Rome 2
De Bijbel en Rome
In de Bijbel worden Rome en het Romeinse rijk vele malen genoemd. Het juk van Rome is zwaar geweest op het volk van Israël. In de dagen van de Maccabeeën weet Simon de Maccabeeër wel een verbond te sluiten met Rome (1 Macc. 14 : 24; 15 : 15 v), maar na '63, toen Pompejus Jerusalem veroverde was er van vrijheid geen sprake meer, al heeft het volk der Joden enige voorrechten ten opzichte van de uitoefening van hun eredienst genoten; maar ook daarbij hingen zij af van de grove willekeur van Romeinse gezagsdragers en van tirannieke overheden. Zij waren een onderworpen volk, schatplichtig aan Rome (Matth. 22 : 17). En daarmede komen we aan de nieuwtestamentische tijd: Rome is de stad van keizer Augustus, in wiens dagen het Romeinse Rijk tot een wereldimperium is uitgegroeid. Op zijn wenken kwam een wereld in beweging. Rome is de stad van Tiberius, de mensenschuwe, wantrouwende veldheer, die bevel gaf aan de stadhouders het eigene van de Joden te ontzien; hij was het, die Pontius Pilatus tot stadhouder van Judea benoemde. Rome, dat is de stad van Nero, de man, op wie wij het woord uit de gelijkenis mogen toepassen. Hij vreesde God noch mens. In zijn dagen smachtte Rome 'naar een druppel menselijkheid en een vleugje liefde' (Gregorovius).
In dat Rome was in Paulus' dagen reeds een christelijke gemeente. Toen Paulus op zijn tweede reis in Corinthe verbleef ontmoette hij daar Aquila en Priscilla, die in Rome hadden gewoond voordat zij door het keizerlijk edict van Claudius gedwongen werden Rome te verlaten. Wanneer de christelijke gemeente in dit brandpunt van beschaving gesticht is, weten wij niet; in elk geval niet door Petrus en niet door Paulus. Het is niet vreemd om te denken aan de uitlandse Romeinen, van wie gesproken wordt in het Evangelie van Pinksteren. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus spreekt van een ontzaggelijke menigte, die tot de christelijke kerk behoorde (ingens multitudo).
Rome heeft de mensen intens geboeid, vandaar liepen de draden overal heen. Niet voor niets komt Rome in zovele zegswijzen tot de dag van vandaag voor: Alle wegen gaan naar Rome. — Maar aan de andere kant heeft de naam Rome velen met vrees en afschuw vervuld. Geen wonder. Als in het boek Daniël de wereldrijken getekend worden, dan worden zij allen als monsters beschreven, wrede, bloeddorstige dieren. En het ene ondier staat op na het andere. Dat geldt ook van het Romeinse Rijk: het heeft een grote muil en een ijzeren vuist.
Als Petrus in zijn eerste brief aan de vreemdelingen verstrooid in Pontus, Cappadocie, Asia en Bithynië schrijft, dan noemt hij Rome niet eens: groet de mede-uitverkorene gemeente, die in Babyion is en Marcus, mijn zoon (1 Petr. 5 : 13). Babyion, dat is hier de schuilnaam voor Rome. Natuurlijk is Petrus niet bang om het kind bij zijn naam te noemen en de naam Rome rechtuit teneer te schrijven, maar de apostel typeert hier de stad. In de naam Babylon tekent hij de gehele levenshouding en het levenspatroon van de wereldstad. Dat vinden wij in de Bijbel meer dan eens, b.v. Izebel noemt Jehu Zimri, moordenaar van zijn heer (2 Kon. 9 : 31). Zij wil zeggen: Je bent net als Zimri. Ook in ons spraakgebruik vinden wij dit wel.
De goddeloosheid van Babylon krijgt gestalte in Rome. Babel deed eens de wereld beven. Babel was het rijk van hoogmoed en tirannie. Babel zei: k zal ten hemel opklimmen en boven de sterren mijn troon oprichten, zal mij de Allerhoogste gelijk stellen (Jes. 13; 14 : 13 vv). Babel leefde in de gedachte van: niemand doet mij wat. Men waande zich tegen alles gedekt te hebben. Het heeft de gehele wereld verblind, maar is in een ogenblik vergaan (Jer. 51 : 53). Van Godswege zullen de verwoesters over Babel komen. En ineens is het uit met alle levensgenieting, alle weelde en grootsheid des levens.
