De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Viering en vrucht (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Viering en vrucht (3)

9 minuten leestijd

Inleiding

Een vorig keer luisterden wij naar de stem van Calvijn. Dit keer willen wij dit doen naar die van W. Teellinck.

Het zal wel bekend zijn, dat Teellinck leefde van 1579-1629. Als predikant diende hij de plaatsen Haamstede en Burgh in de jaren 1606-1613 en vervolgens Middelburg tot aan zijn dood in 1629.

Van Teellinck zegt men dat hij een sleutelpositie heeft ingenomen in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme. In zijn dagen is de 'nieuwe leer' praktisch overal gevestigd. Velen hangen haar aan. Velen noemen zich gereformeerd. Maar is men ook gereformeerd in leer en leven? Leeft men wel bij de gehele Schrift (tota scriptura)?

Met dit probleem is Teellinck geconfronteerd. Trouwens, niet alleen hij, maar ook vele anderen na hem. Te denken valt aan een beweging als de Nadere Reformatie, waarvan wel wordt gezegd dat Teellinck de geestelijke vader is.

Hoe het ook zij: hij is deze problematiek niet uit de weg gegaan. Op een pastorale en milde wijze heeft hij leiding gegeven.

Op een pastorale manier is hij óók ingegaan op een aantal vragen naar aanleiding van het Heilig Avondmaal. Dogmatisch kan men Teellinck bij de behandeling daarvan niet noemen. Het krijgt bij hem direct een praktische spits.

Alvorens ik nu iets doorgeef over zijn gedachten, is het goed om te weten dat Teellinck op een bepaald punt afwijkt van Calvijn. In 'Noord-Sterre' beschouwt Teellinck het sacrament als een krijgseed tot de dienst van God.

Het woord 'sacrament' betekent krijgseed. In het Romeinse rijk legden soldaten en officiers de krijgseed af aan het vaandel van de keizer. Het was een eed van trouw aan de keizer zelf.

Vanuit deze betekenis benadert Teellinck het Avondmaal. Calvijn heeft deze krijgseed-gedachte van de hand gewezen. Hij meent dat het dan meer een trouwbetuiging van de kant van de gelovigen wordt, dan van Gods trouw. Aan de tafel — zo zegt Calvijn — bevestigt allereerst de Heere Zijn liefde jegens ons. Niet onze trouwbetuiging is het belangrijkste, maar de verzegeling van Gods beloften. En die verzegeling is van Godswege!

Maar er is nog iets waarin Calvijn van Teellinck zich onderscheidt. Calvijn legt sterke nadruk op de Persoon en het werk van de Heilige Geest. Niet voor niets noemt men hem de theoloog van de Heilige Geest.

Het is opvallend dat Teellinck dit in veel mindere mate doet. Bij de behandeling van het Heilig Avondmaal in het Huysboeck verwijst hij slechts één keer naar het werk van de Heilige Geest. Zelfs van die ene keer kan men niet zeggen dat dit erg royaal is. Met andere woorden: het werk van Gods Geest komt zeer summier aan bod.

Ik haast mij intussen om te schrijven dat dit niet in al de werken van Teellinck het geval is, maar het valt wel op dat dit bij de verhandeling van het Heilig Avondmaal wel zo is.

Een laatste opmerking is. dat hij een ongelooflijke werklust heeft gekend. Naast een druk bestaan als predikant heeft hij, zoals zijn zoon Maximiliaan later zal schrijven, 127 geschriften op zijn naam.

Evenals Calvijn is hij opgebrand in de dienst des Heeren! En daarin zijn ze dan gelijk, hoewel — zoals aangetoond — er wel verschillen zijn tussen beiden. Het heeft waarschijnlijk ook met hun totaal verschillende achtergrond te maken.

De voorbereiding

De gedachten die ik nu weergeef over het Heilig Avondmaal zijn die van Teellinck zelf. Op een aantal gedachten kom ik nog wel terug, maar eerst wil ik hem zoveel mogelijk aan het woord laten.

