Liefdevolle inspanning
Ambtsdrager mag eerlijk omzien op zijn dienst in Gods Koninkrijk (2, slot)
Gedragen door levenswijsheid en geloofservaring mag een oudere ambtsdrager de jongere generatie bemoedigen. Oudere christenen hebben ontdekt dat alleen het Woord ons redt, niet de veelheid aan activiteiten.
Vorige week dachten we na over hoe je als emeritus predikant terugblikt. Nu staan we stil bij het kijken naar het wezen van de gemeente vandaag, naar hoe je opvolger zijn werk doet. Eén keer hoorde ik een predikant zeggen dat het goed ging in de gemeente, omdat hij slechts verder hoefde te gaan met al het goede dat zijn voorganger gedaan had. Vaker hoorde ik woorden als: ‘Ja, de gemeente had onder Karel natuurlijk een moeilijke tijd, maar nu kunnen we weer bouwen…’ Ook hier geldt: ‘De dominee is ook maar een mens.’ In dit kader wijs ik daarom als eerste op de roeping om de gave van het bemoedigen te ontwikkelen. Ik citeer uit een vraaggesprek uit De Waarheidsvriend met ds. J.A. van der Velden, in 2021, die daarin als tachtiger het voorgeslacht en de jongere generatie verbindt. ‘Ik heb veel van mijn vader (ds. Joh. van der Velden, 1927-1997, red.) geleerd, de grondige voorbereiding van de preken, de trouw in het bezoeken van mensen.’
Mild is ds. Van der Velden naar jonge predikanten in zijn regio. ‘Als ik vandaag kijk naar de jongere predikanten in IJsselmuiden en omgeving, dan zijn ze gewoner in hun taal, wellicht wat minder dogmatisch in hun verwoording. Ik vind het knap hoe jonge predikanten in deze tijd het Evangelie proberen uit te dragen. (…) Veel bewondering heb ik daarvoor. Ik bid elke dag voor hen, dat ze het volhouden, dat ze de vertaalslag mogen maken zonder iets af te doen aan het Evangelie van zonde en genade, van verlorenheid en redding, van verzoening in Christus. Ze voelen wellicht wat meer de tijdgeest aan dan ik in mijn tijd.’
Bemoediging
Kan dat uw roeping zijn vandaag, stimulerend en bemoedigend? Tot de geestelijke gaven waarover Paulus in Romeinen 12 spreekt, hoort de bemoediging: ‘Hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; hetzij wie uitdeelt, in oprechtheid.’ Paulus gaat de gemeente voor door haar steeds aan te sporen tot trouw en gehoorzaamheid en haar te bemoedigen door te letten op Wie God is en wat Hij doet. Misschien zijn er oudere gemeenteleden die zich wel eens afvragen: ‘Wat beteken ik nog? Mijn krachten worden minder en de vragen van vandaag vind ik zo complex.’ Naast de gave van het gebed is er de gave van de bemoediging.
Die bemoediging mag gedragen worden door wijsheid, levenswijsheid. Daar is veel behoefte aan, ook bij mensen die op verantwoordelijke posten staan en voor hun gevoel altijd moeten geven. Eerder dit jaar verscheen een driedelige documentaire over Beatrix als koningin, bijzonder om te zien. Ik denk daarom als een voorbeeld aan prins Claus. Oudpremier Van Agt zei over hem: ‘Als hij sprak, luisterden allen intens. Beatrix het allermeest. Wat Claus te zeggen had, was altijd raak en wijs.’ Wat zal hij – ook in zijn eigen kwetsbaarheid – op deze manier veel voor onze voormalige koningin betekend hebben. Mensen die terzijde staan, letterlijk, zijn waardevol voor de voortgang van het werk. We hoeven er alleen maar te zijn, te luisteren, de goede vragen te stellen, mensen te zien. Dat verrijkt de periode als emeritus.
