De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS

9 minuten leestijd

Het gezag des Woords.

XXXVIII

Het gezag des Woords.

Het behoeft nauwelijks meer gezegd, dat de kennis van den Christus door den Geest der aanneming tot kinderen Gods den band tot den hemelscben Vader in en door Hem versterkt met een teedere liefde, waardoor Zijn Woord ons een kostbaar pand wordt. Het gezag van God en Zijn Woord verschijnt in het licht Zijner vergevende liefde en Zijn zorgzame Vaderhand wordt in alle dingen gezien. In die kinderlijke verhouding wordt de teedere godsvrucht geboren, die uit het leven der religie opbloeit en haar kracht doet uitgaan op de kerkelijke gemeenschap.

Het zal echter niemand ontgaan zijn, dat wij in het voorafgaande op een meer algemeenen band van eenigheid en gemeenschap hebben gewezen. Dat heeft ook een bedoeling, die wij thans nader willen toelichten. Wij begonnen er op te wijzen, dat er een betrekking is tot den God der Schriften, die alle menschen raakt, omdat zij in Hem hun Schepper hebben te erkennen, die naar Zijn Verbond de voorwaarden voor dit aardsche leven schenkt, en onderhoudt, zoodat zij allen uit Zijn goedertierenheid leven. Hij doet Zijn zon opgaan over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, De zaak zelf is zoo duidelijk, dat nauwelijks een mensch gevonden zal worden, die zulks in het binnenste niet zal toestemmen, als hij, wordt bepaald bij het mysterie van ons leven. Hoewel dat zoo is, zal toch niemand buiten Gods Woord om tot de rechte kennis van God komen. Doch, zooals telkens weer werd opgemerkt, wordt die kennis verhelderd onder de prediking des Woords, terwijl die door een zekere verlichting des verstands ook het religieuse leven versterkt, zoodat er van een geloof aan den Schepper en aan Zijn geopenbaarde Woord gesproken kan worden. Zonder ons een oordeel aan te matigen over de personen, omdat wij daartoe niet geroepen zijn, en het oordeel Godes is, mag men toch in voorwerpelijken zin zeggen, dat er zijn, wier geloof boven deze dmgen niet uitgaat, 't Kan dus zeer wel voor hen zijn weggelegd door genade in de verborgenheden der godzaligheid te worden ingeleid, doch dat neemt niet weg, dat er een meer algemeen en een meer bijzonder geloof moet worden onderscheiden. Dat geloof is dan zoowel naar zijn betrekking als naar zijn inhoud onderscheiden.

Beginnen wij bij dit laatste, dan omvat het eerste de kennis van God als Schepper en het tweede kent Hem als een Vader en Verlosser in Christus Jezus. Wellicht zal iemand vragen, waarop wij dat telkens weer op den voorgrond plaatsen. Kort en goed, omdat dit zoo vaak wordt vergeten tot schade van het kerkelijk leven zelf Niemand zal ontkennen, dat de zahgheid Gods alleen wordt gevonden in de uitnemende kennis van Christus. De eenige troost beide in leven en sterven, waarmede de Catechismus aanvangt is, zooals daar nader omschreven wordt, in het zaligmakend geloof, dat ik in Christus ingelijfd ben. De prediker is dus ook geroepen daarop steeds te wijzen en te vermanen tot zelionderzoek. Hij heeft den roep tot bekeering, welke van het Evangelie uitgaat, te vertolken en op het hart te binden. Geheel de instelling van den Dienst des Woords betuigt echter, dat het wordt uitgezonden door Hem, die kwam om het afgedrevene en verlorene te zoeken. Het Woord gaat uit tot het verlorene, opdat het behouden wordt.

De zichtbare kerk is geen zuivere weerspiegeling van Christus' kerk. Wel wordt zij een heilige vergadering genoemd, maar zij is niet een vergadering van heiligen in Dooperschen zin. Het is niet zoo, dat alleen degenen, die wedergeboren zijn tot de gemeente worden toegelaten, maar zij, die zich tot haar voegen, gelijk ook allen schuldig zijn, zooals de belijdenis leert.

