De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Viering en vrucht (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Viering en vrucht (2)

10 minuten leestijd

Zoals ik een vorig keer beloofde, komen in dit en het volgende artikel Calvijn en W. Teellinck aan het woord. De stem van Calvijn als representant van de reformatie en die van Teellinck als vertegenwoordiger van de nadere reformatie. Beiden hebben een poging tot herstel van het bijbelse Avondmaal gedaan. Het resultaat was een brede en geestdriftige deelname aan de viering van het sacrament. Er voltrok zich een breuk met het verleden waarin veelal sprake was van Avondmaalsmijding.

't Zal ons bekend zijn dat schroom om aan het Avondmaal te gaan niet vereenzelvigd dient te worden met mijding van het Avondmaal. Bij schroom denk ik veeleer aan hen die geen vrijmoedigheid hebben om aan de dis van het Nieuwe Verbond plaats te nemen, hoewel er in hun hart wel een verlangen is dat dit ooit eens zal gebeuren.

Avondmaalsmijding is van geheel andere aard. Zonder er veel bij na te denken en zonder er werkzaamheden mee te hebben, zegt men: 't Is toch niet voor mij, dus heb ik er geen boodschap aan.' In onze tijd komt dit onder andere tot uiting doordat men gemakkelijk thuisblijft of elders naar de kerk gaat als de thuisgemeente de dood des Heeren gedenkt totdat Hij komt.

Avondmaalsmijding

Niemand moet denken, dat Avondmaalsmijding een zaak van deze eeuw is of expliciet van onze tijd. Men komt dit in de reformatie en de nadere reformatie ook tegen. Zowel Calvijn als Teellinck hebben daartegen scherp stelling genomen.

Toch is er eigenlijk al veel eerder van Avondmaalsmijding te spreken. Men kan zeggen dat de deelname aan het Avondmaal in de Kerk van Christus tot in de vierde eeuw algemeen was. Wie lid was van de kerk, nam deel aan het Heilig Avondmaal. Het lid zijn van het lichaam van Christus (de gemeente) was ermee verweven.

Men zou zich niet hebben kunnen voorstellen, dat een belijdend lid niet aan de eucharistie, het Avondmaal, deelnam. Een scheiding tussen het één en het ander was er niet. Lid-zijn en Avondmaal vieren was onafscheidelijk met elkaar verbonden.

Het Avondmaal nam in de eerste vier eeuwen van onze jaartelling een grote plaats in het midden van de gemeente in.

In de tijd van Augustinus waren er gemeenten die iedere dag de dood des Heeren gedachten. Ook waren er kerken waar iedere zaterdag èn zondag de tafel des Heeren stond aangericht. Waar dit laatste niet het geval was, vierde men toch minstens iedere zondag het Avondmaal.

Met het aantreden van Theodosius de Grote als keizer kwam hierin verandering. In 380 na Christus verhief déze keizer het christendom in het Romeinse rijk tot staatsgodsdienst. Wat gebeurde er? De massa kwam de kerk binnen. Velen die geen innerlijke band gevoelden met het Evangelie, maakten sindsdien deel uit van de gemeente. Zelden of nooit bezochten zij een kerkdienst. Nooit namen zij deel aan de heilige dis van het Nieuwe Verbond. Zij waren meelopers, omdat het christendom staatsgodsdienst geworden was. Een inhoudelijke vulling had deze godsdienst evenwel voor hen niet. 't Was bij hen: 'Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt'. Zonder enige innerlijke betrokkenheid!

Vanaf de tiende eeuw van onze jaartelling speelden wat de avondmaalsmijding betreft nog andere factoren een rol. Vooral de woorden van de apostel Paulus uit I Korinthe 11 : 28 kregen een zwaar accent. De apostel houdt de gemeente van Korinthe voor: Maar de mens beproeve zichzelf, en ete alzo van het brood en drinke van de drinkbeker'. Men ging deze woorden uitleggen als een aansporing om eerst te biechten en daarna aan het Avondmaal te gaan.

