AUGUSTINUS
ZONDE EN GENADE.
Augustinus noemt de uitstorting der genade ook wel instorting van de goede wil. Wanneer wij bedenken, dat de wil van de mens wezenlijk existeert in zijn betrokkenheid op God en slechts dan vrij is, dan is het niet moeilijk in te zien, dat de rechtvaardiging een ontkenning is van elke naturalistische tendentie en zich niet leent tot een synergistische opvatting: de wil heeft in zich zelf geen énkele verdienste, zodat de inspiratie van de goede wil (= rechtvaardiging) gehéél en al het werk van God is. Alle verdienste is gave Gods. Oók de geleidelijke omvorming van het menselijk leven vanaf het moment, dat de mens de zondevergeving ontvangen heeft. Onder de overweldigende indruk van 's mensen empirische nood en schuld heeft Augustinus de noodzaak der zondevergeving in alle stadia van het leven erkend. Altijd is de vernietigende macht der zonde werkzaam — derhalve is het een overheersend levensbelang, dat de mens zich van ogenblik tot ogenblik in het bezit weet van de zondevergevende liefdemacht van God.
In die zin kan de rechtvaardiging een voortgaand proces der vernieuwing heten. Zij begint bij de in de doop geschonken vergeving en zij zet zich in een zich nimmer afsluitende reeks van genadewerkingen voort, totdat zij in de eeuwigheid haar vervulling vindt. Het is dogmatisch gesproken dan ook onvermijdelijk, dat de zondevergeving in het proces der rechtvaardiging conditioneel functionneert en daarmee toch een paedagogisch-ethisch karakter aanneemt. Zeker : de vergeving is zéér belangrijk, zij vult de genade, maar zij is niet genoeg ; zij is een pars pro toto van het heil.
Ongetwijfeld werkt het neoplatonisch ontwikkelingsmotief door in de structuur van Augustinus' rechtvaardigingsleer ; er is een voortgang, heilsweg, opklimming. Maar bij Plotinus wordt deze heilsweg kosmisch-ontologisch en bij Augustinus soteriologisch gewaardeerd. Wij zijn gerechtvaardigd, maar wij worden het al naar gelang wij voortschrijden op de weg des heils. Inderdaad : de categorie der beweging is essentieel!
Wij sluiten ons gaarne aan bij de gangbare opvatting, dat Pelagius het wezen der rechtvaardiging in haar kerygmatische gestalte (het Woord alléén redt — in het geloof alléén heeft men de vergeving van schuld !) beter heeft verstaan dan de kerkvader, maar dit neemt niet weg dat de laatste zowel het geloof als de genade Gods meer Schriftuurlijk verstaat en de nadruk laat vallen niet op de wil van de mens maar de daad Gods alléén in alle etappes van het zondig zijn souverein tot gelding heeft gebracht. Augustinus heeft radicale ernst gemaakt met de woorden van Paulus : , , Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof en dat niet uit u, het is Gods gave : niet uit de werken opdat niemand roeme ; want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat wij in dezelve zouden wandelen" (Ef. 2 : 8—10). Hierom is Augustinus van onschatbare waarde voor theologie en kerk.
Wij bespraken tot dusver de positieve resultaten, die uit Augustinus' strijd met het Manichaeïsme en het Pelagianisme te voorschijn zijn getreden. Wij zagen hoe Augustinus door het Manichaeïsme moest heengaan om te erkennen, dat het boze geen kosmisch principe is maar een kwestie van de vrije wil, dat de bijbel de énige gezaghebbende instantie is in zijn onverbrekelijke eenheid van Oude en Nieuwe Testament — voorts hoe de strijd met het Pelagianisme zijn inzicht verdiepte in de zonde, genade en rechtvaardiging. Er blijft nog over enkele grepen te doen uit de belangrijke periode van Augustinus' geschillen met de Donatisten.
Wij zullen de historische oorsprongen van het Donatisme niet nagaan, slechts zéér kort enkele kenmerken ervan noemen. In wezen loopt de strijd met de Donatisten over hetzelfde, principiële punt als die met de Pelagianen : Kan het goede een qualiteit van de mens zijn of niet ? Draagt de mens heiligheid in zich of is zij hem geschonken ? Wat geldt — heiligheidsmoraal of heiliging ?
De Donatisten stelden zich op het standpunt dat zij de ware kerk vormden. Een kerk kan dan pas kerk zijn, als haar leden zichtbaar en tastbaar het merkteken der heiligheid bezitten. Het wezen der kerk is naar hun opinie gebonden aan de staat van heiligheid, waarin de clerus zich bevindt. De sacramenten kunnen dan met recht bediend worden en effectief zijn als zij uit handen komen van heilige bisschoppen. Slechts heiligen kunnen de heiligheid bewerken. Wie niet heeft, wat hij geeft, hoe kan hij geven ? De Donatisten beschouwden de katholieke kerk als de valse kerk. Zij deprecieerden haar als Judas-kerk tegenover hun eigen, zuivere kerk, de Petrus-kerk. De grote kerk was zo ongeveer het enorme reservoir, waar alles ingestopt kon worden en waarin naar hartelust gezondigd kon worden. De katholieke priesters bedrijven afgodendienst en , , geestelijke hoererij". De Donatisten wilden rondom een gefixeerd heiligheidsideaal een kerk optrekken van een geselecteerde groep van geestelijke elite. Hun kerk was zéér begrensd en eng. Zij was een uitgesproken vijand van de oecumene. Donatus meent dat de akker Gods alléén in Afrika gebleven is. Augustinus zegt: de akker is déze wereld.
Vanaf het begin van de vierde eeuw bestonden reeds deze controversen tussen de katholieke kerk en de donatistische afscheidingsbeweging. Meer en meer hadden de tegenstellingen zich toegespitst. Het Donatisme begon zelfs een grote volksbeweging te worden die haar eisen met revolutionnaire middelen poogde af te dwingen. In deze strijd heeft Augustinus ingegrepen met de volle kracht van zijn geweldige persoonlijkheid, in een onvermoeibare, strak gespannen concentratie op het probleem van de verhouding van Sacrament en Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1954
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1954
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's