt de vastigheid gevonden, welke niet wankelt in eeuwigheid. Dan vallen niet alleen de zonde, maar alle werken des menschen er buiten en in het niet. Het staat alles in het welbehagen Gods. Dat is de vastigheid des Verbonds. Men meene niet, dat deze ontdekking onverschilligheid voor het leven brengt, omdat alleen het goddelijk welbehagen en de werken des menschen niet in rekening komen, want het is onmogelijk, dat een waarachtig geloof niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Doch hoezeer wordt ook de liefde tot dien Middelaar aangebonden, die kwam om den wil des Vaders te doen. Hoe is Hij, die één is met den Vader, bewogen door diezelfde goddelijke liefde om zich over te geven tot den arbeid der verzoening en een medelijdende Hoogepriester te zijn, die in alle dingen verzocht is gelijk ook wij.

In de kennis van dien Middelaar wordt de genade Gods groot gemaakt, gelijk de apostel Paulus betuigt, dat hij alle ding schade heeft geacht om de uitnemende kennis van Christus. In Hem alleen is de gansche volheid van het Verbond Gods, zoodat het deelgenootschap aan die gaven niet alleen een genadige beschikking des Heeren is, maar Gods kinderen ontvangen het uit dien hemel schen schat, welke in Christus is. Hij zal het uit het Mijne nemen, n.l. de Heilige Geest, aan wien het is toebetrouwd het hart der Zijnen voor dien rijkdom te ontsluiten.

De apostel komt ook niet aan het einde van deze kennis. Maar gelijk geschreven is : Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest, want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods, (1 Cor. 2 : 9 v.v.), zoodat hij, die alle dingen schade acht om de uitnemende kennis van Christus, geen ander verlangen koestert dan Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding.

Die kennis kan niet worden uitgeput, omdat daarin is het eeuwige leven. Als hem dan ook een blik is gegund in de eeuwige heerlijkheid, weet hij geen woorden meer te vinden : onuitsprekelijke dingen. (2 Cor. 12). Dat alles ziet hij in het voornemen Gods van voor de grondlegging der wereld weggelegd tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde, in Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, n.l. de vergeving der mis­ daden, naar den rijkdom Zijner genade. (Efeze 1 : 5 v.v.).

De verdieping van de kennis van den Middelaar opent dus den blik in het eeuwig welbehagen Gods. Dat ontsluit niet alleen den vasten grond voor de zekerheid des geloofs, omdat het werk Gods door geen macht ter wereld kan gebroken worden, maar daarom ook is het geheel in Gods hand, volkomen eu algenoegzaam. De mensch kan er niets toe bijbrengen, omdat hij daartoe onbekwaam is. En dat niet alleen, want, indien ook slechts een gering stuk in de hand van den mensch ware gelegd, zou er aan de volkomenheid iets ontbreken. Voor dit geringste deel zou de mensch nog in rekening komen, zoodat er nog eenige verdienste ware, indien hij het volbracht. De Heere zou Zijn eere met den mensch deelen en het zou roof van Zijn algenoegzame heerlijkheid beteekenen.

Indien de zaligheid Gods in de hand des menschen ware gesteld, zou het geen zaligheid Gods meer zijn. Dat is nu juist de verborgenheid der genade, dat Gods kinderen het leven vinden niet in wat de mensch in zichzelven voor gelukzaligheid houdt, maar in de zaligheid Gods. Het eeuwige leven is niet een leven uit datgene, wat het zondige menschenhart vervult, maar het is een leven uit de zaligheid, die hij God is.

Daarin is het wonder van de vleeschwording des Woords. De Heere heeft de volheid Zijner genade in den Christus geopenbaard. In Hem verscheen die volheid lichamelijk, opdat Hij menschenkinderen naar Zijn, welbehagen daarin deel kon geven.