Veel bereidheid om te biechten was er lang niet altijd aanwezig, 't Kon ook niet altijd omdat de gemeenten niet alleen groot, doch ook erg uitgestrekt waren. Niet ieder had het ervoor over om één of twee dagen te lopen naar de dichtstbijzijnde geestelijke om de biecht af te leggen.

Blijkbaar was men in die tijd de gedachte reeds kwijt, dat biechten goed kan zijn, maar dat men daarvoor niet de priester nodig heeft. Men kan rechtstreeks met z'n biecht en boetedoening (zelfbeproeving) tot de Heere gaan. Een 'intermediair' is daarvoor onnodig.

Nog meer neemt de avondmaalsmijding toe wanneer het Vierde Lateraanse Concilie in 1215 het dogma van de transsubstantiatie afkondigt. Op het woord van de priester verandert het brood en de wijn in het lichaam en het bloed van Christus. Ook al is die verandering niet te zien noch te proeven, maar het is een echte presentia realis (een echte, werkelijke aanwezigheid) van Christus' lichaam en bloed.

Tengevolge van deze afkondiging durfden, velen niet meer te communiceren. Men was bevreesd zich te bezondigen. Men voelde aan dat de gaven die nu met zo'n glans van heiligheid waren omgeven niet 'zomaar' aangeraakt konden worden.

Hoe men het ook keert of wendt, doch tengevolge van allerlei factoren waarvan ik er hierboven een aantal opsomde, ontstond er in de late Middeleeuwen een brede praktijk van Avondmaalsmijding binnen de Rooms-Katholieke Kerk.

Wat ons wel zal opvallen is dat de motieven om van het avondmaal weg te blijven in onze tijd vaak dezelfde zijn als die in de Middeleeuwen. Een van de motieven of argumenten is de heiligheid van het sacrament. Vier eeuwen reformatie hebben daarin blijkbaar geen verandering kunnen aanbrengen.

Calvijn

Calvijn kende grote waarde toe aan het Heilig Avondmaal. Hij heeft eigenlijk dezelfde gedachten gekoesterd als de kerkvaders in de eerste vier eeuwen van onze jaartelling. Zijn mening wijkt althans niet af van die van Chrysostomus, Ambrosius en Augustinus.

Calvijn acht het een contradictio in terminis (een tegenspraak) als men zegt tot de gemeente te behoren en niet aan de dis van het Nieuwe Verbond aan te gaan. Het is voor hem een ongerijmdheid.

't Moet gezegd worden dat hij hierover zich kernachtig heeft uitgedrukt, 't Zal ons wellicht allen bekend zijn dat óók Calvijn een catechismus het licht heeft doen zien. In tegenstelling tot de Heidelberger, die 52 zondagen telt, telt die van Calvijn 55 zondagen. In zondag 54 staat onder andere de volgende vraag: 'Hoe moet men oordelen over iemand die aan het Avondmaal niet wil deelnemen? ' Het antwoordt luidt: 'Het is een verloochening van Christus'.

Naar de mening van de pastor uit Geneve kan men iemand niet voor een christen houden, die weigert zich als een christen te openbaren. Wie aan het Avondmaal gaat is een christen. Dat Calvijn zó gedacht heeft, is te begrijpen als men bedenkt dat hij in navolging van de kerkvaders ervan uitgaat dat de kerk een belijdende kerk is. De kerk is voor hem maar geen vereniging waarvan men vrijblijvend lid kan worden en als men het daarin niet bevalt weer voor kan bedanken.

Neen, de kerk behoort, volgens Calvijn, te bestaan uit leden die belijden dat Jezus Christus hun enige troost is in leven en in sterven. Nog meer dan in z'n catechismus werkt hij dit uit in z'n Institutie. Met name boek IV, hoofdstuk XVII laat ons geen onduidelijke taal lezen. Calvijn zegt er onder andere dat het Heilig Avondmaal is ingesteld om vaak door alle christenen gebruikt te worden.