Wij beginnen derhalve met ondankbaarheid en onverschilligheid jegens den God des Woords, als wij ons niet bij de kerk voegen. De Heere doet Zijn roepstem menigvuldig uitgaan, en wie niet hoort, zal zulk een ondankbaarheid en ongehoorzaamheid op Gods tijd verantwoorden. Doch, hoe zouden menschen een gemeente van wedergeborenen kunnen vergaderen? Zulke Doopersche strevingen zullen altijd weer op teleurstelling uitloopen, om erger maar niet te noemen. Het begint in den geest en eindigt in het vleesch.

Zoo volgt dus vanzelf, dat de gemeente, gezien als vergadering der geloovigen, indien het geloof naar zijn inhoud en waarheid van persoon tot persoon kon worden getoetst, een verscheidenheid zou vertoonen. En nu is het geenszins onze bedoeling om zulk een toets aan te leggen, want dat voegt ons niet. Alleen wijzen wij op de genoemde stukken, die van centrale beteekenis zijn voor den inhoud des geloofs: God gekend als Schepper van hemel en aarde, of als Vader en Verlosser in den eenigen Middelaar Jezus Christus.

Daarin zijn ook reeds de betrekkingen genoemd, welke een grond bieden om van een meer algemeene en een meer bijzondere te spreken.

Zoowaar wij allen het leven en den adem uit Gods hand ontvangen, staan wij in die algemeene levensbetrekking. En zoo daar is een erkennen en gelooven, draagt ook het persoonlijke leven daarvan de kenmerken. Daar gaat een drang uit naar Zijn Woord, omdat het geloof vindt. Zegt niet de Christus tot de discipelen : Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij ? (Joh. 14 : 1). Daarin ligt dus zulk een onderscheiding gegeven. Er is een geloof in God, dat tot de kennis van Christus, zooals Hij door de Zijnen gekend wil zijn, nog niet is voortgevaren.

Wie zou meenen, dat zulks in de kerkelijke samenkomst ook niet het geval is? Die kennis van God als een Vader en Verlosser in Christus Jezus kan echter niet uit de algemeene levensbetrekking van den mensch tot zijn Schepper opkomen. Zij Wortelt niet in de scheppende daad Gods, maar in Zijn eeuwig voornemen, dat naar de verkiezing is. Zij rust derhalve in een zeer bijzondere levensbetrekking tot den Christus, welke slechts in de nieuwigheid des levens door Zijn herscheppende genade openbaar en werkzaam wordt in de toeëigening van de weldaden, welke in Hem zijn geschonken.

De verlichting des verstands over het leven naar de orde onzer schepping is derhalve iets geheel anders dan de kennis van het nieuwe leven in Christus. Ook zonder de vernieuwende daad des Geestes kan een mensch wel verlicht worden tot gelof en een vroom leven leiden, maar hij blijft niettemin in den ouden staat, hij leeft uit den ouden stam. Doch die in Christus is, is een nieuw schepsel.

Op die wijze kan men dus van tweeërlei geloof spreken en zelfs van tweeërlei vroomheid of godsvrucht, die nochtans in beginsel zeer verschillen. Uit dien grond is het verklaarbaar, dat de uitdrukkingen waarachtig geloof, ware godsvrucht, waarachtige vroomheid in de taal der gemeente burgerrecht hebben verkregen.

Wij hebben de onderscheiding naar inhoud en betrekking des geloofs aangeduid als geloof in God als Schepper en als Vader en Verlosser in Christus.

Zien wij echter op den verstandelijken inhoud des geloofs, dan reikt die eerste kennis voor de gemeente in het algemeen genomen verder dan de kennis, dat God de wereld heeft geschapen en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt.

