Bijbel vertalen en Bijbelvertalingen
Betekenis van de kanttekeningen
V.
Betekenis van de Kanttekeningen.
In het vorige artikel wees ik op de betekenis van de Kanttekeningen van de Statenvertaling. Hierin gaven de vertalers dikwijls rekenschap van de door hen gekozen vertaling, maar zij dachten er niet aan om te zeggen: hiermede is de zaak eens en vooral beslist; zij gingen niet op een voetstuk staan, als zou door hen het laatste woord over een tekst zijn gesproken! Grote bescheidenheid, die kenmerk is van ware wijsheid en echte wetenschap, heeft deze vrome mensen gesierd.
Het is merkwaardig, dat in de Kanttekeningen soms een vertaling genoemd wordt, die men dan wel niet kiest, maar waarvan men zegt: zo kan het ook, en die nu in de Nieuwe Vertaling voorkomt. Ik noem enkele voorbeelden. In Psalm 100 : 3 lezen wij in de Statenvertaling: Hij heeft ons gemaakt en niet wij. Zijn volk en de schapen zijner weide. De Kanttekening zegt: “Anders: Ende sijns zijn wij. De Hebreeuwsche text wort verscheydenlick gelesen". In de N. Vertaling lezen wij nu: Hij heeft ons gemaakt en Hem behoren wij toe. Jes. 9 : 2 gaf de vertalers meer moeilijkheden: Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet grootgemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen. De woorden maar en nochtans plaatste men tussen haken, in de latere uitgaven werden deze woorden cursief gedrukt om aan te duiden, dat deze woorden in de Hebreeuwse tekst niet voorkwamen. Maar zij gevoelden de moeilijkheid aan deze invoeging, die een verklaring insloot, verbonden. In de Kanttekening schreef men hierover: “Anders : ende gij hebt haer de blijdschap groot gemaakt, ofte: ebt gij niet de blijdschap groot gemaeckt?” De nadere. toelichting hierover neem ik nu niet op, maar onze lezers zien terstond, dat hier in de eerste aantekening het woord niet uit de tekst is verwijderd. Dit doen nu ook de vertalers van het N. B. G. en dit betekent een stukje z.g.n. tekstkritiek.
Dat de vertalers de grote moeilijkheden van verklaring niet uit de weg zijn gegaan in hun bondige en sobere aantekeningen blijkt b.v. uit de Kanttekeningen bij Matth. 27 : 9 over het citaat uit Zacharia, en bij Hand. 7 : 16. Daar het hier niet een kwestie van vertalen is, ga ik op deze vragen niet in; ik vermeld ze alleen om er op te wijzen, hoe men geworsteld heeft om aan het kerkvolk een Bijbel te geven, die het beste bevatte wat men in die dagen geven kon.
Invoegingen.
De grote eerbied voor de tekst komt bij de Statenvertaling ook uit in allerlei woorden, die in de vertaling zijn opgenomen, maar tussen haken, woorden, die in latere uitgaven cursief zijn gedrukt. Eigenlijk zijn deze woorden een soort waarschuwing voor de lezer, die de grondtalen niet machtig is en die dus de vertaling niet kan controleren. Ik geef toe, dat soms woorden schuin gedrukt zijn, waarvan men nauwelijks kan zeggen, dat zij in de grondtekst niet staan, b.v. de zoon van: deze wijze van zeggen behoort gewoon tot het Griekse taaleigen. Maar soms komt in de invoegingen verklaring voor en dan zijn de vertalers op een gevaarlijke weg. Soms betekent invoeging van woorden, die niet in de grondtekst staan, beslist een verandering van de inhoud van de tekst. Ik denk aan Gen. 27 : 39, het woord van de aartsvader tot Esau. Hier is ingevoegd: zult gij gezegend worden, maar dit staat niet in de tekst en bovendien heeft men het Hebreeuwse min niet vertaald en min betekent ver, in de zin van verweg, zonder. De vertaling van de Statenbijbel vinden wij wel meer in de dagen van de 17e eeuw, o.a. in de Authorised King James Version. Hier is echter een manco. Dat geldt ook van Gen. 21 : 14 : Hij gaf haar het kind.
Ook deze opmerkingen moet onze lezer zien in het licht van wat wij verder over de grote betekenis van de Statenvertaling hebben geschreven.
Soms: ik weet het niet.
Jaren geleden zeide ik eens tot Prof. Edelkoort, één van de vertalers van het Oude Testament : De moeilijkheid is voor U, dat U elke tekst vertalen moet. Ik hoor hem zeggen: Precies, man, dat is het. Een schrijver over de Bijbel kan allerlei mogelijkheden van vertaling naast elkaar zetten en het voor en tegen van een bepaalde vertaling opsommen en dan de keus laten aan de lezer, maar in een Bijbel zonder aantekeningen kan dat niet. Moet men dan een tekst onvertaald laten? Dat kan - natuurlijk - niet. Maar het is dacht ik, een bewijs van dapperheid en ook van grote eerbied voor de tekst om te verklaren: ik weet het niet.
Over de vertaling van het Griekse woordje ‘en’ is een studie te schrijven.
