Lezen en lezen is twee!
Antwoord aan Prof. van Niftrik
In ,,De Gereformeerde Kerk", het confessionele weekblad, van 25 Aug. 1949 schrijft prof. dr. G. C. van Niftrik een artikel met als opschrift ,,De Waarheid en de Waarheidsvriend".
Dit artikel is een aanval op mijn artikel ,,De vrouw in het ambt en de Schriftbeschouwing" in „De Waarheidsvriend" van 4 Aug. 1949.
Het artikel is polemisch gesteld en repliek wordt verwacht.
Persoonlijk houd ik niet erg van polemiek, in een polemiek spelen, helaas, menselijke factoren vaak zo'n grote rol.
Anderzijds kan polemiek soms noodzakelijk en nuttig zijn.
Het is er ons niet om te doen om Barth of Van Niftrik te bestrijden, maar het gaat om de zaken, die in 't geding zijn.
Misverstanden kunnen opgeruimd worden.
Met dit laatste moet ik beginnen. Prof. Van Niftrik heeft uit mijn artikel gehaald, wat er niet in ligt, heeft het doel voorbij geschoten, heeft tegen windmolens gevochten.
Ik heb er in mijn artikel op gewezen, dat in de Parijse Synode aangaande het vraagstuk ,,De vrouw in het ambt" argumenten voor en tegen weerklonken en dat beide standpunten zich beriepen op Schriftuurlijke gronden.
Hoe dat mogelijk is, heb ik verklaard uit een verschillende waardering van de Heilige Schrift. Wordt aan, de Heilige Schrift met de belijdenis goddelijk gezag toegekend, zodat zij absoluut normgevend is — helaas maakte het drukfouten-duiveltje hiervan vormgevend) of wordt zij gerelativeerd ?
Deze relativering kan plaats vinden door te wijzen op de cultuursituatie der Bijbelschrijvers.
Verder heb ik opgemerkt, dat ook de Barthiaanse Schriftbeschouwing relativerend is en dat dit van invloed moet zijn op de beoordeeling van verschillende vragen.
Dit werd door mij geïllustreerd door te wijzen op een typerende briefwisseling tussen Barth en Kolfhaus. Deze briefwisseling heeft n.l. betrekking op 1 Cor. 14 vs. 34 en 1 Tim. 2 vs. 12.
Barth's Schriftvisie is een andere dan die van Kolfhaus. Barth houdt vast aan een God, Die vrij en vrijblijvend Gebieder is en maakt onderscheid tussen een Bijbels gefundeerde mening en het gebod Gods, dat telkens moet worden ,,verwacht". Kolfhaus meent, dat Gods Gebod duidelijk tot ons spreekt in de Schrift en dat wij ons daaraan hebben te houden.
Uit het artikel van prof. Van Niftrik nemen wij de volgende zinsneden over :
,,Ik kan mij voorstellen, dat Observator er behoefte aan heeft de Schriftbeschouwing van Barth te bestrijden; daarvoor bestaat voor hem op het standpunt van ,,De Waarheidsvriend" alle aanleiding. Maar ik kan hem niet feliciteren met een gelukkige greep in het kort weergegeven artikel, of liever : Observator had geen ongelukkiger voorbeeld om de verderfelijkheid van Barth's Schriftbeschouwing te demonstreren kunnen kiezen dan nu juist dit: de vrouw in 't ambt! Want de waarheid is, dat Barth op grond van de Schrift grote bezwaren heeft om de vrouw tot het ambt toe te laten, zodat Observator één ander en beter voorbeeld had moeten kiezen om duidelijk te maken hoe gevaarlijk de Schriftbeschouwing van Barth is."
Dan wijst prof. van Niftrik op het boek van dr. H. van der Linde „De eerste steen gelegd", waarin de mening van Barth aangaande het probleem ,,De vrouw in 't ambt" wordt weergegeven, o.m. dat de subordinatie binnen het Nieuwe Testament wordt geleerd, in analogie aan de onderschikking van de gemeente aan Christus en dat Barth zich de vrouw niet kon voorstellen als predikster in een kathedraal, evenmin als hoofd aan de Tafel bij de bediening van het Heilig Avondmaal, omdat zo de plaatsvervanging van Christus als het hoofd der gemeente niet zou worden uitgedrukt. Verder geeft prof. van Niftrik zijn eigen indrukken in Amsterdam weer, n.l., dat Barth veel afwijzender staat dan uit het gegeven citaat blijkt en hij wijst tenslotte nog op de Kirchl. Dogmatik, de delen III, I en III, 2, waaruit blijkt, dat Barth er niet aan denkt de ,,gelijkheid" van man en vrouw te leren op Amerikaanse wijze.
,,Weet Observator deze dingen niet ? Is hij niet op de hoogte van hetgeen Barth in Amsterdam gezegd heeft ? Heeft hij de genoemde twee delen van Barth's dogmatiek niet gelezen ?