In het vorige stuk hebben wij er op gewezen, dat ook de meer algemeene geloofskennis, het geloof aan God den Schepper, niet zonder het Woord en een zekere verheldering des verstands wordt geboren. Wie alzoo onder de prediking des Woords verkeert, bij de kennis der Schrift werd opgevoed, in den Catechismus werd onderwezen, heeft een verstandelijke kennis van de zaken des geloofs verkregen ook in de dingen, die den weg der verlossing aangaan. Het kan zelfs zijn, dat hij een groote mate van theologische kennis heeft verworven en daarover met verstand van zaken kan spreken.

Tot op zekere hoogte is zulk een kennis algemeen en wanneer de kerk een groote plaats in het volksleven inneemt, is het volksbewustzijn daarvan doordrongen. Hoezeer dit aan het volksleven ten goede komt, behoeft na al het voorafgaande nauwelijks opmerking. Want aangezien zulk een kennis aan de prediking des Woords gepaard gaat en daaraan ook de erkenning van het gezag des Woords ten grondslag ligt en verbreid wordt, gaat daarvan een machtigen invloed uit op het openbare leven. Het verheft het zedelijk en geestelijk bewustzijn en leert het volk gewennen aan de norm van Gods Woord en Wet.

Bovendien kan het niet anders dan bevorderlijk zijn aan de onderhouding van den Dienst des Woords en den eerbied voor God en Zijn dienst. Zoo is daar een dubbele zegen in voor volk en kerk, wijl de religie de bron der ware volkskracht en van den welstand des volks is. Daarentegen wordt deze zegen veranderd in vloek en tot een oorzaak van rampspoed en oordeel, wanneer het volk de vreeze Gods verlaat, in deze kennis verachtert en in een toestand van vervreemding komt aangaande God en Zijn Woord.

Wanneer zulk een proces van verval voortschrijdt, kan dat slechts schade brengen aan het kerkelijk leven en aan geheel de saamleving. Daarom heeft de breede schare, die nog voor Gods Woord buigt en Zijn goddelijk gezag in erkentenis houdt, acht te geven op de vermaning van den apostel Judas: „Geliefden, alzoo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven voor de gemeene zaligheid, zoo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is", (vs. 2).

Daarom werd de aandacht gevestigd op de meer algemeene kennis. Die betreft het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. De apostel heeft hier het oog op het pand, dat der kerk is toebetrouwd, den ganschen inhoud des geloofs. Hij acht het noodzakelijk te vermanen om daarvoor te strijden en deze vermaning is waard door ons te worden gehoord en ter harte genomen.

Wij hebben voor dat overgeleverd geloof op te komen, overgeleverd door de Heilige Schrift, de leer der apostelen en profeten, neergelegd in onze belijdenis. Hier spreekt de apostel niet over de persoonlijke verhouding des geloofs, niet over de vraag, of en in hoeverre wij daaraan kennis hebben door oprechte toeëigening, maar voorwerpelijk over het geloof, dat aan de heiligen werd overgeleverd. Geen strijd over beschouwingen, opvattingen of afzonderlijke leerstukken, maar de gansche schat des geloofs als geheel is aan de orde, terwille van de gemeene zaligheid. Bewaar het pand, u toebetrouwd. Dat is het devies. Daartoe worden allen opgeroepen, die daarvan iets verstaan, opdat de vaste grond der waarheid niet worde prijs gegeven, en de hechte grondslagen voor het leven in eere blijven. Tot dien gemeenschappelijken strijd zijn allen geroepen, die de leer der apostelen en profeten voor de waarachtige leer der zaligheid houden. Die roep gaat uit tot allen, die zulks krachtens hun confessie belijden en het is noodig, dat zij zich bezinnen op deze zaak en taak, opdat de eenigheid openbaar worde en de gemeenschap gezocht, welke daar is en allen verbindt, n.l. het geloof, dat den heihgen overgeleverd is. Wat ook de kerken verdeeld en gescheiden houdt, het zal voor dit apostolisch vermaan moeten wijken, zoo zij getrouw zullen bevonden worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's