Die levenswijsheid mag gedragen zijn door de vreze des Heeren. Dan komen levenswijsheid en geloofservaring samen, dan brengen wijze raadgevers – tegen de tijdgeest in – naar voren dat allerlei activiteiten ons niet redden, dat de veelheid van dingen niet leidt tot een levende gemeente. Maar dan leren we van ervaren christenen dat het Woord autoriteit geeft, leren we door hun ervaring dat niets anders dan dit de gemeenten bouwt. Dan houden zij het besef van de heiligheid van God levend, Die in Christus zo oneindig diep tot ons is afgedaald. Treffend is het woord van Jakobus dat wijsheid die niet van boven komt, gevoed wordt door afgunst en eigenbelang. De wijsheid van boven is daarentegen rein, vreedzaam, welwillend, onpartijdig, ongeveinsd. Zijn dit geen dingen die elke kerkelijke gemeente, elke kerkenraad, elke familie meer dan nodig heeft?
Medearbeiders
We leven in een tijd waarin er zeker van de groep predikanten tot 75 jaar veel gevraagd wordt, op zondag en doordeweeks. Met grote dankbaarheid memoreren we hun inzet, van week tot week. Het is intensief als je wilt dat de prediking blijft raken aan de pastorale vragen van onze tijd. Aan wat er leeft in de samenleving, voor alles wat er leeft in het hart van mensen. Als een jongere generatie aangeeft niet per se altijd als gemeentepredikant te willen dienen en kiest voor bovenplaatselijk werk, komt de last van de gemeente voor een deel bij de oudere generatie. Dit kan zomaar tot onbegrip leiden.
Breed leeft de overtuiging dat de bijdrage van de oudere emeritus niet gemist kan worden. In delen van ons land zijn er kerkelijke gemeenten die niemand kunnen vinden die bevoegd is om volgende week het avondmaal te bedienen, of die over drie dagen de rouwdienst van tante Anna leiden wil. Wat kan dit je raken! Mattheüs 9 is actueel: ‘Bid daarom tot de Heere van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitzendt.’
Doorwerkers en invallers
Nu kijkt de Protestantse Kerk naar emeriti als mensen die zich uitgenodigd mogen weten om zich ook na hun terugtreden uit de actieve dienst ambtelijk in te zetten. Dat is denken vanuit de roeping van de Heere der kerk. Die roeping mag doorgaan, zolang de Heilige Geest spankracht en werkkracht geeft, waarbij uiteraard naar de wijze raad van omstanders geluisterd moet worden. Als er sprake is van beginnende dementie en je hebt voor volgend jaar nog tachtig beurten staan die je eigenlijk niet wilt afzeggen, dan is wijze raad onmisbaar.
Wie in Overijssel-Flevoland woont, heeft in ds. K. van der Kamp iemand die als classispredikant de aankomende emeriti uitnodigt gevoelig te zijn voor wat er mogelijk in het emeritaat op hun pad komt. ‘Er zijn predikanten die met uiterste inspanning hun emeritaat halen; zij mogen weten dat in Israël het dienstwerk van de priester zich beperkte tot de leeftijd tussen dertig en vijftig jaar. Ik gun hen dat’, zei hij ooit. ‘Maar het mag ook anders. Als classispredikant weet ik dat we mensen nodig hebben, monden om te verkondigen, empathisch luisteren bij mensen in nood; simpelweg omdat er gemeenten vacant zijn.’
De knik van dienstdoend naar emeritus vraagt ook om wijsheid: ‘Wijsheid om los te laten en opvolgers niet voor de voeten te lopen, en naar ik hoop: wijsheid en ruimte om via de achterdeur van de kerk toch van betekenis te mogen blijven in de dienst in de wijngaard des Heeren. Het licht waarvan ik mag getuigen, verspreidt zonlicht op mijn eigen levensweg.’ Het breed moderamen in Overijssel-Flevoland informeert emeriti dat doorwerkers en invallers nodig zijn. En kerkenraden ontwikkelen strategie om te zien hoe ze preekroosters kunnen blijven vullen.
