DE HOFNAR VAN GELRE
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET BEGIN DER ZESTIENDE EEUW
„Een zot, Siebe, een zot, niets dan een zot !" roept Resius uit, als hij van zijn verbazing is .bekomen. „Zie je nu, dat je vrees van zoeven .geheel en al ijdel was ? "
Een zot ? een zot ? " vraagt Siebe, nog half ongelovig.
„Wel ja. Hoorde je dan niet de belletjes rinkelen ? En luisterde je niet naar zijn zotteklap ? Me dunkt : je hebt toch wel eens een zot gehoord, of althans gezien ? "
O ja, dat heeft hij, als jongen ten minste. Een nar van 't Hof, of van een edelman, o ja, dikwijls. Maar sinds hij een zogenaamd heilig leven is begonnen, niet meer, althans niet van nabij.
„Och ja. .... . jawel, vroeger " hakkelt Siebe, een weinig beschaamd over zijn bijgelovige vrees, blij nu, dat zijn neef zijn keurverandering thans in de duisternis niet kan opmerken. „Maar dan, dan spotte hij toch met uw gebed en ons lot. Ik heb altijd wel gedacht, dat zulke mensen erg catijvig moeten zijn en geen grein gevoel bezitten. Want, kijk eens : de lansknechten, die ons gevangen namen, en de oude cipier ook, behandelden ons nog met enig medelijden, en toch noemt men zulke mensen gemeenlijk wreed en hardvochtig. Maar dit boosaardig manneke komt ons hier bruien en sarren met zijn zottepraat, en spot ten laatste met ons door een stukske van een Latijnse litanie verminkt na te bauwen op zijn dwaze manier. — O, de Heere vergeve 't hem ! "
„St, neef, laten we zacht spreken, mogelijk beluistert men ons. En patientie ! Je beoordeelt de zot helemaal verkeerd. Zeker, het had alle schijn, dat het hem er om te doen was, om ons te sarren en te bruien, maar in je geexalteerde toestand heb je de inhoud van die zogenaamde zotteklap niet begrepen, evenmin als die lansknecht daar voor de deur. Ik begrijp er echter dit uit: hij noemde ons zotten, die huilen, en zichzelf een lachende zot. Toen liet hij er op volgen, dat de huilende zotten lachende zotten kunnen worden, als de lachende zotten de huilende maar een hand geven. Daarmee wou hij, naar 't schijnt, dit zeggen : ik wil jullie helpen ontvluchten. Te meer geloof ik dit, ja, acht ik het zelfs heel zeker, omdat de loze man er die Latijnse zin op liet volgen. Zeker, die zot moet wel iets aan die oude taal gedaan hebben, dat hij de woorden zo vloeiend uitsprak. En wat zei hij ? Zottepraat, zeg je ; maar je hebt er zeker niet goed naar geluisterd. Dit zei hij letterlijk vertaald : „Heft uw handen in de eerste nachtwake naar het venster, en looft de Heere."
Nu kun je dit als spotternij, ja, als profanie uitleggen, o, zeker ! maar ik doe dit niet. 't Zou me zeer tegenvallen, zo we weldra niet meer van hem horen. Mogelijk zal hij beproeven daarboven uit het venstertje, dat, zoals je weet, in de tuin uitziet, de tralies te verwijderen. Die ijzeren bouten leken mij bij daglicht erg doorgeroest, zodat het hem stellig een kleine moeite zou kosten zijn doel te bereiken."
't Is donker in het gevangenhok, doch niet pikdonker. De oorzaak hiervan is niet ver te zoeken. Wel is het avond, doch een echt zomerse avond, helder en lieflijk, waarin aan de hemel nog tot ver in de nacht flauwe lichtsporen van de verdwenen zon als blijven naglanzen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's