Babylon—Rome
Datzelfde vinden wij in het boek der Openbaring. Als over Babylon geschreven wordt, dan wordt Rome bedoeld en het Romeinse Imperium; met zijn zelfvergoding, zijn brute machtsuitoefening, waar de ontaarding gezien wordt van de door God aan de overheid toevertrouwde autoriteit. Rome meent aan niemand verantwoording schuldig te zijn. Van Rome wordt misschien gesproken in Op. 11:8 als 'de grote stad, die in geestelijke zin Sodom en Egypte heet, waar ook hun Heere is gekruisigd'. In het algemeen wordt echter in deze tijd de opvatting gehuldigd, dat hier Jerusalem bedoeld wordt, vooral ook, omdat daar sprake is van de kruisiging van Christus. De Kanttekening van de Statenvertaling denkt aan Rome. Maar Rome wordt stellig bedoeld in h. 14 : 8, 16 : 19; 17 : 5 vv; 18 : 2. De weelde, de overdaad, de pronk en praal van Rome worden beschreven. Alle schatten en rijkdommen van de wereld gingen in één en dezelfde richting: Rome. In Op. 18 worden deze rijkdommen beschreven: goud en zilver, edelstenen; purper en scharlaken en zijde en citrushout en marmer (Op. 18 : 13). En ook in Rome gingen geesteloosheiden zedeloosheid hand aan hand. Rome wordt beschreven als een broeinest van ongerechtigheid. Men drinkt de beker der wellusten. En als straks de slag valt, dan komt het in hun hoofd niet op om Gods hand te zien in de catastrofe. Dan wenen de kooplieden vanwege de crisis in hun zaken, want niemand koopt hun waren (Op. 18 : 10). Wee, wee de grote stad Babylon, zegt men, de sterke stad! want uw oordeel is in één uur gekomen. Rome wordt vergeleken met een veile deerne. 'Bij het gouden uiterlijk van de beker passen kunst, luxe, beschaving en schoonheid van de wereldstad; met de inhoud komt overeen het gif, dat ten gronde richt, wie zich daaraan overgeeft (Hadom in Visser, Openbaring v. Johannes). Beker der wellusten eerst, beker van de toorn des Heeren daarna.
Wie zich indenkt wat er in Rome geestelijk en zedelijk te doen was kan begrijpen, dat Paulus de momenten gekend heeft, dat hij tegen Rome opzag. Wat moet dat worden. Dat blijkt wel uit wat wij in het boek van de Handelingen lezen: als de broeders hem tegemoet komen bij Appias markt en Drietabernen dan dankt hij God en schept moed. Hand. 28 : 15.
Rome was ook uiterlijk bezien in die dagen geen ideale woonplaats. De straten waren eng en de huurkazemes hoog. Martialis vertelt van een man, die tweehonderd treden moest klimmen voor hij zijn kamer had bereikt. Seneca klaagt over het ondragelijke lawaai, ook 's nachts als karren over de hobbelige straten reden. Daarbij kwamen de overstromingen van - de Tiber met al de gevolgen daarvan; branden teisterden vele malen de stad.