De Heere had toch niet noodig Zijn zaligheid aan menschen te openbaren, alsof Hij daardoor Zijn eigen heerlijkheid zou volmaken. Hij is in Zichzelf algenoegzaam, zijnde de eeuwige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Het is dus een vrije daad van goddelijk welbehagen, zooals het ook een vrije en souvereine daad Gods is geweest, die de wereld in het aanzijn riep. Die genade wordt nog verhoogd, als de Heere door de zonde des menschen niet werd weerhouden om Zijn welbehagen te doen, ook als Hij den Zoon overgaf tot den smadelijken dood des Kruises.

De kennis van dien Hoogepriester laat geen ruimte meer voor de geringste verdienste van 's menschen kant. Uit loutere genade, alleen om het bloed van Christus, dat is de kern van het Evangelie, de vastigheid des geloofs, en de zuiverheid der belijdenis, waaruit de gemeente des Heeren leeft. Zoolang een kerk deze waarheid nog zuiver bewaart, blijft zij in de hoofdzaak getrouw. Wie aan deze waarheid te kort doet, doet te kort aan den Christus.

Daarin ligt ook de voornaamste teugel van de tucht des Woords. De teugel dient om den gang van het dier te matigen en te leiden. Naar de woordverwantschap zijn teugel en tucht niet vreemd aan elkander. Wij hebben het zoo noodig om telkens weer herinnerd te worden aan onze ongerechtigheid, die altijd weer opborrelt uit ons verdorven hart als uit een onreioe fontein, om te leeren inzien, dat er geen hope is buiten den Christus.

Daar zou geen verwachting zijn, zoo de Heere Zijn volk niet ganschelijk voor Zijn rekening had genomen. Zoo heeft Gods kind ook noodig ontdekt te worden aan zijn eigengerechtigheid. Ook de vrome mensch is genegen om zich uitnemender te achten dan zijn naaste en ook aan die zijde te kort te doen aan de genade. Zoo heeft hij voortdurend den teugel noodig om teruggedreven te worden van zijn dwalingen ter linker- en ter rechterzijde, om weerhouden te worden van een eigenwilligen weg en steeds weer bij het Woord bepaald te worden en geleid in het effen recht des Heeren.

In dien strijd teert hij den Middelaar kennen als de overste Leidsman des geloofs, welke ons door de liefdevolle ontfermingen Gods geschonken is. Hij opent de Schriften in den omgang Zijns Geestes, het Woord wordt een levende sprake, want het wordt gekend als Zijn Woord. Die uit de waarheid is, hoort Zijn stem. Zijn stem klinkt overal door het Woord heen. Zijn Persoon staat achter het Woord, spreekt in het Woord. Zijn gestalte wordt in het Woord gevonden. Gelijk het Woord Gods van den beginne aan een Middelaar der gemeenschap tusschen God en den mensch is geweest, wordt de Middelaar als het levende Woord Gods gekend. Dit is het toch, wat Johannes in zijn Evangelie getuigt, dat het Woord, dat bij God was en God was, hetzelfde is, waardoor alle dingen gemaakt zijn, hetzelfde ook, dat is vleesch geworden en onder ons heeft gewoond. Dat Woord getuigt: Ik ben het Licht der wereld, Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Ik ben de goede Herder, die Zijn leven stelt voor de schapen. Ik ben de ware Wijnstok en Mijn Vader is de Landman. Niemand kent den Vader dan de Zoon en wien het de Zoon openbaart.

Door Hem hebben de profeten gesproken, waarom Hij ook de hoogste Profeet en Leeraar genaamd wordt. Zonder Hem zouden wij ook het Woord niet hebben. Daarom wordt het eerst recht als Gods Woord verstaan in de kennis van dezen Middelaar. Hoe anders lezen wij een boek, waarvan wij den auteur kennen en liefhebben, dan wanneer hij een vreemde voor ons is. En dat geeft ook een geheel andere betrekking tot het boek en zijn inhoud. Zoo is het ook met de Heilige Schrift. Wanneer wij in den Christus den eenigen Middelaar en Zaligmaker hebben gevonden, worden wij aan hét Woord verbonden door een betrekking der liefde tot Hem, die ons eerst heeft liefgehad, welke de slaafsche vrees uitdrijft door den Geest der aanneming tot kinderen. Dat is het beginsel eener nieuwe gehoorzaamheid en de kracht van de tucht des Woords.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's