Ik wijs op iets anders. Er is een uitvoerige studie te maken over de vertaling van het Griekse woordje ‘en’, in het algemeen vertaald met ‘in’. Moet het nu altijd zo vertaald worden? Ik geef u enige voorbeelden uit de Statenvertaling en uit de Nieuwe Vertaling. In Efeze 4 : 1 spreekt Paulus van zich als gevangene in den Here. (St. V. en N. Vert.). De kinderen worden vermaand gehoorzaam te zijn aan hun ouders, want dit is welbehagelijk in den Here. (Col. 3 : 20). Het behaagde God Zijn Zoon in mij te openbaren. (St. V., N. Vert.) Gal. 1 : 15. In Rom. 9 : 17 hebben èn de St. V. èn de N. Vert. ‘in U’, maar hier wordt aangehaald Ex. 9 : 16, waar sprake is van aan de Egyptenaren. Ef. 4 : 4 houdt de N. Vert. zich aan de gewone vertaling ‘in’: gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping. Letterlijke vertaling dus. De St. Vert. heeft: tot één hoop uwer (be)roeping. En dat lijkt mij juister. (1 Thess. 4 : 13). De letterlijke vertaling lijkt mij in de N. Vert. onhoudbaar in 1 Thess. 4 : 17: in heiliging. De St. Vert. heeft: want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking. Ik geef slechts enige weinige voorbeelden om te illustreren, welk een nauwgezetheid vereist wordt om de Schrift te vertalen en hoeveel arbeid achter iedere vertaling ligt.
Nu ja, zegt men, maar het komt toch niet op een enkel woordje aan? Jawel, de beste vertaling hebben wij nodig; het Woord van God is dat waard!
Een Professor over een tegenwoordig door velen afgewezen vertaling.
Maar zegt een ander: k heb toch dikwijls troost ontvangen uit een woord, waarvan men nu zegt: dat staat niet in de grondtekst; dat heeft men verkeerd vertaald. Ik zou b.v. kunnen noemen het woord uit Ps. 68 : 20 : Hij overlaadt ons dag aan dag. In de N. Vertaling luidt dat: dag aan dag draagt Hij ons, of in andere vertalingen: dagelijks draagt Hij de last van ons leven. Mag ik vertellen, hoe Prof. Gossip (Glasgow) hierop eens reageerde? Hij wil de oude vertaling niet verwerpen, „al wordt de nieuwere vertaling geacht dichter bij de authentieke gedachte van de dichter te zijn. De Here keert zich van de mens niet af; dit is zijn antwoord op de zonde van de mens: genade; wij stapelen zonde op zonde; Hij stapelt genade op genade; wat wij aan God offeren is elke dag weer ondankbaarheid. Hij overlaadt ons". - Of de geschiedenis van Bunyan? Hij vertelt in zijn ‘Genade verheerlijkt aan de voornaamste der zondaren’, hoe hij een grote troost had aan 't woord: merk op de geslachten van ouds en zie: heeft iemand ooit op den Here vertrouwd en is hij beschaamd geworden?" Niemand kon hem vertellen, waar dat woord in de Bijbel stond en hij kon die tekst ook zelf nergens vinden. Totdat hij het vond in de Apocr. boeken: ccl. 2 : 10. In het eerst verontrustte hem dat. Maar later loofde hij den Here voor dat woord, dat nog menigmaal een stralend licht voor hem is geweest. Werd dat woord nu canoniek voor hem? In genen dele. Zo is het ook met een woord als uit Ps. 68. Schrift met Schrift vergeleken zijn deze woorden niet verwerpelijk.
Waarom nieuwe vertalingen?
Wij wezen reeds op allerlei oude woorden in onze Statenvertaling. Daarbij komt het feit, dat in onze dagen veel meer handschriften bekend zijn, waardoor wij dichter de oorspronkelijke tekst, door de Bijbelschrijvers geschreven, de zogenaamde autografa, kunnen benaderen.
Een ander argument, dat om voortdurende revisie van een Bijbelvertaling vraagt, is de toenemende kennis van de grondtalen. Door velerlei studies is de kennis van de Semitische talen zeer voortgeschreden. In de dagen van de Hervorming stond die eigenlijk nog in de kinderschoenen. Ik noem slechts een voorbeeld: In Jes. 3 worden opgesomd allerlei sieraden van de vrouwen in Jerusalem, een dertigtal bijeen. Een groot deel van deze woorden komt maar één keer in de Bijbel voor; wij noemen dat hapaxlegomena. Maar door de studie van het Assyrisch, Arabisch, Ugaritisch kennen wij in deze tijd de betekenis van verscheidene opgenoemde voorwerpen. Moeten wij daarvan geen gebruik maken tot een juister begrip van de prediking van de profeet, die niet maar in het algemeen de dingen aanduidt, maar zeer concreet op de zonde ingaat en de dingen bij de naam noemt?
En opnieuw, dat zijn geen kleinigheden. Wij houden vast aan de inspiratie der Schriften. En dan vallen wij als vertalers en uitleggers onder het woord, dat wij er niets van mogen afdoen en niets aan mogen toedoen. Het is de eerbied voor het Woord, dat om een vertaling vraagt, die èn wat de leer èn wat de wetenschap betreft, volkomen te verdedigen is. Och, zegt de een, als de lezers het maar begrijpen, daar gaat het om; neen, zegt de ander: er moet precies vertaald worden wat er staat. Terecht, meen ik, en dan blijft aan de uitleggers de rest over.
Utrecht, H. Bout.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's