De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WET EN EVANGELIE I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WET EN EVANGELIE I

9 minuten leestijd

Referaat, gehouden op de vergadering van de hervormd intellectuelenkring, op 24 september 1955. gereformeerde

Omtrent de aanleiding van de behandeling van dit onderwerp, Wet en Evangelie, zullen velen uit uw midden zich herinneren, dat de wens opkwam in een discussie over de volgorde. Zal men zeggen , , Wet en Evangelie", of moet men het omkeren : , , Evangelie en Wet ? "

Zo op het eerste gezicht zou men niet vermoeden, dat daarachter een tamelijk ingewikkelde theologische kwestie ligt, welke in de laatste jaren op de voorgrond wordt geschoven. Dit is niet toevallig, en het verschijnsel staat ook niet op zichzelf. Het is uiting van een geest, die wij in de geschiedenis der Kerk door de eeuwen heen telkens weer en in verschillende gedaanten ontmoeten als bestrijder van het strenge oordeel Gods over de mens en het Evangelie van de souvereine genade Gods. .

Deze geest is des te gevaarlijker, omdat hij zich gaarne onschuldig en ten hoogste belangstellend voordoet onder het mom van een theologiserende geest. Hij stelt zich voor als een, die de vaan van het Evangelie hoog in de lucht verheft, en onder de schijn van de triomf der goddelijke gratie in de wereld uit te dragen over een verloren existentie, wordt de verzoening met een heilig en rechtvaardig God van een in zonde gevallen geslacht, door de hemelse barmhartigheid in Christus teweeggebracht, verduisterd in de nevelen van een onrechtmatig gestelde synthese tussen natuur en genade.

Een wijle verder zullen wij In de gelegenheid zijn op te merken, dat ook de nieuwe theologie er belang bij schijnt te hebben om het Evangelie vóór de Wet te zetten. Daarbij zal tevens blijken dat deze stelling niet zo gloednieuw is, maar reeds eerder haar sporen liet ontdekken.

Voor het ogenblik volstaan wij met er op te wijzen, dat deze afwijking van de traditionele beschouwingswijze van de verhouding Wet en Evangelie gepaard gaat met diepgaande verschilpunten ten aanzien van fundamentele geloofsstukken, als de schepping en bestemming van de mens, zijn val, de waardering der zonde en dientengevolge ook aangaande de herschepping, de verzoening en rechtvaardigmaking, heiliging toekomstige heerlijkheid. Genoeg om te verstaan, dat het ganse terrein der dogmatiek wordt doorgewoeld, en het ontbreekt niet aan geesten, die er een vermaak in schijnen te hebben de oude stellingen op te blazen, alleen reeds, omdat ze oud zijn.

Alvorens nader over de verhouding Wet en Evangelie te kunnen handelen, zal het zijn nut hebben, stil te staan bij enkele gezichtspunten aangaande de Wet.

Een enkele blik in de concordantie is voldoende om te zien hoe vaak de Wet in de Heilige Schrift wordt genoemd. En wie geen vreemdeling is in het Nieuwe Testament weet, dat met de Wet niet altijd dezelfde omvang wordt aangeduid. In engere zin wordt met de Wet bedoeld de Tien Geboden.

In Matth. 5 : 17 zegt de Christus : , , Meent niet, dat ik gekomen ben om de Wet of de profeten te ontbinden". Hier wordt het Oude Testament derhalve aangeduid als Wet en profeten. Doch in VS. 18 staat, dat er geen tittel of jota zal voorbijgaan van de Wet. Hier omvat derhalve de Wet ook de profeten. In Matth. 11 : 13 is dan weer sprake van de Wet en de profeten, die tot Johannes toe hebben geprofeteerd. In Matth. 12:5 zegt de Heere Jezus : Hebt gij niet gelezen in de Wet, dat de priesters de sabbath ontheiligen? Deze plaats slaat op Numeri 28 : 9, zodat de Wet klaarblijkelijk in dit geval de Mozaïsche wetgeving omvat. Matth. 22 : 36 : Meester, welke is het grote gebod in de Wet? , heeft wellicht ook betrekking op de pentateuch. In Joh. 10 : 34: Is er niet geschreven in uw Wet: Ik heb gezegd: gij zijt goden? , waarbij de Christus op Psalm 82 : 6 heeft gedoeld, zodat ook de Psalmen onder de Wet kunnen vallen. Daaruit blijkt derhalve, dat de Wet ook het gehele Oude Testament kan omvatten.