Mocht dit het geval zijn, dan moet ik zeggen, dat de lezers van „De Waarheidsvriend" op een betreurenswaardig incompetente wijze over Barth worden ingelicht. Mocht Obervator echter wèl op de hoogte zijn van hetgeen Barth in deze leert, dan wordt de zaak nög veel erger. Dan kunnen we alleen maar zeggen, dat hij de titel van het blad, waarin hij schreef, heeft vergeten en verloochend en dat de Heilige Schrift in ieder geval bij dit artikel niet „absoluut vormgevend" voor hem is geweest.
Evenwel — zó kan en wil ik dit artikel niet eindigen. Het zou, zonder méér de indruk kunnen wekken, dat ik met zekere vreugde een aperte onjuistheid in „De Waarheidsvriend" signaleer en aan de kaak stel. Ik ontken niet, dat zulks enige waarde kan hebben, nu „De Waarheidsvriend" er een systeem van schijnt te maken om wekelijks zijn kolommen te vullen met bestrijding van Barth en Barthianen".
„Wat Observator de erkenning van de Schrift als absoluut vormgevend noemt, is in waarheid en in werkelijkheid niets anders dan het toepassen van een zeer bepaalde theorie op de Heilige Schrift. Discussie met mensen als Observator c.s. zal eerst mogelijk worden, als zij dit toegeven. Zolang zij deze absoluutheidspretenties handhaven, zal dit wel onmogelijk zijn."
,,Aan Observator zou ik willen vragen : wat betekent nu concreet de krachtterm : De Schrift als absoluut vormgevend erkennen ? "
„Ons kerkvolk wordt misleid als het te horen krijgt, dat er mensen zijn als Observator, die de Schrift als absoluut vormgevend erkennen en andere, die de Schrift relativeren. Observator moet nu maar eens horen, dat hij daarmede mede-christenen wondt en pijn doet en krenkt en ergert. Het gaat bij Barth om het volstrekte gezag van de Bijbel over de Kerk en het theologisch denken." ,,De vijandschap van Obervator tegen Barth wortelt in het feit, dat hij de Bijbel-theorie van Observator niet erkennen wil."
„Wij lezen de Schrift allemaal met een bril op. Een gereformeerde, een lutherse, een barthiaanse, een piëtistische, een mystieke bril, of wat voor bril ook. Er zijn er tientallen. De eigenlijke belangrijke vraag is, of wij ons dit feit al dan niet bewust zijn. Zijn wij ons dit feit niet bewust, dan kan niemand ons meer iets leren : dan weten wij het alleen, Zijn wij ons dit feit wel bewust, dan kunnen we ons ook nog door een ander laten leren. Observator is zich dit feit niet bewust. Daarom schreef hij dat ik aan geestelijke kwakzalverij deed, omdat ik als Barthiaan ook nog iets wilde leren van het piëtisme. Ja, zo moet men wel schrijven, als men absoluutheids-pretenties heeft.
Nu zijn er brillen en brillen. Sommige brillen zijn helemaal ongeschikt om het Woord Gods te lezen, anderen zijn goed geschikt en er zijn er, die zéér geschikt zijn. Ik meen, dat de Barthiaanse bril zéér geschikt is. Maar ik houd er rekening mee, dat ik door die bril ook niet alles zien en horen kan. Daarom wil ik mij door anderen (met een andere bril op) laten leren.
Want het gaat mij niet om de handhaving van een theorie. De theologie van Barth is maar een hulpmiddel. Het gaat mij om de Schrift. Ik zou Observator iets van de humor toewensen, waarmede Barth over zichzelf en zijn theorie kan spreken."
Tot zover prof. van Niftrik.
Ik heb niet geschreven, dat Barth voorstander van de vrouw in het ambt is, waar staat dat ? Ik heb alleen geschreven dat Barth's visie op de Schrift aanleiding geeft tot verkrachting van enige Paulinische teksten, n.l. in 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2, die betrekking hebben op het vraagstuk van de vrouw in 't ambt, en dit aangetoond met de briefwisseling met Kolfhaus, waaruit blijkt, dat Kolfhaus aan het duidelijk gegeven verbod vasthoudt in die teksten — en wij met hem .— en dat Barth zich niet zo zeer aan die verboden wil binden, daar hij onderderscheid maakt tussen eigen overtuiging - ook al is deze bijbels gefundeerd — en het gebod Gods, dat telkens weer moet worden ,,verwacht". Op deze teksten fundeert Barth zich ten aanzien van het probleem ,,vrouw in 't ambt", volgens de briefwisseling, niet, wat wij met Kolfhaus wel doen, Barth heeft andere motieven om zich te stellen tegen de vrouw in 't ambt (zie verder ! Deze schriftvisie van Barth vind ik bedenkelijk ten aanzien van de oplossing van het probleem ,,de vrouw in 't ambt."