Dit alles mag gedragen worden door waardering voor en dankbaarheid aan het adres van velen die zich blijven inzetten. Het wordt gezien, de waarde ervan wordt erkend. Belangrijker, tegen allen die zich van harte inzetten én tegen degenen die dit niet meer kunnen of hoeven, zeggen we: ‘Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de heiligen gediend hebt en nog dient.’ (Hebr. 6:10)
Bijzondere genade
Een dominee is ook maar een mens. Genade, bijzóndere genade, is het dat hij eens geroepen is tot de dienst van het Evangelie. Kind en knecht te mogen zijn. Verwondering is het als hij bewaard bleef in de dienst van het Evangelie. Ook in de hervormd-gereformeerde traditie zijn predikanten onderweg geestelijk verongelukt. Ik denk als voorbeeld uit het geheel van de kerk aan ds. Derk Floors, die begin 2025 met emeritaat ging. ‘Tientallen jaren preekte hij het Woord van God, zijn hele leven twijfelde hij over het bestaan van een Almachtige’, schrijft het Algemeen Dagblad.
Nu weet hij het echt: ‘God bestaat niet echt, Hij is een literair figuur.’ Daarvan krijg je het koud om je hart.
Ik ken ds. Derk Floors niet, maar ik moest denken aan ds. Dick Floor, die in de zomer van 2024 na een kortdurend ziekbed overleed. Hij overtuigde naar kinderen en kleinkinderen van de rijkdom van een leven met Christus. Dan volg ik met ds. Floor het spoor van de apostel, die ondanks miskenning van zijn ambtelijke gezag in Korinthe, ondanks littekens en stokslagen, zegt dat het tijdstip van zijn heengaan aanstaande is. ‘Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht. Ik heb het geloof behouden.’ Genade en verwondering. En aan Korinthe: ‘Door de genade van God ben ik wat ik ben, en Zijn genade voor mij is niet tevergeefs geweest.’
Door de afbraak van mijn leven gaat dat heen. Pijnlijk is dat, dat moeizame proces van minder kunnen. Neem Johannes de Doper. In de heilsgeschiedenis ontving hij een bijzondere plaats als heraut van koning Jezus. Zijn boodschap raakt ons hart: ‘Zie het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegdraagt!’ Maar zijn leven eindigde op enkele vierkan-te meters, in de gevangenis, terwijl Christus’ werk voortging, doden werden opgewekt en aan armen het Evangelie werd verkondigd. Daarin moet hij rust vinden, schijnbaar in de marge en uitgediend, als de Heiland hem weten laat: ‘Zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.’ (Matt. 11)
Onze doop
Hoe ons leven ook verdergaat en wanneer ons einde zich ook aandient, we wijzen elkaar op de God van onze doop. Niet het ambtelijke offer dat ik bracht, niet mijn roeping en zwoegen kunnen mij redden. Zijn beloften zijn de heilskoorden uit de hemel. Ds. A. Beens schrijft in Als het ouderdomt: ‘Nooit versta en beleef je de doop zo diep als in zo’n periode van schipbreuk en loslaten.’
Mijn doop is tot het laatste uur van mijn leven tegenwoordige tijd: ik bén gedoopt. God is de God van het verbond, van geslachten die gaan en die komen, Die bij mijn wieg stond en Die bij mijn sterfbed staan wil. Het water van de doop wijst naar het bloed van Christus, waarin ik mijn zaligheid zoek. ‘Wie zich op zijn doop verlaat’, zegt Luther, ‘heeft alle reden God lief te hebben, te loven en te danken en vrolijk te sterven.’ En Calvijn stelde op zijn sterfbed de vraag: ‘Zal ik aan mijn doop niet genoeg hebben, waarmee God mij liet dopen?’ Hij had aan de beloften van Christus genoeg, omdat hij aan Jezus Zelf genoeg had, in leven en sterven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 2025
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 2025
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's