Dat wordt trouwens duidelijk uit de zin en de betekenis van het Hebreeuwse woord, waarover het hier gaat, n.m.l. Thora. Thora van een werkwoord jarah, betekent onderwijzing (Psalm 8:1: Een onderwijzing van Asaf). Inzonderheid betekent Thora goddelijke aanwijzing (Gen. 26 : 5) en wel bepaaldelijk onderwijzing in de weg des hells. Gesenius geeft als voorbeeld de bekende plaats Jesaja 8:16; Bindt de getuigenis toe, verzegel de Wet onder mijn leerlingen, en : Tot de Wet en de getuigenis, vs. 20.

Verder betekent Thora gewoonlijk de door de profeten verkondigde leer over de wil Gods, de overgeleverde leer, en derhalve de openbaring Gods en de Schrift als opgetekende openbaring.

Een en ander Iaat een helder licht vallen op de inhoud en de betekenis der Wet naar Schriftuurlijke opvatting. De Wet is in de eerste plaats geopenbaarde wil Gods, en wij mogen daarbij zeggen : aangaande het heil, dat Hij voor Zijn volk Israël en daarin ook voor de heidenwereld heeft bereid.

Uit de aard der zaak valt de ganse Wet, ook de Wet in engere zin als de Tien Geboden, en ook de Mozaïsche wetgeving, onder dit aspect, n.l. Godsopenbaring.

De conclusie ligt daarom voor 't grijpen — dit zij terloops opgemerkt —, dat het vanuit de Bijbelse zin van de Wet volkomen misplaatst is een scheiding te maken tussen Oude en Nieuwe Testament, zoals sommigen gewoon zijn te doen, als hadde het Oude Testament afgedaan en kon men het wel met het Nieuwe Testament alleen doen.

Zelfs de uitdrukking Wet en Evangelie mag men niet als een tegenstelling zien, omdat het Evangelie reeds in de Wet ligt. (Vgl. Jesaja 53).

Wellicht wekt deze uiting enkele twijfel of opspraak in ons midden naar aanleiding van verschillende woorden van de apostel Paulus, die over de Wet gaan, hoewel toch tevens wordt verstaan, dat hetgeen door ons werd opgemerkt, niet alleen wordt gerechtvaardigd door het feit, dat heel het Oude Testament, met inbegrip van de profeten en ook de psalmen, onder het woord Thora-Wet, goddelijke onderwijzing, wordt begrepen, maar zo mogelijk nog meer recht verkrijgt door het woord van de Christus, dat de schriften van Hem getuigen (Joh. 5 : 39), dat Hij niet is gekomen om de Wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen. (Matth. 5 : 17).

Daarmee kan het woord van de apostel niet in strijd zijn. Dat blijkt reeds duidelijk daaruit, dat Paulus zegt, dat de rechtvaardigheid is geopenbaard geworden zonder de Wet, hebbende getuigenis van de Wet en de profeten. (Rom. 3 : 21). Het getuigenis van de Wet en de profeten wordt derhalve volkomen erkend. De nadruk valt er op, dat geen vlees gerechtvaardigd wordt door de werken der Wet (Rom. 3 : 20). En als iemand menen zou, dat de Wet wordt te niet gedaan door het geloof, dan worde hij herinnerd aan het woord van de apostel: Dat zij verre ; maar wij bevestigen de Wet. (vs. 31).

