De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS

10 minuten leestijd

Het gezag des Woords.

XXXIX

Het gezag des Woords.

In het voorafgaande werd het gemeenschappelijk belijden op den voorgrond geschoven en in zekeren zin onderscheiden van het persoonlijke. Het kan duidelijk zijn geworden, dat daarvoor aanleiding bestaat, want er is onderscheid van geloof en belijden. Belijden is een strikt persoonlijk begrip. Belijden kan iemand slechts uit het persoonlijk geloof, zoo het een levend getuigenis zal wezen. Men kan wel zeggen, dat men voor waarheid houdt alles wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar men kan slechts belijden uit het leven der religie. Belijden is naar het wezen een stuk van het religieuse leven zelf, het is een werkzaamheid des geloofs, evenals het gebed en de liefdadigheid, de zelfverzakende liefde. In dien zin nu kan het persoonlijk belijden niet verder gaan dan het levend geloof. Uit dien hoofde is er vanzelf verscheidenheid in het persoonlijk belijden. Het is eenigermate te vergelijken met het spreken. Naarmate het kinderlijk bewustzijn toeneemt, gaat het stamelen en dit wordt allengs meer verstaanbaar en volkomener. Zoo is het ook in het geloof, het belijden wordt rijker en dieper naarmate de kennis van het religieuse leven toeneemt en groeit. Paulus' spreekt van de kinderjaren des geloofs en het toenemen tot een volwassen man in Christus.

Gelijk nu een gemeente, naar het natuurlijke leven beoordeeld, bestaat uit kleinen en grooten, kinderen, jongeren en volwassenen, zoo is het ook geestelijk gezien. Vandaar dat het persoonlijk belijden uit het geestelijke leven zeer ongelijk is al naar den wasdom, waarin een iegelijk is gevorderd, maar ook naar de gaven en talenten, want al is het dat in het natuurlijke leven alle menschen hun moedertaal machtig worden, schoon zij allen begonnen met stamelende klanken, niet allen worden redenaars en dichters, schrijvers en beoefenaars der wetenschappen. Ook zoo leeren Gods kinderen wel de taal des levens verstaan en kunnen daarin meepraten, maar daar is verscheidenheid van gaven en niemand kan verder dan hem gegeven wordt.

Zoo is ook daardoor verscheidenheid. Voorts nog zou op verschillende andere factoren gewezen kunnen worden. Hoezeer zijn de menschen onderscheiden door karakter en persoonlijke trekken. Het behoort tot het wezen van de menschheid, dat zij zich openbaart in personen. De mensch is een persoon. ledere mensch is een andere dan zijn naaste. Het persoonlijke is het geheel eigene, dat iemand maakt tot wie hij is. Dat persoonlijke blijft daarom ook in het genadeleven, ja, het komt daarin feitelijk tot volle openbaring. In dit aardsche leven kan dat ook tot botsingen leiden, want wij dragen de gaven Gods in aarden vaten. Mannen als Paulus en Barnabas raakten van elkander verwijderd, zoodat er zelfs een verbittering ontstond. Hoezeer verschillen de apostelen en profeten, schoon zij eenzelfde leven deelachtig zijn in denzelfden Christus. De kerkgeschiedenis kan hetzelfde getuigen van zoovelen. Denk slechts aan een Luther en een Calvijn. En ook de ervaring kan deze dingen dagelijks leeren.

Men zou geneigd zijn te vragen, als men op al deze verscheidenheid let, hoe het ooit tot een gemeenschappelijk belijden is gekomen. Want ten slotte kan men niet alleen met recht spreken van de leer der zaligheid, de leer der apostelen en profeten, het geloof, dat den heiligen is overgeleverd, maar de kerk op aarde heeft ondanks haar gedeeldheid zelfs nog één gemeenschappelijke belijdenis in de apostolische of de Twaalf Artikelen des geloofs. Voorts heeft iedere kerk, kerkengroep of kerkenorganisatie haar belijdenis, welke door de leden als zoodanig wordt aangehangen, althans behoort te worden aangehangen. 