Over Rome gaat het in het boek van de Openbaring, op meer dan een plaats en over het oordeel. Maar wat moet ik daarmee, dwalende door deze wereldstad? Geldt dit deze stad van hier en nu, van deze mensen? Hoe lezen wij zulke diep ingrijpende stukken van de Schrift met het oog op het heden? — Het Woord van de Heilige Schrift spreekt nooit alleen voor en over het verleden. Zo kan men de Schrift wel lezen, en zo gebeurt het ook wel, dan wordt de Bijbel een geschiedenisboek, maar men doet tekort aan de boodschap voor het heden. Maar de woorden van de Schrift zijn nooit alléén voor de toekomst en met het oog op de dagen, die komen. En ook zo wordt de Schrift wel gelezen, zeker het boek van de Openbaring, waarbij dan de berekening op de voorgrond staat: dat zal er gebeuren en wanneer? Maan ook dan doet men tekort aan de boodschap voor het heden en de oproep tot bekering: Heden, indien gij Zijn stem hoort! Het woord van de profetie over Babylon-Rome waarschuwt elk volk en elke stad en elke plaats, die uit dezelfde wereldgeest leeft waarvan wij lezen in Rome en Babylon. Zoals de geest van Babel openbaar werd in Rome, sterker en benauwender, zo is het vandaag in onze wereld een concentratie van ongerechtigheid, een geest van mensvergoddelijking en mensverheerlijking enerzijds en van mensontering en mensverachting anderzijds, twee dingen die altijd hand in hand gaan. Maar het woord over Babel-Rome grijpt verder: Babels ondergang in Op. 18 betekent het grote einde 'Haar lot is wereldlot' (Schilder). En de ontwikkeling naar dat einde zien wij (Op. 22 : 11).
Er zijn tijden geweest, dat Rome en de gemeente van. Rome, van wie ook het woord gold: Gij hebt enige weinige namen die hun klederen niet bevlekt hebben, op bijzondere wijze herinnerd werden aan deze profetie van Gods oordelen over de gruwelen van Rome. Augustinus is getuige van de diepe indruk, die de val van Rome in 410 op christen en heiden heeft gemaakt. Hij was zelf diep geschokt. Hoe zit de stad eenzaam, de stad vol van rijkdommen. 'De ontzetting van Augustinus in 410 was zo mogelijk nog groter dan die van juni 1940. Men zag de vluchtelingen, aristocraten met de eerste namen van Rome, berooid en ontdaan uit de schepen komen, hoorde hun verhalen van de gruwelen in de Stad, de verbrande paleizen, de rokende tuinen van Sallustius, de jacht op de rijken, het bloed op de marmeren fora, de barbaarse karren volgesmeten met gestolen en gehavende kostbaarheden, ganse families uitgemoord, senatoren gedood. Godgewijde maagden onteerd, de oude Marcella halfdood geslagen in paleis op den Aventijn, omdat zij geen verstopt goud kon aanwijzen en alleen maar smeekte de eer van haar jonge gezellin Principia te ontzien. Men hoorde hen met ontzetting en vertelde het verder — terwijl zij zelf, de laatste Romeinen haastig het havenstadje verlieten voor Carthago, om daar meteen weer vaste plaatsen te bespreken in het theater, waar het met de grootsteedse vluchtelingen erbij nog veel doller toeging dan tevoren'. (F. v. d. Meer, Augustinus als zielzorger, blz. 144 vv). Men had niets geleerd (Op. 17 : 10 vv). De heidenen zeiden: dat komt ervan, dat Rome de oude goden heeft verlaten. En christenen klagen mee: Rome brandt in de christelijke tijd; wat hebben wij er nu aan, dat daar Petrus en Paulus zijn begraven? Maar Augustinus zegt: Die ineenstortende wereld is geen belangstelling waard. De ramp van Rome was voor Augustinus een Goddelijk ingrijpen. God is een geneesheer, die het rotte vlees uit onze beschaving wegsnijdt; deze wereld is oven van de goudsmid, waar het stro verbrandt, het vuur brandt, en het goud gelouterd en stevig uitkomt. Is Petrus daarom gestorven en bijgezet, opdat er geen steen van de theaters zou vallen?
Augustinus stond hier niet alleen. Uit de correspondentie van Hieronymus blijkt met welk een verbijstering de veldtocht naar Rome en het beleg gevolgd is in de gehele wereld: Een vreselijk gerucht kwam uit het westen tot ons (in Bethlehem). Rome wordt belegerd, de inwoners kopen hun leven met goud en als zij uitgeplunderd zijn worden zij ingesloten om na hun goederen ook hun leven te verliezen. Mijn stem stokt en snikken onderbreekt mijn woorden bij het dicteren. Veroverd wordt de stad, die de gehele wereld veroverde: van honger komt men om voordat het zwaard hen treft en slechts weinigen blijven over, die door de overwinnaar gevangen genomen worden ...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1972
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's