Voor Teellinck is in de voorbereiding de zelfbeproeving het belangrijkste element.

Hij waarschuwt ernstig tegen de naamchristenen, die wel uitwendig het Heilig Avondmaal vieren, maar die geen betrokkenheid met hun hart daarop hebben.

De betrokkenheid van het hart kan niet gemist worden. Is er geen geestelijke betrokkenheid op dit heilig sacrament, zo drinkt en eet men zich een oordeel.

Dit neemt intussen niet wég, dat Teellinck de roeping van de gemeente om het Heilig Avondmaal te vieren onderstreept. Men kan maar niet ongestraft de uitnodiging tot het koninklijke bruiloftsmaal van de hand slaan. Hij verwijst in dit verband naar Mattheüs22:11-13.

Ook bestrijdt hij krachtig allerlei uitvluchten om niet aan te gaan. Letterlijk schrijft hij: 'Waarom wederstaat gij dan Zijn uitgedrukte bevel (Doet dat tot Mijn gedachtenis)? Ontvingt gij niet reeds Zijn Heilige Doop, komt gij niet tot het gehoor van Zijn Woord, en heeft niet dezelfde Heere, Die de Doop en de prediking verordende, ook het heilige Avondmaal ingesteld en u bevolen, dat te onderhouden? Scheidt dan niet wat God heeft verbonden en samengevoegd; vreest veel meer, dat gij, zo handelende zult gescheiden worden van de Almachtige'.

Wat de zelfbeproeving aangaat, deze wordt door Teellinck in Het geestelyk cieraet beschreven. Hij doet dit naar aanleiding van de gelijkenis van het bruiloftskleed.

Dit bruiloftskleed bestaat volgens hem uit zes delen. De eerste drie hebben betrekking op de staat van een christen, het tweede drietal staat meer in verband met het Heilig Avondmaal zelf.

Berouw

Als eerste wordt door hem genoemd het berouw. Daaronder verstaat hij een hartelijk leedwezen over de zonde.

Dat hij zijn tijd en tijdgenoten kende, blijkt duidelijk uit het feit, wanneer hij jong en oud voorhoudt dat zij ook een hartelijk leedwezen moeten hebben inzake de overdadigheid (luxe) waaraan men zich schuldig maakt. Ook het gebruik maken van een copieuze maaltijd wordt door hem tot zonde gerekend, waarover men zich voor de Heere moet verootmoedigen.

In die tijd zijn er blijkbaar ook die goede sier met hun kleding maken, wellicht anderen de ogen daarmee uitsteken. Bij de voorbereiding behoort het dat men daarover smart kent. Heeft men ruzie met elkaar, zo moet deze twist worden bijgelegd en als schuld voor God worden beleden. Zo waren er nog wel meer aanwijzingen van de kant van Teellinck, waaraan men met name bij de voorbereiding moest denken.

Wanneer men dit leest, doet het alles enigszins casuïstisch aan. Aan de andere kant moet men niet vergeten dat hij hierin op een pastorale manier leiding heeft willen geven en heeft willen aangeven waarover men berouw moest hebben opdat concrete zonden aan God en aan elkaar zouden worden beleden. Tegen deze handelwijze kan men bezwaren hebben, maar het zal duidelijk zijn dat men wist waarover men berouw moest hebben. Het kwaad werd concreet aangewezen.

Geloof

Natuurlijk is het berouw niet het enige wat ons aan de Tafel des Heeren een plaats geeft. Als tweede noemt Teellinck het geloof. Onder geloof verstaat hij niet een tijd-, wonder-of historisch geloof zoals velen — naar hij meende — in zijn tijd bezaten, maar hij bedoelt het waarachtig zaligmakend geloof, zoals de apostel schrijft als hij over het geloof spreekt: 'dat is niet uit u, het is Gods gave'.

Toch moet ik hierbij nog een opmerking maken. Teellinck kent verschillende stadia in het geloof.