De vraag is inderdaad niet zoo moeilijk te beantwoorden. Want hoezeer het persoonlijk belijden mag verschillen, het is een werkzaamheid van hetzelfde leven. Het geloof belijdt uit de levende betrekking tot den God des geloofs en het geloof in Jezus Christus belijdt uit het leven, dat met Christus verborgen is bij God. Eén Geest is het, die het leven werkt, één Geest, die getuigt uit den Christus, zooals geschreven staat, één Geest, die getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zoo zegt ook de belijdenis met toepassing op het Woord van God, de Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn. (n.l. de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments). (Art. V.)

Daarin ligt de eenheid en gemeenschap van het belijden. Het is één God, één Heere, één geloof, één doop. Vele planten van eenzelfde soort kunnen zeer verschillen, maar het is dezelfde plant, uit eenzelfde zaad gesproten. Het centrale, het saambindende, het gelijke en gemeenschappelijke is in Christus, waarom ook de Zijnen leden van Zijn lichaam worden genoemd en hetzelfde leven deelachtig zijn. (Lees ook wat het Avondmaalsformulier hieromtrent zegt).

Bedenkt men daarbij, wat de Handelingen en de Brieven ons leeren omtrent het ontstaan der eerste gemeenten onder de prediking der apostelen, dan wordt o.m. dit duidelijk, dat het persoonlijk geloof daarbij op den voorgrond trad. Uit een oogpunt van belijdenis, bleef het zeer eenvoudig, maar ook de eenvoudige belijdenis greep onmiddellijk het centrale. Die den Zoon heeft, heeft ook den Vader, want die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet. (1 Joh. 2 : 23). En niemand kan zeg gen Christus de Heere te zijn dan door den Heiligen Geest. Zoo kon de fornmle des Heiligen Doops : ik doop u in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, ook de eenvoudige belijdenis der eerste Christenen zijn. Zeg dat de kerk toen nog in de kinderschoenen stond, allengs werd zij meer volwassen ook in het belijden, zoodat dit tot nauwkeuriger uitdrukking kwam in de Twaalf Artikelen, die van den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest nader getuigen.

Dat is niet op één dag geschied, maar heeft een paar eeuwen noodig gehad. De geschiedenis van de oudste kerk geeft daaromtrent rekenschap, hoe in de botsing met het heidendom en in de worsteling met kettersche leeringen de kerk zich steeds meer bewust is geworden van de voornaamste stukken der leer. Het centrale en  allesbeheerschende moment des geloofs is en blijft de kennis van den Middelaar Jezus Christus, die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld. Daarom hangt deze belijdenis onmiddellijk saam met het Woord en de erkentenis van Zijn goddelijk gezag. Het kon dus ook niet anders of het Woord, anders gezegd de kennis van dien Christus, was ook het hart van de gemeenschappelijke belijdenis. Dat wil niet zeggen, dat ieder lid der gemeente des Heeren persoonlijk alle stukken even klaar en duidelijk belijden kon, want Johannes schrijft aan kinderkens, jongelingen en vaders. De gemeenschappelijke belijdenis ligt op hoog niveau en trekt daardoor ook de kleinen en minder gevorderden op, zoodat er wel afstand kan zijn en bij velen zal zijn tusschen hun persoonlijk geestelijk leven en het geloof der gemeente, maar het wortelwerk is één en hetzelfde bij de kleinen en de grooten, die door den Geest van Christus geleid worden.

De afstand van het persoonlijk belijden tot de belijdenis der gemeente kan echter grooter zijn. Daar kunnen valsche belijders binnen sluipen, die geen deel aan Christus hebben. (Zie Joh. 2 : 18). Met name als de kerk tot eer en aanzien in deze wereld komt, kunnen allerlei motieven uitdrijven om zich tot haar te voegen, hoewel de drang naar het water des levens niet wordt gevonden. Verder worden de huisgezinnen opgenomen in de kerk, het eene geslacht komt, het andere gaat en ook dientengevolge kunnen velen tot de kerk behooren, hoewel zij geen kennis dragen van de geestelijke dingen dan voor zoover hun historisch geloof reikt.