Komende tot de betekenis van de Wet, releveren wij haar voornaamste werkingen als inleiding op de dienst der Wet.

a. De Wet profeteert, d.l. de Wet valt onder de profetie, zij is Godsspraak, goddelijke openbaring, Gods Woord. Vgl. Matth. 11 : 13 : Want de Wet en de profeten hebben tot Johannes toe geprofeteerd.

b. De Wet oordeelt, Rom. 2 : 12, dat is, de Wet veroordeelt, aangezien het oordeel Gods op één lijn wordt gesteld met het oordeel der Wet. (Vgl. Rom. 2, VS. 2 en 5).

Deze veroordelende kracht heeft de Wet, omdat zij Gods Woord is.

c. Uit de Wet is de kennis der zonde, Rom. 3 : 20 i 7 : 7. De Wet Gods werkt alzo ontdekkend. Zij doet dat, omdat zij de mens confronteert aan de eis van zijn wezen en bestemming.

d. De Wet is heilig (Rom, -7 : 12), want de Wet is ten leven gegeven. Doet dat en gij zult leven! Zij is ons echter ten dode geworden, omdat wij door haar geoordeeld worden. Deze dingen zeggen ons tevens, dat de Wet Gods onze levenswet is. Hoe anders zou zij ons ten leven kunnen zijn ?

e. De Wet is geestelijk.

Dat betekent, dat de Wet niet alleen onze woorden en daden regelt en oordeelt, maar ook onze gezindheid, onze gedachten en onze begeerten. De Wet gaat over lichaam en ziel en stelt de eis der gehoorzaamheid van de ganse mens, van de ganse ziel, geheel het verstand, al onze kracht. (H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek I, blz. 241),

De Wet, die ons ten leven gegeven is, is ons ten dode geworden. Maar, zal iemand zeggen, als de Wet later is ingekomen, zoals de apostel zegt (Rom. 5 : 20; Gal. 3 : 19), hoe kan die ons ten leven zijn, terwijl zij aan een gevallen mens werd gegeven. Wij weten toch dat uit de werken der Wet geen vlees gerechtvaardigd wordt.

Dat is alles tot zijn dienst. Een gevallen mens kan door de Wet niet worden gerechtvaardigd, maar daarom te meer moet het een goede zin hebben, dat, God aan die gevallen mens Zijn Wet geeft.

Aangezien God de Gever en Wreker der Wet is (vgl. Bavinck t.a.p. Ill, blz. 410), moet die in de eerste plaats betrekking hebben op God zelf, op Zijn deugden en Zijn ere. De gerechtigheid Gods waakt over de Wet, omdat God in Zijn gerechtigheid Zichzelf handhaaft. Maar dan ook spreekt het feit, dat de mens is geschapen naar het beeld Gods, zodat zijn wezen de kentekenen der goddelijke gerechtigheid draagt en zijn levenswet is, gegrond in de schepping naar Gods beeld, of wil men in zijn het beeld-Gods-zijn.

Daarom raakt de Wet deze mens niet maar van buiten, doch tekent zijn wezen krachtens zijn schepping naar Gods beeld, waarom zij dan ook geestelijk wordt genoemd.

En als dit met name geldt van de Wet in engere zin, van de Tien Geboden, dan mag de Wet in het ganse Oude Testament omvattende zin een weerspiegeling zijn van de deugden Gods.

Geeft de eerste openbaring van des mensen wezen, de Wet in die wijdere zin is de openbaring van Gods wezen voor zover Hij de mens in de kennis van Zijn wil en welbehagen wil doen delen,

Het is dan ook merkwaardig, dat de Heere God, na al de beloften aan de vaderen bij de bekendmaking van het Verbond, begint met Zich op de Sinaï voor het ganse volk te openbaren — en Zijn 'Wet, de Wet der Tien Geboden, te geven ! Het helpt niets, of iemand al zegt: ja, zij waren uitgeleid uit het diensthuis, of : zij hadden toch de beloften, — want deze waren profetisch-symbolische handelingen Gods, in concreto betrokken op het land Kanaan, doch welke eerst onder de leiding Gods in hun geestelijke zin zouden worden verstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WET EN EVANGELIE I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's