Dat heb ik betoogd, de titel van mijn artikel is dan ook : „De vrouw in 't ambt en de schriftbeschouwing". Ik heb niet geschreven over „de vrouw in 't ambt en Kar! Barth" of iets dergelijks.
Ik ben van mening, dat de Barthiaanse schriftbeschouwing op de wijze, zoals in de briefwisseling met Kolfhaus bleek, niet bevorderlijk is ten aanzien van een schriftuurlijke oplossing van het probleem „De vrouw in 't ambt", ondanks het feit, dat Barth zelf tegenstander is.
Ik maak onderscheid tussen Barth 's Schriftvisie en Earth's visie op het probleem ,,de vrouw in het ambt".
Earth's visie op de Schrift zal van invloed zijn ten aanzien van de oplossing van het vraagstuk ,,de vrouw in het ambt" ten onzent.
Meer heb ik niet betoogd en willen betogen.
Leert prof. Van Niftrik, in de voetsporen van zijn leermeester Barth, ook niet, dat wij geen-goddelijke waarheden in de Heilige Schrift hebben ? (Zie Kleine Dogmatiek, blz. 200, 201).
Hoe wil hij dan weerspreken, dat deze leer relativering van de Heilige Schrift ten gevolge moet hebben ?
Earth's visie op het vraagstuk ,,de vrouw in het ambt" heb ik niet aan de orde gesteld, bovendien heb ik daarover reeds eerder geschreven, alleen zijn Schriftvisie, die van invloed kan zijn op het probleem.
Zo vervalt de gehele verdere redenering van prof. Van, Niftrik als niet ter zake dienende, maar ik wil er toch nog even op doorgaan.
Prof. Van Niftrik vraagt : ,,Weet Observator deze dingen niet ? Is hij niet op de hoogte van hetgeen Barth in Amsterdam gezegd heeft ? Heeft hij de genoemde twee delen van Earth's dogmatiek niet gelezen ? etc.
Mijn antwoord kan kort zijn.
In ,,De Waarheidsvriend" van 14 Oct. 1948 kan hij .een artikel vinden : ,,De vrouw in het kerkelijk leven. Karl Earth". Wij citeren :
„Ook in de Assemblee van de Wereldraad van Kerken is de positie der vrouw in discussie gekomen. Volgens ,,De Rotterdammer" is het verschil van mening over dit vraagstuk duidelijk aan het licht gekomen. Er zal vanwege de Studiecommissie een boek verschijnen, waarin de meningen van de kerken; over de positie der vrouw in de kerk zullen worden gepubliceerd, 't Opmerkelijke is, dat Karl Barth volgens ,,De Rotterdammer" een mening heeft te kennen gegeven aangaande dit vraagstuk, die vrijwel overeen komt met de gronden, waarom wij de toelaatbaarheid der vrouw tot het predikambt steeds afwijzen. De Rotterdammer schrijft : ,,Dr. Karl Barth heeft als zijn mening te kennen gegeven, dat in de Bijbel duidelijk het verschil van taak en positie van man en vrouw in deze wereld naar voren treedt en dit ook moet uitkomen in de kerk. De eerste principiële vraag; diê beantwoord zal moeten worden, is dan ook, welke opdracht de vrouw in het kerkewerk kan worden gegeven, omdat er evenals in het gewone leven, verschil van positie is. Dr. Barth betoogde, dat in het Nieuwe Testament de man als hoofd wordt aangewezen en de vrouw een taak met een dienend; karakter heeft en deze onderscheiding kan niet worden uitgewist, zodat de vrouw, op welke plaats zij haar roeping vervult en in welke positie ook, vrouw, dient te blijven. In de discussies heeft deze theoloog er de nadruk op gelegd, dat deze bijbelse orde niet terzijde mag worden gesteld.
Wij zijn geen ,,Barthianen", maar we hopen toch van harte, dat ten aanzien van dit vraagstuk Karl Barth gezaghebbend moge zijn bij velen van zijn volgelingen".
Tot zover ,,De Waarheidsvriend" van 14 Oct. 1948.
Het artikel was ondertekend met . . . . . Observator !
Het minste wat ik nu mag vragen is, dat prof. Van Niftrik terug neemt, dat ik een aperte onjuistheid in ,,De Waarheidsvriend" heb geschreven. Prof. Van Niftrik heeft alleen apert onjuist gelezen en meer achter mijn woorden gezocht dan ik geschreven en bedoeld heb.
In het verdere verloop van het artikel gaat prof. Van Niftrik schrijven over de kwestie aangaande de relativering van de Schrift en het absoluut vormgevend gezag en stelt mij de vraag, hoe ik daarover denk. In komende artikelen zal ik pogen daar een antwoord op te geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's