Hoewel men hem niet van classificatie mag betichten, maakt hij toch wel een onderscheid van kinderen, jongelingen en vaders in het geloof. Hij is ermee op de hoogte dat er in het begin van het geloofsleven nog niét de verzekerdheid is. Niettemin stelt hij wel dat het Heilig Avondmaal alleen voor de ware gelovigen is. Maar om aan te gaan aan de tafel des Heeren behoeft men niet altijd een verzekerd gelovige te zijn. De laagste trap van het geloof is voor hem dat men in Christus de zaligheid zoekt en in Hem het heil begeert.

Laag, heel laag laat hij de 'ruif' hangen als hij nodigt tot de dis van het Nieuwe Verbond. Het gaat er hem om, dat men ongeveinsd hongert en dorst naar de gerechtigheid van Christus. Een kruimeltje genade is voldoende, want dat kruimeltje is vol en volkomen, omdat het uit het volkomen werk van Christus is.

Wel dringt hij aan om naar de zekerheid van het geloof te staan. Zoals een kind groeit naar de volwassenheid, zo moet ook een kind in het geloof groeien naar het jongelingschap en van het jongelingschap naar het vaderschap.

Kort samengevat: voor de jongelingen is er plaats aan de tafel en voor de vaders, maar ook de kinderen die nog maar net geestelijk ontwaakt zijn, worden door hem welkom geheten.

Het moet gezegd worden, dat sommigen van mening zijn dat Teellinck te ver gaat. Met name in de achttiende en in de negentiende eeuw ziet men dan ook dat de tafel alleen toegankelijk is voor de verzekerde gelovigen met als gevolg dat er in sommige kerken geen avondmaal meer wordt gevierd.

Zelf kies ik voor Teellinck, die het Heilig Avondmaal als middel voor de allerzwakste in het geloof ziet om tot meer zekerheid te komen.

Laten in de prediking de zwakgelovigen maar royaal en ruim genodigd worden om te proeven en te smaken dat de Heere goed is. Trouwens, waartoe dient anders het sacrament dan om het zwakke geloof te versterken?

Liefde

Naast het berouw en het geloof noemt Teellinck als derde kenmerk de liefde. Deze laatste is een vrucht van het geloof bij hem.

Deze liefde hangt daar niet ergens in de lucht. Zij is geen ondefinieerbare zaak. Deze liefde is heel concreet. Zij uit zich in het doen van dingen die de Heere behagen. Wat behaagt de Heere? Onder andere dat men zich zal bezighouden met het toekomstige leven. Ook bij Teellinck neemt het eschaton (de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde) in z'n denken en overpeinzingen een grote plaats in. Hierin gelijkt hij dan weer op Calvijn die aandringt op de meditatie futurae, d.i. de overdenking ten aanzien van het toekomOok dringt de liefde tot het heel concreet onderhouden van Gods geboden. Wie meent dat deze sleutelfiguur van de Nadere Reformatie wars is geweest van goede werken, vergist zich op één of andere manier. Voor hem was van belang dat zij in overeenstemming waren met Gods gebod en gericht op Gods eer.

Evenals bij andere representanten van de Nadere Reformatie nam dus de praktijk der godzaligheid een grote plaats in het leven in. In het gewone dagelijkse leven moest de liefde èn tot God èn tot de naaste uitkomen.

De godsdienst, het bevindelijk leven stond dus niet buiten het werkelijke leven, maar men poogde het — voor zover dit mogelijk was — daarin te integreren.

Juist door de liefde bleven leer en leven samen. De onderscheiding in leer en leven bleef, maar het leven werd niet los gezien van de leer. Wat dat betreft valt er voor ons èn van Calvijn èn van Teellinck nog wel het één en ander te leren. Ik vrees dat wij weleens uit elkaar halen wat bij elkaar behoort. Maar ook van leer en leven geldt: Wat God heeft samengevoegd, zal de mens niet scheiden. (Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Viering en vrucht (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's