Geestelijke strijd
Theologiestudie als herdersopleiding (2)
Het Nieuwe Testament gebruikt beelden uit de sport voor de strijd tussen het rijk van de duisternis en het rijk van het Licht. We moeten alles op alles zetten om te winnen. Beseffen we in onze tijd hoe urgent dit is? Of is het een beetje te gezellig geworden in de kerk en in de theologieopleiding?
Petrus koppelt de twee werkwoorden ‘hoeden’ en ‘toezicht houden’ aan elkaar: Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op’ (1 Petr.5:2). In het Grieks klinkt dat eerste stuk als: ‘de kudde moet je kudderen’. De Statenvertaling heeft de deelwoorden (participia) laten staan: ‘hebbende opzicht daarover’. In het Grieks klinkt daar het woord bisschop in door, de episkopos, de opziener, de toezichthouder, of de opletter.
De oudsten die Petrus aanspreekt, moeten dus de kudde kudderen door op te letten, waakzaam te zijn, door het overzicht te houden. Hierbij kun je denken aan het lijden waarover hij in de brief schrijft, of aan het niet meer meedoen met de heidense ‘uitingen van losbandigheid, begeerten, dronkenschap, zwelgpartijen, drinkgelagen en allerlei walgelijke afgoderij’ (4:3). Dat wekt bevreemding en laster op.
Studiefinanciering
We moeten misschien vooral ook denken aan de geestelijke strijd. Iets later in hoofdstuk 5 schrijft Petrus dat de tegenstander, de duivel, rondgaat als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden (vs.8). Daar hoef je niet bang voor te zijn, je hoeft je niet te laten intimideren of je gek te laten maken, maar je moet wel weerstand bieden, vooral door nuchter en waakzaam te blijven. Die twee woorden, nuchter en waakzaam, geven de houding van de toezichthouder het beste weer. In ieder geval is de kudde in heel de Bijbel een beeld van een kwetsbare en bedreigde gemeenschap die gemakkelijk verstrooid wordt en waar wolven op afkomen. De theologiestudie moet daarom ook opleiden om waakzaam te zijn. ‘De herders moeten hun kudde weiden met het Woord des levens’, zodat schapen ‘ermee gevoed en getroost worden en op hun hoede zijn voor de wolven en de valse profeten’, aldus Theodorus Beza, leerling van Calvijn. Het is opvallend dat in de geschriften uit de tijd van de Reformatie het bijbelse beeld van de herder en de kudde vaak verbonden wordt met de gevaren die de schapen bedreigen: de wolven in schaapskleren of de valse profeten. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de polemische context waarin de ambten disfunctioneerden, bijvoorbeeld omdat de priesters en de bisschoppen vaak slechts in naam aan hun kudde verbonden waren. Of omdat ze elders woonden en het ‘vuile werk’ van het pastoraat door lagere geestelijke lieten opknappen.
Er was in de late Middeleeuwen een hele ruilhandel aan kerkelijke baantjes ontstaan. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Calvijn daar zelf ook gebruik van heeft gemaakt. Hij was voor de vorm door zijn vader in zijn geboorteplaats Noyon aan een kerkelijk baantje geholpen. Hij kreeg daar het geld voor (een zogenaamde prebende) en een lagere geestelijke, een vicaris, deed het werk. Het verschil was voor de veertienjarige Jean Calvin de studiefinanciering om in Parijs te gaan studeren.
Vrouwelijke ambtsdragers
De nadruk op de herder of pastor als betiteling van de dienaar van het Woord was ingegeven door de moeite met het begrip ‘episkopos’, bisschop. Daarom werd benadrukt dat ouderlingen, herders en leraars eigenlijk allemaal onder het kopje presbyteros en episkopos vallen. Daarnaast had je de diakenen. In de gereformeerde ambtstheologie van de Reformatie zijn er enerzijds dus twee ambten: ouderlingen, van wie sommigen met de bijzondere opdracht om te preken, en diakenen. Anderzijds is er een indeling in vier ambten. Calvijn ontleent die aan Martin Bucer, zijn collega in Straatsburg: de predikanten of herders (pasteurs), de leraren (docteurs), de ouderlingen (anciens) en de diakenen (diacres). Dat is voor de hedendaagse discussies over het ambt en ook voor de vragen rond vrouwelijke ambtsdragers ingewikkeld. De gereformeerde ambtstheologie, zoals die in de belijdenisgeschriften en liturgische formulieren confessioneel is vastgelegd, is wel op het Nieuwe Testament gefundeerd, maar valt niet eenop-een daaruit af te leiden. De kerkenraad – met een predikant, ouderlingen en diakenen – loopt niet rechtstreeks weg uit het Nieuwe Testament. De herder en leraar zijn ontleend aan de ambten die in Efeze 4 als gaven van de Geest aan de gemeente geschonken zijn: ‘Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, weer anderen als evangelisten en nog weer anderen als herders en leraars.’ (4:11) Er is volgens Calvijn een onderscheid tussen herders en leraren. Het behoort tot het ambt van alle herders dat zij onderwijzen, maar het is een bijzondere gave om de Schrift zo uit te leggen dat leer en leven zuiver bewaard blijven.