Onder invloed van deze en andere factoren kan er dus een groote afstand liggen tusschen het persoonlijk, belijden en de gemeenschappelijke belijdenis. Die afstand kan zelfs zoo groot zijn als tusschen het leven en den dood. De belijdenis spreekt dan ook van hypocrieten en dit niet als iets zeldzaams, maar als in den regel voorkomende. Wij mogen dus zeggen, dat het zoo even geteekende beeld het gewone is van de kerk in haar aardsche gestalte.

Het kan trouwens nog erger. Het is mogelijk, dat menschen onder de leden der kerk geteld worden, die ook verstandelijk zelfs geen kennis, of zoo goed als geen kennis dragen van de leer des geloofs. En de ervaring leert, dat de kennis der belijdenis zelfs door voorgangers niet op prijs wordt gesteld en zulk een ledigheid wordt aangevuld door allerlei wind van leer en eigenwilligen godsdienst. Het ligt voor de hand, dat men dan de grenzen der kerkelijke orde reeds verre heeft overschreden.

Het apostolisch vermaan, waarop wij boven hebben gewezen, om te strijden voor het geloof, dat den heiligen is overgeleverd, werd in den wind geslagen tot groote schade van het leven der kerk.

Zoo zijn wij nogmaals het punt genaderd, waarbij wij worden bepaald bij de roeping der kerk om over haar belijdenis te waken. Want gebeurt dat niet — het leven kent geen stilstand, het proces schrijdt voort, en door de tijden heen kan de kerkelijke gemeenschap in haar geheel zoover van de overgeleverde leer afwijken, dat alleen door een algeheele reformatie en wederkeer tot de grondslagen des geloofs de noodige zuivering kan plaats vinden. De ontwikkeling der kerk onder het pausdom en de reformatie geven daarvan een sprekend voorbeeld.

Gelijk het nu met het belijden gesteld is, zoo is het met de erkenning van het goddelijk gezag des Woords. Die twee houden gelijken tred, omdat zij eigenlijk éen zijn. Hoe grooter de afstand van het persoonlijk belijden, hoe minder de erkenning van Gods Woord in het persoonlijk leven beteekent. Immers de Heilige Schrift is de regel des geloofs. Hoe nauwer bij de Schrift, hoe nauwer bij de belijdenis, want zij is uit het levejn der kerk geboren.

Men kan dus veilig zeggen, dat de kerk verzuimt voor haar belijdenis op te komen ten koste van den eerbied en het ontzag voor God en Zijn Woord. Daarom heeft men zich ten allen tijde op Gods Woord beroepen, als men ketterijen bestreed en op hervorming aandrong. Wanneer zulk een beroep niet ter harte wordt genomen, zal de kerkelijke saamleving in haar geheel afglijden, totdat zij buiten den regel des geloofs staat.

Terug naar het Woord en terug naar de belijdenis is de eenige weg ter genezing voor een kerk, die de tucht heeft verlaten. Buigen onder het Woord, zooals de kerk in haar bloeitijd dat verstond en beleefde, dat is, zooals zij dat in haar confessie betuigt.

Terug naar de belijdenis. Geen nieuwe belijdenis, zooals sommigen willen, maar de belijdenis tot haar recht gebracht. Dat is het recht en de roeping der kerk. Wie zich daaronder niet voegen kan of wil, heeft nog niet het recht naar eigen inzicht te leeren en te regeeren of er naar te streven dat zij naar zijn persoonlijke willekeur worde geleerd en geregeerd.

Er kan een afstand zijn tusschen het persoonlijk belijden en de belijdenis der kerk, terwijl men toch deze laatste voor het getuigenis van de waarachtige leer der zaligheid houdt. Het kan ook zoo zijn, dat men op formeele gronden voorstaat, dat de kerk naar haar roeping over haar belijdenis waakt. Doch het kan ook zijn, dat men den toestand, waarin de belijdenis tot haar recht komt, uit verschillend motief niet zou wenschen en niet wil bevorderen. Hoe dezulken dat met het gezag van Gods Woord willen overeenbrengen is raadselachtig, tenzij zij dit ten eenenmale niet erkennen. Het ware echter beter, dat zij van de kerk uitgingen, wier belijdenis zij niet onderschrijven kunnen, en aan welker tucht zij zich niet willen onderwerpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's