Nooit kan men het lijden en sterven van Christus teveel bedenken. Want de vrucht van een veelvuldige viering van het Heilig Avondmaal is dat het geloof erdoor wordt ondersteund en versterkt. Ook zal men elkaar aansporen om de lof op God te bezingen en te belijden. De onderlinge liefde wordt gevoed en men zal zowel naar binnen als naar buiten de goedheid des Heeren verkondigen.

Voor Calvijn is de viering van het Heilig Avondmaal niet alleen een naar binnen gekeerde zaak, maar ook een die z'n uitstraling heeft naar buiten. Zowel introvert als extravert!

Heel graag wil Calvijn de prediking van het Woord, de gebeden en de uitdeling van het Avondmaal en het geven van aalmoezen bij elkaar houden. Vooral laat hij zich leiden door Handelingen 2 : 42: En zij waren volhardende in de leer der apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden.' Hierin heeft hij volkomen met Luther overeengestemd die van mening was dat dit de ingrediënten, de kenmerken waren voor het leven van de gemeente. Geen groei van de kerk zonder deze kenmerken, aldus Luther.

Van Calvijn is ons bekend dat hij gezegd heeft dat er geen samenkomst van de gemeente moet zijn zonder de prediking, gebeden en viering van het Heilig Avondmaal.

Wat dit laatste betreft, beroept Calvijn zich op de 'Didachè'. Dat is een zeer oud geschrift uit de beginperiode van de christelijke kerk waarin ook het een en ander te lezen valt over het Avondmaal als een instelling door Christus Zelf aan Zijn Kerk gegeven.

Er valt onder andere het volgende in te lezen: 'Een ieder moet gestraft worden die niet blijft tot aan het einde van de (kerk-)dienst en op een behoorlijke manier het Avondmaal gebruikt'. Wie hiermee in strijd handelt, brengt onrust in de kerk. Waaruit — tussen twee haakjes — de straf heeft bestaan, is niet helemaal meer na te gaan. 't Valt te betwijfelen of men altijd op een medische wijze te werk is gegaan.

Hoe het ook zij: Calvijn is sterk geporteerd voor een veelvuldige viering van het Heilig Avondmaal. Hij zelf heeft zich iedere zondag aan een viering gehouden. Evenals Chrysostomus zag hij een saamhorigheid in prediking, viering van het sacrament en de gebeden. Evenmin als deze kerkvader wilde Calvijn weten van uitvluchten. Wat dat betreft was hij precies zo radicaal als Chrysostomus. Want toen aan laatstgenoemde eens werd gezegd dat er mensen waren in de gemeente die zich niet waardig genoeg bevonden om aan de heilige tafel des Heeren aan te gaan, gaf hij als antwoord: 'Wie zegt: ik ben niet waardig om deel te nemen aan de tafel des Heeren, moet dat ook toepassen op het gebed dat een voorbereiding is om het heilig sacrament te ontvangen. Wanneer men het één niet kan, kan men ook het andere niet.' Nu zou men uit het bovenstaande kunnen concluderen dat de viering van de dis van het Nieuwe Verbond bij Calvijn louter een ceremoniële plechtigheid is. Niet meer dan een plichtmatig gebruik!

Echter... wie deze conclusie trekt, vergist zich. Als één heeft aangedrongen op een waarachtig geloof voor deelneming aan de tafel des Heeren, dan Calvijn. Hoezeer heeft hij zich verzet niet alleen tegen hypocrisie (huichelachtigheid), maar ook tegen elk plichtmatig gebruik van brood en wijn. 't Is niet voor niets dat hij spreekt over het nuttigen van het Avondmaal met een geestelijke mond. Hij leerde dat de Heilige Geest via de tekenen van brood en wijn gemeenschap geeft aan het lijden en sterven van Christus. Dieper dan Luther heeft Calvijn gepeild waarom het ten diepste gaat bij het Heilig Avondmaal.

W. Teellinck

Een volgende keer wil ik de gedachten van W. Teellinck op papier zetten. Naast W. a Brakel is hij één van de beste vertegenwoordigers van de nadere reformatie geweest. Zijn invloed was in zijn tijd groot. Maar ook in onze tijd heeft hij ons nog wel iets te zeggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Viering en vrucht (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1995

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's