Wolven
De herders zijn verantwoordelijk voor een specifieke kudde. Je kunt ze ook ‘leraar’ noemen, als je maar bedenkt dat er ook ‘een ander soort leraren is die zijn aangesteld, zowel om de herders te vormen als om heel de kerk in de leer te onderwijzen. Hiermee is niet gezegd dat dezelfde persoon soms niet tegelijkertijd herder en leraar kan zijn, wel dat het twee verschillende gaven zijn.’
De theologische leraar heeft dus een specifieke roeping om de geloofsleer te bewaken en om de herders te vormen. Het geven van theologisch onderwijs is dus volgens Calvijn een apart ambt, het ambt van doctor ecclesiae, leraar van de kerk. Bij dat onderwijs van de leraren aan de herders is de polemiek wel een belangrijk onderdeel. Een herder moet ‘iemand zijn die zich de zuivere geloofsleer voldoende eigen heeft gemaakt en die deze leer zozeer beheerst dat hij tegenstanders het hoofd kan bieden’.
Het is de taak van een goede herder om de kudde niet alleen te weiden, eten te geven en te leiden, maar ook om de wolven op een afstand te houden die kwaad willen doen in de schaapsstal, schrijft Calvijn. ‘Als een herder hen een of twee keer moedig heeft afgeschud, maar bij de negende of tiende poging de moed verliest, hoe kan hij zich daarvoor verontschuldigen?’
Opleiding tot militair
In de Reformatie was er wel erg veel polemiek, maar is er vandaag wel voldoende besef van de geestelijke strijd tussen waarheid en leugen, tussen het rijk van de duisternis en het rijk van het Licht? Achter de gordijnen van de zichtbare werkelijkheid zijn er machten die ons beïnvloeden. Rusten we elkaar echt toe in het aandoen van de geestelijke wapenrusting? Het Nieuwe Testament gebruikt voor die strijd beelden uit de sport. We moeten alles op alles zetten om te winnen. Is er op dit punt voldoende besef van urgentie? Als het de taak is van de leraars om de herders op te leiden, dan is het wel belangrijk om te onderscheiden waar de fronten liggen (zie ook kader ‘Drie spanningsvelden’ op p.13).
De theologiestudie is in elk geval ook een opleiding tot militair, tot wachter, episkopos, opletter. Calvijn: ‘Er zullen in de kerk altijd slechte lieden en valse schijnheiligen zijn die hun eigen genot verkiezen boven het Woord van God. Ook de goeden worden soms door de duivel verzocht om boos te worden op hun herder die hen vermaant ter wille van hun behoud, soms uit onkunde, soms uit een bepaalde zwakte. Het is dus onze taak om niet bang te zijn dat wij het ongenoegen van mensen over ons heen halen, op voorwaarde dat wij degenen die zwak zijn, niet van Christus verwijderen.’
Drie spanningsvelden
Predikanten, en daarmee ook theologiestudenten, ontmoeten allerlei spanningsvelden. Ik noem er drie, waarmee ik zelf ook worstel.
1 Het spanningsveld tussen het exclusief gereformeerde en de verbondenheid met alle christenen. De nadruk op orthodoxie werkt scheidend, maar is soms ook nodig... De nadruk op de verbondenheid klinkt aantrekkelijk, maar is ook zorgwekkend vanwege de toenemende vervaging van de grenzen. Milde vrijzinnigheid heeft uiteindelijk geen toekomst. De beste dienst die de gereformeerde theologie aan het geheel van de kerk kan aanbieden, is het inbrengen van de gereformeerde geloofsleer als de zuiverste expressie van het katholieke belijden.
2 Er is een verschuiving gaande van de dogmatiek naar de ethiek. Interne debatten lijken zich toe te spitsen op ethische kwesties, met name over huwelijk en seksualiteit. Dit is een spanningsveld: het gaat om de heiligheid van God, maar een heilige kerk is ook een veilige kerk. Daarnaast gaat het altijd om kwetsbare mensen. Tegelijk speelt altijd ook het gezag van de Schrift een rol. Is er in de opleiding voldoende aandacht voor het gesprek hierover? Is er ruimte voor een orthodox gereformeerd geluid en weten de studenten dat ook op de juiste wijze in te brengen?
3 Is er voldoende aandacht voor het duiden van de tijd waarin we leven? Er is een spanningsveld tussen het herkennen en aanwijzen van de tekenen van de (eind)tijd (coronacrisis, oorlogssituatie, zending, Israël) én de nuchterheid dat we sinds Pinksteren altijd al in de eindtijd leven. Hoe duiden we de actualiteit vanuit de Schriften? Hoe beleven en interpreteren we de tijd waarin we leven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2024
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2024
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's