Jurjen Zeilstra Visser ’t Hooft. Een leven voor de oecumene 1900-1985. Uitg. Skandalon, Middelburg; 574 p.; € 39.50.
Wie Wereldraad van Kerken zegt, zegt Visser ’t Hooft, en omgekeerd. Dat blijkt uit deze biografie, die Zeilstra, predikant in de protestantse gemeente Hilversum, schreef over de secretaris-generaal van de Wereldraad. Direct bij de begin van de Wereldraad-in-oprichting, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, kreeg hij die functie. In de oorlogsjaren onderhield hij het oecumenisch netwerk. En in 1948, toen de Wereldraad in feite werd opgericht, was hij al het onbetwiste gezicht van de Wereldraad.
Zeer onderhoudend tekent de auteur zijn portret en geeft hij een beeld van alle wel en wee in en rondom deze wereldwijde oecumenische organisatie, waarbij zich 147 kerken uit 44 landen aansloten. Tal van kleinere protestantse kerken sloten niet aan en ook Rome hield zich afzijdig, hetgeen door Visser ’t Hooft als teleurstellend werd ervaren. De grondslag van de Wereldraad was zo eenvoudig mogelijk: ‘De Wereldraad van Kerken is een gemeenschap van Kerken die onze Heer Jezus Christus aanvaarden als God en Heiland’. De remonstrantse predikant H. J. Heering (later hoogleraar) verweet bij de oprichting de wereldraad ‘de neiging tot het nastreven van kerkelijke macht op een smalle dogmatische basis’. Intussen wilde Visser ’t Hooft bij de oprichtingsassemblee (22 augustus tot 4 september in Amsterdam) uitsluitend eersteklas sprekers, die ‘kerkelijk dachten’. Het was hem een vreugde dat ook zijn leermeester Karl Barth bereid was te komen, hoewel die ‘persoonlijk toch weinig moest hebben van de Wereldraad’.
De secretaris-generaal introduceerde het begrip responsible society, waarmee hij bedoelde dat mensen in posities van politiek gezag of economische macht verantwoording moesten afleggen ‘aan God en aan mensen wier welvaart daarmee gemoeid is’. De aandacht voor de wereld – oecumene is: de hele bewoonde wereld – was daarmee ten principale gegeven. Visser ’t Hooft stond daarbij echter ook voor de onmisbaarheid van de zending.
Helder komt in dit boek tot uitdrukking hoe de asssemblee van Uppsala (1968) een keerpunt werd. In mijn eigen woorden: van Wordoriented naar world-oriented beleid. Vanaf dat moment kwam de Wereldraad breed en scherp onder vuur te liggen bij ‘bijbelgetrouwe’ denominaties vanwege de ideologische maatschappijkritische theologie, met zelfs marxisitische tendensen, die dominant werd in Genève. In dit boek ontbreken getuigenissen van hen die fundamenteel kritiek leverden op de nieuwe koers van de Wereldraad. Ik denk aan publicaties van prof. dr. K. Runia, dr. W. Aalders en de Duitse prof. dr. P. Beyerhaus. Wel komt aan het eind van het boek aan de orde dat Visser ’t Hooft zelf die ontwikkeling met lede ogen aanzag. Hij bleef de oecumenische beweging trouw maar werd langzaam maar zeker aangemerkt als ‘een toornig oude man’. Ook hier plaats ik een kanttekening. Op 17 en 18 mei 1972 hield Visser ’t Hooft de Berkelbach van der Sprenkellezingen aan de theologische faculteit in Utrecht, onder leiding van de hoogleraar W.C. van Unnik. Juist in deze lezing heeft Visser ’t Hooft openhartig en eerlijk afstand genomen van de koers die de Wereldraad had genomen. ‘Heeft de oecumenische beweging toekomst?’ was de bijna retorische vraag. Hier had de auteur naar mijn oordeel niet met een weinigzeggende korte alinea mogen volstaan.
Ook haal ik gaarne voor het voetlicht de inzet van Visser ’t Hooft voor de Joden. Bij zijn overlijden in 1985 beschreef Max Gans hem in het Nieuw Israëlisch Weekblad als ‘een vriend van het Joodse volk’. In 1972 had hij aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem een eredoctoraat gekregen in erkentelijkheid voor de rol die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Joden had gespeeld. Vanuit Genève was protest aangetekend tegen (alsnog) de deportatie van 400 Hongaarse Joden naar Auschwitz. Nochtans zei hij bij de uitreiking van de bul dat hij wel hooggeprezen werd maar dat hij ‘veel meer het gevoel had dat we eigenlijk veel meer hadden moeten doen’.
Zeilstra schreef een boeiende biografie over een ‘omstreden bruggenbouwer’, op het eind van zijn leven een teleurgesteld man, die niet uitsloot dat de Wereldraad uiteindelijk ‘kapot’ zou gaan. En ten slotte, hij was niet bang voor de dood: ‘Als ik in Jezus geloof, geloof ik ook in het eeuwige leven.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 2020
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's